ECLI:NL:RBDHA:2026:30919

ECLI:NL:RBDHA:2026:30919

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-10-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer C/09/709275 / KG ZA 26-810
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Kort geding. De vorderingen van de Zorgaanbieders worden gedeeltelijk toegewezen. De Zorgkantoren moeten (samengevat) de lopende Wlz-overeenkomsten met de Zorgaanbieders verlengen met ten minste één jaar, dus in ieder geval voor 2027. Verder moeten de Zorgkantoren een zorginkoopbeleid bekend maken met nieuwe vertrektariefpercentages, waarbij de financieringsbaten- en lasten zijn meegenomen in het resultaat dat bij de herberekening van het vertrektariefpercentage wordt gehanteerd en waarbij zij een nadere verduidelijking moeten geven van de reikwijdte en de werking van de rendementsafslagsystematiek.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/709275 / KG ZA 26-810

Vonnis in kort geding van 21 oktober 2026

in de zaak van

1. PROTESTANTS CHRISTELIJKE STICHTING VOOR ZORGVERLENING ‘HET BAKEN’te Elburg,

2. PROTESTANTS CHRISTELIJKE STICHTING (WOON- EN ZORGCENTRUM) DE VRIEZENHOF te Vriezenveen,

3. ST. ELISABETH ROOSENDAAL te Roosendaal,

4. STICHTING AAFJE THUISZORG HUIZEN ZORGHOTELS te Rotterdam,

5. STICHTING AMALIAZORG te Oirschot,

6. STICHTING AMARIJN te Middelburg,

7. STICHTING AMSTELRING GROEP te Amsterdam,

8. STICHTING AVOORD te Etten-Leur,

9. STICHTING AZORA te Oude IJsselstreek,

10. STICHTING BETHANIË te Ede,

11. STICHTING CALIDUS te Wognum,

12. STICHTING CAREYN te Delft,

13. STICHTING CARINOVA ZORG te Deventer,

14. STICHTING CARINT-REGGELAND GROEP te Hengelo,

15. STICHTING COLORIET te Lelystad,

16. STICHTING DE POSTEN te Enschede,

17. STICHTING DE WARME HUIZEN te Goor,

18. STICHTING DE WEVER te Tilburg,

19. STICHTING DE ZORGCIRKEL te Purmerend,

20. STICHTING DRIEGASTHUIZENGROEP te Arnhem,

21. STICHTING EGALA ZORG te Breda,

22. STICHTING EVEAN ZORG te Purmerend,

23. STICHTING HUMANITAS te Rotterdam,

24. STICHTING ICARE te Meppel,

25. STICHTING IJSSELHEEM te Kampen,

26. STICHTING INNOFORTE te Velp,

27. STICHTING INTERZORG NOORD-NEDERLAND te Assen,

28. STICHTING KENNEMERHART te Haarlem,

29. STICHTING KWADRANT te Drachten,

30. STICHTING LAURENS te Rotterdam,

31. STICHTING LIBEREIN te Enschede,

32. STICHTING LIEMERIJE te Zevenaar,

33. STICHTING MARKENHEEM te Doetinchem,

34. STICHTING MIJZO te Waalwijk,

35. STICHTING NOORDERZORG te het Hogeland,

36. STICHTING QUARIJN te Wijk bij Duurstede,

37. STICHTING RIVAS ZORGGROEP te Gorinchem,

38. STICHTING SAFFIER-DE RESIDENTIE GROEP te Den Haag,

39. STICHTING SAMEN ZORGEN te Heteren,

40. STICHTING SENSIRE te Varsseveld,

41. STICHTING SILVEREIN te Utrecht,

42. STICHTING SINT JACOB te Haarlem,

43. STICHTING SURPLUS ZORG te Breda,

44. STICHTING THEBE WONEN EN ZORG te Breda,

45. STICHTING THEBE ZORG THUIS te Tilburg,

46. STICHTING TRIVIUMMEULENBELTZORG te Borne,

47. STICHTING VEREEN te Zwolle,

