RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeksters] , verzoekster
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.56840
V-nummer: [V-nummer]
geboren op [geboortedag] 1973, van Pakistaanse nationaliteit
(gemachtigde: mr. S. Guman),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Verzoekster heeft op 8 juli 2026 bij de minister een aanvraag ingediend voor de afgifte van een faciliterend visum. De minister van Buitenlandse Zaken heeft op 12 augustus 2026 geweigerd het visum af te geven. Verzoekster is daartegen op 15 augustus 2026 in bezwaar gegaan.
Op 25 september 2026 heeft verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek strekt ertoe verzoekster te behandelen alsof zij in het bezit is van een faciliterend visum, omdat zij de moeder is van twee minderjarige Nederlandse kinderen en zij daarmee rechten ontleent aan het arrest Chavez-Vilchez.
De minister heeft de voorzieningenrechter laten weten zich te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening en heeft gereageerd met een verweerschrift. Verzoekster heeft daarop gereageerd met nadere gronden en aanvullende stukken.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de gevraagde voorlopige voorziening verstrekkend is, in die zin dat toewijzing van het verzoek feitelijk neerkomt op een beslissing op het bezwaar waarvan de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden. Als de voorlopige voorziening nu wordt toegewezen zal verzoekster Nederland in kunnen reizen zodat de feitelijke situatie ontstaat die verzoekster met haar bezwaar heeft beoogd. De gevolgen van toewijzing van de voorlopige voorziening zijn dan ook onomkeerbaar en dat betekent dat de minister voor een voldongen feit wordt gesteld. Volgens vaste jurisprudentie is voor een dergelijke vergaande beslissing, die het bestek van de voorlopige voorzieningenprocedure in principe te buiten gaat, alleen plaats als een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noodzaakt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het primaire besluit.
2. Volgens de voorzieningenrechter is er geen sprake van een zwaarwegend spoedeisend belang. Verzoekster heeft aangevoerd dat het spoedeisende belang erin is gelegen dat haar partner en de vader van haar kinderen ernstig ziek is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster het spoedeisend belang onvoldoende met stukken heeft onderbouwd. Uit het dossier van de voorzieningenrechter blijkt weliswaar dat de partner van verzoekster medicatie en behandelingen ontvangt voor een vorm van kanker, maar daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gegeven dat er sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang voor verzoekster en haar kinderen om zo snel als mogelijk naar Nederland af te reizen. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat er sprake is van een onhoudbare situatie waar acuut een einde aan moet worden gemaakt. Dat verzoekster de moeder is van twee minderjarige Nederlandse kinderen en dat zij graag snel naar Nederland willen afreizen maakt dat niet anders, nu het belang van verzoekster om zo snel mogelijk naar Nederland te kunnen reizen niet dusdanig zwaar weegt dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter komt daarmee niet toe aan de beantwoording van de vraag of sterk getwijfeld dient te worden aan de rechtmatigheid van het primaire besluit.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doen zich door het ontbreken van een zwaarwegend spoedeisend belang geen bijzondere omstandigheden voor die een onomkeerbaar besluit als het onderhavige rechtvaardigen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang.
4. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.