RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.60259
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 8 oktober 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Barzizaoua als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist bovengenoemde gronden niet, maar hij betoogt dat de bestreden maatregel niettemin onrechtmatig is omdat geen sprake is van nieuwe omstandigheden ten opzichte van de vorige periode dat hij in vreemdelingenbewaring zat.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De eerder aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring is opgeheven op 7 april 2025, na een belangenafweging. De maatregel is dus niet opgeheven vanwege het ontbreken van het zicht op uitzetting. In een dergelijk geval hoeft geen sprake te zijn van nieuwe omstandigheden die een maatregel van vreemdelingenbewaring rechtvaardigen.
6. Eiser betoogt verder dat het voortduren van de maatregel na drie dagen onrechtmatig is geworden, omdat hij toen bij elkaar opgeteld zes maanden in vreemdelingenbewaring verbleef en de minister ten onrechte geen verlengingsbesluit heeft genomen. Eiser wijst in dat verband op het arrest Aroja.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond evenmin slaagt. Uit het dossier blijkt dat eiser van 10 tot en met 16 oktober 2024 en van 27 november 2024 tot en met
7 april 2025 ook in vreemdelingenbewaring zat op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw. Dat is bij elkaar opgeteld 139 dagen. De minister heeft dus (nog) geen verlengingsbesluit hoeven nemen. Dat eiser van 16 oktober 2024 tot en met 27 november 2024 vanwege zijn asielaanvraag ook in vreemdelingenbewaring zat op grond van artikel 59b van de Vw, maakt dat niet anders. De periode waarin hij op grond van artikel 59b van de Vw in vreemdelingenbewaring heeft verbleven telt namelijk niet mee bij het berekenen van de maximale bewaringsduur, bedoeld in artikel 59, vijfde en zesde lid, van de Vw. Het arrest Aroja gaat immers alleen over perioden van bewaring op grond van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn ter uitvoering van een terugkeerbesluit. De rechtbank wijst in dat verband ook op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2026. Het enkele feit dat eiser het met deze uitspraak niet eens is maakt niet dat de rechtbank nu anders dient te oordelen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.