48. STICHTING VIATTENCE te Epe,

49. STICHTING WAARDEBURGH te Sliedrecht,

50. STICHTING WESTERHOLM/RIKKERS-LUBBERS te Haren Gn,

51. STICHTING WOON- EN ZORGCENTRUM DE WESTERKIM te Hoogeveen,

52. STICHTING WOONZORGCENTRA HAAGLANDEN te Den Haag,

53. STICHTING WOONZORG FLEVOLAND te Lelystad,

54. STICHTING WOONZORGGROEP SAMEN te Schagen,

55. STICHTING ZINN (ZORGORGANISATIE IN NOORD NEDERLAND) te Haren Gn,

56. STICHTING ZINZIA ZORGGROEP te Wageningen,

57. STICHTING ZORGACCENT te Almelo,

58. STCIHTING ZORGBALANS te Haarlem,

59. STICHTING ZORGBEHEER DE ZELLINGEN te Capelle aan den IJssel,

60. STICHTING ZORGCOMBINATIE MARGA KLOMPÉ te Groenlo,

61. STICHTING ZORGFEDERATIE OLDENZAAL te Oldenzaal,

62. STICHTING ZORGGROEP DE BETUWE te Maurik,

63. STICHTING ZORGGROEP GRONINGEN te Groningen,

64. STICHTING ZORGGROEP NOORDWEST-VELUWE HOLDING te Harderwijk,

65. STICHTING ZORGGROEP SINT MAARTEN te Denekamp,

66. STICHTING ZORGPARTNERS MIDDEN-HOLLAND te Gouda,

67. STICHTING ZORGSPECTRUM te Nieuwegein,

68. STICHTING ZORGSPECTRUM HET ZAND te Zwolle,

69. THUISZORG EN ZORGCENTRA PANTEIN B.V. te Beugen,

70. WELTHUIS B.V. te Gouda,

hierna gezamenlijk te noemen ‘de Zorgaanbieders’,

advocaten: mr. D.W.L.A. Schrijvershof en mr. L.B.M. Al Siameri,

tegen:

1. CZ ZORGKANTOOR B.V.te Tilburg,

2. SALLAND ZORGKANTOOR B.V. te Deventer,

3. STICHTING WLZ-UITVOERDER ZORG EN ZEKERHEID te Leiden,

4. STICHTING ZORGKANTOOR MENZIS te Wageningen,

5. VGZ ZORGKANTOOR B.V. te Arnhem,

6. ZILVEREN KRUIS ZORGKANTOOR N.V. te Leiden,

hierna respectievelijk te noemen ‘CZ’, ‘Salland’, ‘Zorg en Zekerheid’, ‘Menzis’, ‘VGZ’ en ‘Zilveren Kruis’ en gezamenlijk te noemen ‘de Zorgkantoren’,

advocaten: mr. T.R.M. van Helmond, mr. S.C. Bezemer en mr. S.V.C. de Kroon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 juli 2026, met producties 1 tot en met 24;

- de akte houdende nadere onderbouwing vorderingen, tevens houdende akte indiening

nadere producties 25 tot en met 44 van de zijde van de Zorgaanbieders;

- de door de Zorgkantoren overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en

met 14;

- de door de Zorgaanbieders overgelegde productie 45;

- de tijdens de mondelinge behandeling van 30 september 2026 namens de

Zorgaanbieders en de Zorgkantoren overgelegde pleitnotities.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

De Zorgaanbieders verlenen (onder meer) ouderenzorg. Een deel van die zorg wordt verleend in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz). Onder de Wlz vallen verschillende soorten zorg, zoals verpleging en verzorging (V&V), gehandicaptenzorg en geestelijke gezondheidszorg. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) neemt besluiten over wie aanspraak kan maken op welke zorg en verstrekt daarvoor indicaties. Alleen op grond van een Indicatiebesluit van het CIZ kunnen mensen Wlz-zorg ontvangen. De Wlz-zorg wordt voor een groot deel gefinancierd door de inning van een inkomensafhankelijke premie Wlz.

