RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60860
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
Procesverloop
Bij besluit van 9 oktober 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Gronden van de maatregel
1. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico als gronden zoals bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betoogt dat het onderduikrisico door verweerder onvoldoende is onderbouwd in de bewaringsmaatregel. Daartoe voert eiser aan dat hij reeds op een bij verweerder bekend adres verbleef en dat uit zijn verklaringen dat hij weigert vrijwillig te vertrekken naar Turkije zonder nadere motivering geen concreet onderduikrisico kan worden afgeleid.
Voor zover eiser grond r betwist, overweegt de rechtbank als volgt. Doordat de niet bestreden gronden a, b, h, p en s, bezien in onderling verband en samenhang, naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen, ook na ambtshalve toetsing, behoeft grond r geen bespreking. Uit de overige gronden vloeit namelijk al een onderduikrisico voort. Tevens is de rechtbank van oordeel dat verweerder de gronden, en dus het onderduikrisico, in de maatregel voldoende heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
2. Eiser stelt dat de belangenafweging die heeft plaatsgevonden onvoldoende is en dat er een lichter middel, zoals een meldplicht, moet worden toegepast. Daartoe voert eiser aan dat hij kan verblijven op het adres van zijn broer en dat hij zich coöperatief opstelt naar de autoriteiten door onder andere bij de vertrekgesprekken te verschijnen en zich niet aan het toezicht te onttrekken. Ook is eiser van mening dat zijn psychische kwetsbaarheid onvoldoende is betrokken in de belangenafweging. De enkele omstandigheid dat eiser volgens verweerder niet vrijwillig wil terugkeren vormt volgens eiser geen rechtvaardiging voor zijn inbewaringstelling.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder. Alleen een verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend hadden kunnen worden toegepast. Zoals in 1.3. is overwogen volgt uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd dat sprake is van een onderduikrisico bij eiser. Verder is de psychische kwetsbaarheid van eiser voldoende meegenomen in de belangenafweging in de maatregel. Zo wijst verweerder er in de maatregel terecht op dat in het detentiecentrum gespecialiseerde zorg aanwezig is voor personen met psychische problemen en dat de zorg voor eiser in bewaring derhalve voldoende is afgedekt. Ook anderszins is niet gebleken dat de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend is. De omstandigheden dat eiser bij zijn broer zou kunnen verblijven en dat eiser zich coöperatief opstelt vormen voor de rechtbank verder ook geen aanleiding om te oordelen dat een lichter middel moet worden toegepast. Eiser heeft meermaals verklaard niet vrijwillig te willen terugkeren naar Turkije en heeft geen gehoor gegeven aan zijn vertrekplicht. De beroepsgrond slaagt niet.
Non-refoulement
3. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Turkije vreest voor zijn veiligheid en militaire dienst. Om die reden wenst eiser zijn verblijf in Nederland voort te zetten.
Voor zover eiser een beroep doet op het non-refoulement beginsel neemt de rechtbank in aanmerking dat de vraag of uitzetting naar Turkije in strijd is met het beginsel van non-refoulement recent al aan de orde is geweest in eerdere procedures van eiser, waaronder in zijn asielprocedure. In die procedure is zijn asielaanvraag reeds gemotiveerd afgewezen en het beroep daartegen is door de rechtbank op 9 september 2026 ongegrond verklaard. Verweerder heeft dit ook betrokken in de maatregel. Eiser heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd om hier thans anders over te oordelen. Gelet op het voorgaande, en na ambtshalve toetsing, is de rechtbank van oordeel dat er bij uitzetting geen sprake is van een risico op schending van het non-refoulementbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Zanden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.