Nederland is voor de uitvoering van de Wlz opgedeeld in regio’s en per regio is één zorgkantoor aangewezen, dat voor de betreffende regio ervoor verantwoordelijk is dat cliënten in die regio de langdurige zorg krijgen die zij nodig hebben en waar zij op grond van de Wlz recht op hebben. De zorgkantoren kopen zorg in bij zorgaanbieders, die de Wlz-ouderenzorg (met uitzondering van zorg op basis van een persoonsgebonden budget) niet mogen leveren zonder een overeenkomst met het zorgkantoor in hun regio. Alle zorgkantoren zijn georganiseerd in Zorgverzekeraars Nederland (ZN).

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) stelt maximumtarieven vast voor de vergoeding van de Wlz-zorg. Die maximumtarieven bestaan naast een zorgcomponent uit onder meer de normatieve huisvestingscomponent (NHC) en de normatieve inventariscomponent (NIC), die betrekking hebben op investeringen die samenhangen met respectievelijk huisvesting en inventaris.

Het huidige meerjarige Zorginkoopbeleid geldt voor de jaren 2024 tot en met 2026 en loopt in beginsel op 31 december 2026 af. Op basis van dat beleid zijn er tussen de Zorgaanbieders en de Zorgkantoren diverse overeenkomsten tot stand gekomen, die geldig zijn tot 31 december 2026, met de optie om deze twee maal voor een periode van een jaar te verlengen.

De Zorgkantoren hebben als lid van ZN collectief een landelijk beleidskader Wlz 2027 vastgesteld, hierna ‘het Zorginkoopbeleid’. Dit landelijke beleid is verwerkt in en maakt daarmee onderdeel uit van het regionale zorginkoopbeleid van ieder van de Zorgkantoren, dat op 1 juni 2026 door de Zorgkantoren is gepubliceerd, voorzien van een aantal bijlagen, waaronder Bijlage 7 ‘Onderbouwing vertrektarieven Wlz 2027’ (hierna ‘Bijlage 7’). Om ook in 2027 zorg te kunnen verlenen is het voor de Zorgaanbieders noodzakelijk dat zij met het zorgkantoor in hun verzorgingsgebied een Wlz-overeenkomst 2027-2029 sluiten.

In hun regionale Zorginkoopbeleid hebben de Zorgkantoren (samengevat) onder meer opgenomen dat van de deelnemers aan de inkoopprocedure een proactieve houding wordt verwacht, in die zin dat zij tijdig een beroep moeten doen op onvolkomenheden, onduidelijkheden, vermeende onrechtmatigheden, tegenstrijdigheden of bezwaren, en dat de deelnemers door hun deelname akkoord gaan met de voorwaarden in het regionale Zorginkoopbeleid.

Vanaf 2024 berekenen de Zorgkantoren door middel van het landelijke tariefmodel per zorgsector een richttariefpercentage. Dit percentage, dat met ingang van 2027 ‘vertrektariefpercentage’ wordt genoemd, is het uitgangspunt voor de betaling van zorg die zorgaanbieders op basis van declaraties leveren. In het regionale Zorginkoopbeleid hebben de Zorgkantoren een beschrijving gegeven van de gehanteerde tariefsystematiek, die zij in Bijlage 7 nader hebben toegelicht.

Op 13 februari 2024 heeft het Gerechtshof Den Haag (hierna ‘het Hof’) een arrest gewezen (hierna ‘het arrest van het Hof’) in een procedure tussen 54 zorgaanbieders en de Zorgkantoren. In het arrest heeft het Hof onder meer overwogen dat de omstandigheid dat een belangrijk deel van de financieringslasten van zorgkantoren al wordt vergoed via de NHC niet rechtvaardigt dat de overige financieringslasten bij de vaststelling van een richttariefpercentage zonder deugdelijke motivering buiten beschouwing worden gelaten. Verder heeft het Hof overwogen dat het in beginsel gerechtvaardigd is dat de Zorgkantoren in hun streven naar doelmatigheid een korting op de maximumtarieven toepassen op basis van het richttariefpercentage, maar dat zij de administratieve belasting van een door henzelf gekozen tariefsystematiek niet aan zorgaanbieders kunnen tegenwerpen om bepaalde kosten van redelijke zorg buiten beschouwing te laten. In het arrest van het Hof is voor zover hier van belang aan ieder van de Zorgkantoren jegens de zorgaanbieders die een vordering tegen hen hebben ingesteld een gebod opgelegd om “als de zorgkantoren in 2024 conform het landelijke tariefmodel beschreven in Bijlage 7 bij de inkoopdocumenten van Zorgverzekeraars Nederland een korting toepassen op de maximum tarieven voor Wlz-zorg vastgesteld door de NZa, het richttariefpercentage opnieuw te berekenen en op basis van het opnieuw berekende richttariefpercentage tarieven vast te stellen en deze opnieuw vastgestelde tarieven te vergoeden voor de met ingang van 1 januari 2024 verleende Wlz-zorg, op zodanige wijze dat: (i) na herberekening van het richttariefpercentage de groep zorgaanbieders met een neutraal of positief resultaat een marktaandeel op basis van Wlz-ZiN omzet van ten minste 75% heeft, en (ii) in het resultaat dat bij de herberekening van het richttariefpercentage wordt gehanteerd financieringsbaten en -lasten zijn meegenomen”.

Naar aanleiding van het arrest van het Hof hebben de Zorgkantoren het saldo van de financiële baten en lasten toegevoegd aan hun rekenmodel. In het regionale Zorginkoopbeleid voor 2027-2029 hebben de Zorgkantoren vermeld dat door die toevoeging een overlap is ontstaan omdat de Zorgkantoren 100% van het tarief voor de NHC/NIC-componenten vergoeden. De Zorgkantoren hebben daarbij toegelicht dat zij er voor hebben gekozen om die overlap met ingang van het nieuwe beleid vanaf 2027 uit het rekenmodel te halen door een correctie toe te passen voor de NHC/NIC-component, om daarmee ook recht te doen aan de doelmatigheidsopdracht die zorgkantoren hebben.

De Zorgaanbieders hebben tijdig bij het zorgkantoor in hun regio een inschrijving gedaan om in aanmerking te komen voor een Wlz-overeenkomst 2027-2029. Sommige zorgaanbieders hebben bij hun inschrijving een protestbrief aan het zorgkantoor gevoegd, waarin zij procedurele en inhoudelijke bezwaren naar voren hebben gebracht en waarin zij het zorgkantoor hebben gevraagd om het (regionale) Zorginkoopbeleid te herzien.

Op 4 september 2026 hebben de Zorgkantoren een ‘Nota van Wijziging vertrektariefpercentages Wlz 2027’ (hierna ‘Nota van Wijziging’) gepubliceerd, waarin onder meer is vermeld dat de vertrektariefpercentages worden vastgesteld op basis van de meest recent gepubliceerde jaarrekeningen (jaar t-2). Verder is daarin voor zover hier van belang opgenomen:

Daarnaast hebben de Zorgkantoren op 4 september 2026 een nieuwe Bijlage 7 gepubliceerd, waarin zij de nieuwe vertrektariefpercentages 2027 hebben vastgesteld, uitgaande van de situatie waarin het tariefmodel niet wordt geschoond voor de NHC/NIC-component. Daarbij is onder meer vermeld:

Met betrekking tot stap 1 (bepaling 75e percentiel aantallen) is verder vermeld dat het percentage wordt vastgesteld op het niveau waarbij het tarief voor 75% van de zorgaanbieders uit het cluster, exclusief outliers, kostendekkend voor de Wlz is, waarbij de zorgkantoren in lijn met eerdere jaren vasthouden aan het 75e percentiel omdat dat in rechtspraak rechtmatig is bevonden en voor het merendeel van de zorgaanbieders voldoende moet zijn om goede zorg te kunnen verlenen en om doelmatigheid te stimuleren. Met betrekking tot stap 2 (bepaling 75% marktaandeel) is toegelicht dat het vertrektariefpercentage wordt vastgesteld op het niveau waarbij het tarief voor minimaal 75% van de zorgaanbieders in een cluster naar marktaandeel kostendekkend voor de Wlz is, waarbij met marktaandeel wordt bedoeld “de Wlz ZiN omzet van alle zorgaanbieders die meegenomen zijn in het betreffende cluster, exclusief outliers”.

De advocaten van de Zorgkantoren hebben de advocaten van de Zorgaanbieders in een brief van 4 september 2024 gewezen op de (inhoud van de) Nota van Wijziging. In die brief is naar aanleiding van de bezwaren van de Zorgaanbieders tegen het door de Zorgkantoren gehanteerde ‘trechtermodel’ het volgende opgenomen:

De Zorgkantoren hebben in hun regionale Zorginkoopbeleid bepalingen opgenomen over een mogelijke tariefverlaging als gevolg van het behalen van een bepaald rendement door de Zorgaanbieders. Op grond van die bepalingen kunnen de Zorgkantoren met zorgaanbieders die een hoog rendement hebben gerealiseerd een gesprek aangaan over de vraag of een lager tariefpercentage moet worden toegepast. In een brief van 9 september 2026 zijn de advocaten van de Zorgkantoren ingegaan op de wijze waarop de Zorgkantoren uitvoering geven aan die bepalingen. Daarbij is vermeld dat die bepalingen voor het jaar 2027 “niet zullen leiden tot een eenzijdig opgelegd lager tariefpercentage dan het vertrektariefpercentage zonder wederzijdse instemming van zowel het betreffende zorgkantoor als de betreffende zorgaanbieder”. In aanvulling op deze brief hebben de advocaten van de Zorgkantoren in een brief van 11 september 2026 onder meer uiteengezet dat Salland, Menzis, VGZ en Zilveren Kruis hun beleid op dit punt voorafgaand aan de zorginkoop voor 2028 nader zullen verduidelijken, dat het beleid van CZ al is vastgelegd in een Nota van Inlichtingen en daarmee deel uitmaakt van het beleid voor de inkoopjaren 2027-2029 en dat Zorg en Zekerheid op dit punt geen beleid heeft.

Namens de Zorgkantoren is in een e-mailbericht van 14 september 2026 nog het volgende aan (de advocaten van) de Zorgaanbieders meegedeeld:

Op 10 september 2026 heeft Finance Ideas (hierna ‘FI’) op verzoek van de Zorgaanbieders twee rapportages opgesteld. In de eerste rapportage heeft FI toegelicht waarom de door de Zorgkantoren gekozen methodiek om het vertrektarief te bepalen onjuist is. FI komt daarbij tot de volgende conclusie:

In de tweede rapportage heeft FI de impact van een volgens FI methodisch juiste opschoning op het vertrektarief weergegeven. De conclusie van deze rapportage luidt als volgt:

3. Het geschil

De Zorgaanbieders vorderen:

primair

I. ieder van de Zorgkantoren te verbieden op basis van de huidige tariefsystematiek, waaronder NHC/NIC-correctie en waar van toepassing rendementsafslag als vermeld in het Zorginkoopbeleid, overeenkomsten te sluiten voor de onderhavige inkoopprocedure 2027-2029;

II. ieder van de Zorgkantoren te gebieden om de huidige NHC/NIC-correctie als vermeld in het Zorginkoopbeleid aan te passen naar een NHC/NIC-correctie die alleen opschoont met daadwerkelijke kapitaallasten van iedere Zorgaanbieder, althans de huidige NHC/NIC-correctie aan te passen naar een NHC/NIC-correctie die alleen opschoont met een zo nauwkeurig mogelijke benadering van de daadwerkelijke kapitaallasten van de Zorgaanbieders;

III. ieder van de Zorgkantoren, met uitzondering van Zorg en Zekerheid, te verbieden om de rendementsafslag als vermeld in het Zorginkoopbeleid te hanteren voor de onderhavige inkoopprocedure 2027-2029;

IV. de Zorgkantoren te verbieden het overeengekomen vertrektariefpercentage met terugwerkende kracht te verlagen wegens, onder andere, een overschrijding van de landelijke contracteerruimte;

subsidiair

V. ieder van de Zorgkantoren te verbieden op basis van de huidige tariefsystematiek, waaronder NHC/NIC-correctie en waar van toepassing rendementsafslag als vermeld in het Zorginkoopbeleid, overeenkomsten te sluiten voor de onderhavige inkoopprocedure 2027-2029;

VI. ieder van de Zorgkantoren, met uitzondering van Zorg en Zekerheid, te verbieden om de rendementsafslag als vermeld in het Zorginkoopbeleid te hanteren voor de onderhavige inkoopprocedure 2027-2029;

VII. de Zorgkantoren te verbieden het overeengekomen vertrektariefpercentage met terugwerkende kracht te verlagen wegens, onder andere, een overschrijding van de landelijke contracteerruimte;

VIII. ieder van de Zorgkantoren te gebieden om alle lopende Wlz-overeenkomsten inclusief waar van toepassing addenda en bijbehorend regionaal zorginkoopbeleid met de betrokken Zorgaanbieders te verlengen tot ten minste één jaar (2027) en deze verlenging, conform de contractuele verplichting van Zorgkantoren, uiterlijk op 30 september 2026 aan zorgaanbieders kenbaar te maken;

IX. ieder van de Zorgkantoren te gebieden om, binnen een jaar na heden, een zorginkoopbeleid op te stellen met de juiste NHC/NIC-opschoningssystematiek, waarbij met de daadwerkelijke kapitaallasten wordt geschoond, geen rendementsafslag wordt gehanteerd en het zorginkoopbeleid verenigbaar is met de aanbestedingsrechtelijke beginselen, de zorgplicht van Zorgkantoren en hetgeen in het AZWA is afgesproken over de reductie van administratieve lasten van zorgaanbieders;

meer subsidiair

X. ieder van de Zorgkantoren te gebieden om de thans in het Zorginkoopbeleid opgenomen NHC/NIC-correctie buiten toepassing te laten, althans niet toe te passen, zolang niet is voorzien in een deugdelijk onderbouwde, transparante, objectieve en controleerbare opschoningssystematiek, waarbij aan de kostenkant wordt gecorrigeerd op basis van de daadwerkelijke kapitaallasten, althans op basis van een verifieerbare vaststelling van het daadwerkelijk overlappende deel tussen de NHC/NIC-opbrengsten en de relevante feitelijke kapitaallasten;

XI. ieder van de Zorgkantoren te gebieden om, binnen veertien kalenderdagen na dit vonnis, het Zorginkoopbeleid inclusief bijlagen en de daarop gebaseerde tariefsystematiek zodanig aan te passen dat deze in overeenstemming zijn met de fundamentele aanbestedingsrechtelijke beginselen, waaronder het transparantiebeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel, alsmede met de precontractuele redelijkheid en billijkheid en hetgeen in het AZWA is afgesproken over de reductie van administratieve lasten van zorgaanbieders;

XII. ieder van de Zorgkantoren, met uitzondering van Zorg en Zekerheid, te verbieden om een (jaarlijkse) tariefafslag toe te passen als vermeld in het Zorginkoopbeleid wegens een bepaald positief resultaat, rendement, financiële positie of vergelijkbare rendementsgrond, zolang niet vooraf is voorzien in een transparante, objectieve, toetsbare en controleerbare systematiek, waarin ten minste is vastgelegd i) welke financiële maatstaf wordt gehanteerd, ii) welke referentieperiode geldt, iii) welke drempelwaarde of bandbreedte geldt, iv) hoe wordt omgegaan met incidentele baten en lasten, v) hoe onderscheid wordt gemaakt tussen resultaat uit Wlz-zorg en resultaat uit vastgoed, financiering, andere zorgdomeinen of nevenactiviteiten, vi) hoe noodzakelijke reserves, toekomstige investeringen en continuïteit van zorg worden meegewogen, vii) op welke wijze het tariefgevolg wordt berekend en viii) indachtig het AZWA, met zo min mogelijk administratieve lasten voor de Zorgaanbieders;

XIII. ieder van de Zorgkantoren, met uitzondering van Zorg en Zekerheid, te gebieden om de respectievelijke paragrafen uit het Zorginkoopbeleid van de Zorgkantoren op grond waarvan een lager tariefpercentage wordt toegepast, wegens onder meer een hoog positief resultaat, lagere zorgzwaartemix, onvoldoende regionale bijdrage of beperkte prestatiebreedte, buiten toepassing te laten zolang deze bepalingen niet zijn voorzien van vooraf kenbare, objectieve, controleerbare criteria en tijdige bezwaarmogelijkheid bieden;

XIV. ieder van de Zorgkantoren te gebieden om de lopende zorginkoopprocedure, voor zover deze ziet op de bestreden tariefsystematiek, de toepassing van de NHC/NIC-correctie, de vaststelling van de vertrektariefpercentages en/of waar relevant de toepassing van tariefafslagen, op te schorten totdat aan het in I. tot en met XIII. gevorderde is voldaan;

XV. ieder van de Zorgkantoren te gebieden om, nadat zij aan het in I. tot en met XIII. gevorderde hebben voldaan, aan zorgaanbieders een redelijke aanvullende termijn te gunnen om hun inschrijving te beoordelen, aan te passen, te handhaven dan wel in te trekken, een en ander met inachtneming van dit vonnis;

XVI. ieder van de Zorgkantoren te verbieden om overeenkomsten te sluiten, definitieve tariefpercentages vast te stellen of anderszins uitvoering te geven aan de bestreden tariefsystematiek, zolang zij niet aan het in I. tot en met XIII. gevorderde hebben voldaan;

XVII. een in goede justitie te bepalen andere voorziening te treffen,

het in I. tot en met XIII. gevorderde op straffe van een dwangsom, een en ander met hoofdelijke veroordeling van de Zorgkantoren in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Daartoe stellen de Zorgaanbieders – samengevat – het volgende. In de Nota van Wijzigingen hebben de Zorgkantoren erkend dat de voorgestelde NHC/NIC-correctie ondeugdelijk is. Zij hebben er vervolgens voor gekozen om voor 2027 terug te vallen op de tariefsystematiek van 2024-2026, maar binnen die tariefsystematiek wordt niet opgeschoond voor de NCH/NIC-component, terwijl dat een noodzakelijke voorwaarde is om tot reële vertrektariefpercentages te komen. Het niet opschonen voor NHC/NIC leidt namelijk ertoe dat het vastgoeddeel niet wordt gescheiden van de zorgkosten door een positief rendement op vastgoed lager lijken dan werkelijk het geval is. Hierdoor lijkt de zorgaanbieder winstgevender met als gevolg een lager vertrektarief. Dit klemt te meer nu de Zorgaanbieders nu en de komende jaren, mede getuige het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg, fors moeten investeren in de zorgverlening en bijbehorende infrastructuur en personeel. Het had op de weg van de Zorgkantoren gelegen om tijdig een deugdelijke, zorgvuldige en rechtmatige opschoningssystematiek te realiseren, maar zij hebben dit nagelaten en dat is onrechtmatig.

Daarnaast blijft een onrechtmatige rendementsafslagsystematiek in stand die tot grote financiële onzekerheid en financiële schade voor de Zorgaanbieders leidt en die is gebaseerd op criteria die niet vooraf kenbaar, niet objectief en niet toetsbaar zijn. De Zorgkantoren hebben immers het voornemen om pas in 2028 duidelijkheid te verschaffen over de gehanteerde rendementsafslagsystematiek.

Door het ontbreken van een opschoning voor de NHC/NIC-component en het hanteren van een onduidelijke rendementsafslag ontvangen de Zorgaanbieders enerzijds niet de financiële middelen waar zij recht op hebben, terwijl zij anderzijds gedwongen zijn om noodzakelijke investeringen te doen op het gebied van onder meer de verduurzaming van hun zorgaanbod en het zorgvastgoed. Dit klemt te meer omdat de Zorgkantoren in strijd met het transparantiebeginsel met terugwerkende kracht een tariefverlaging kunnen toepassen, bijvoorbeeld als sprake is van onvoldoende contracteerruimte.

Daar komt nog bij dat de Zorgaanbieders voor 2027-2029 een Wlz-overeenkomst moeten sluiten, zonder dat de definitieve vertrektariefpercentages en rendementsafslagen bekend zijn. De Zorgkantoren hanteren daarbij een onrechtmatige trechterbenadering. De Zorgkantoren verstrekken de relevantie informatie immers pas na de inschrijfdatum aan de Zorgaanbieders, maar zij verlangen tegelijkertijd van de Zorgaanbieders dat zij daar tijdig in rechte tegen opkomen, op straffe van rechtsverwerking.

Het Zorginkoopbeleid 2027-2029 kan om al deze redenen volgens de Zorgaanbieders niet (ongewijzigd) in stand blijven.

De conclusie van de Zorgkantoren strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de Zorgaanbieders in hun vorderingen, althans tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van de Zorgaanbieders in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van de Zorgkantoren zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

In dit kort geding is in geschil of de Zorgkantoren met het voorgenomen Zorginkoopbeleid 2027-2029 onrechtmatig ten opzichte van de Zorgaanbieders handelen. De Zorgaanbieders hebben diverse procedurele en inhoudelijke bezwaren tegen het beleid van de Zorgkantoren naar voren gebracht, die hierna zullen worden besproken en beoordeeld.

De voorzieningenrechter neemt bij de beoordeling van de bezwaren van de Zorgaanbieders tot uitgangspunt dat de aanbestedingsrechtelijke beginselen van toepassing zijn op de zorginkoopprocedure, in het bijzonder de beginselen van gelijkheid, transparantie en proportionaliteit. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Op grond van het transparantiebeginsel zijn de Zorgkantoren verplicht een tariefsysteem te hanteren dat vooraf bekend, inzichtelijk en controleerbaar is. Verder brengt dit beginsel mee dat de Zorgkantoren moeten motiveren dat hun tarieven voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Uit het proportionaliteitsbeginsel vloeit voort dat de Zorgkantoren een reële vergoeding moeten betalen voor de zorg die zij inkopen, die redelijk efficiënt functionerende zorgaanbieders in staat stelt hun kosten te dekken. De tarieven hoeven niet voor elke zorgaanbieder kostendekkend te zijn, omdat de duurste zorgaanbieder dan de maatstaf zou worden en een belangrijke prikkel om efficiënt te werken zou verdwijnen. Anderzijds mogen de tarieven niet zodanig laag zijn dat zij ten koste gaan van de tijdige beschikbaarheid van voldoende, juiste en kwalitatief toereikende zorg.

Het ontbreken van een NHC/NIC-correctie

De Zorgaanbieders hebben, onder verwijzing naar onder meer de eerste rapportage van FI, gesteld dat de oude tariefsystematiek waarop de Zorgkantoren voor 2027 en mogelijk de daarop volgende jaren terugvallen, gebrekkig is. Ter onderbouwing van hun stelling hebben de Zorgaanbieders onder meer erop gewezen dat de door de Zorgkantoren gehanteerde tariefsystematiek eraan voorbij gaat dat de NZa een vermogenskostenvoet van 4,03% hanteert voor zowel de NHC als de NIC, dat die vermogenskostenvoet het gewogen gemiddelde is van de financieringskosten van vreemd en eigen vermogen en dat de NZa daarbij uitgaat van 70% vreemd vermogen en 30% eigen vermogen, waarbij voor wat betreft het eigen vermogen wordt uitgegaan van een vereist rendement op eigen vermogen (een rendementscomponent van 5,72% op vastgoed en investeringen). Dit betekent volgens de Zorgaanbieders dat, nu de Zorgkantoren in het Zorginkoopbeleid geen rekening houden met het in de NHC/NIC-component verdisconteerde rendement op eigen vermogen, maar in plaats daarvan een nulresultaat op dit rendement hanteren, de NHC/NIC-vergoeding als kostenverlagende factor doorwerkt in het vertrektariefpercentage, zodat er een vertekend beeld ontstaat met betrekking tot de financiële positie van de Zorgaanbieders. Niet opschonen leidt er immers toe dat de NHC/NIC-component (het vastgoeddeel) niet wordt gescheiden van de zorgkosten (het zorgdeel), zodat de zorgkosten van een zorgaanbieder door het positieve rendement op vastgoed lager lijken dan deze daadwerkelijk zijn en een zorgaanbieder op papier winstgevender is, aldus de Zorgaanbieders. De Zorgaanbieders hebben daarbij toegelicht dat het niet opschonen lagere en daarmee niet reële vertrektarieven tot gevolg heeft, omdat het zorgtarief daardoor mede wordt beïnvloed door vastgoed- en financieringsresultaten in plaats van uitsluitend door de kosten van zorgverlening. Ten slotte hebben de Zorgaanbieders uiteengezet dat de door de Zorgkantoren gehanteerde tariefsystematiek voorbij gaat aan de verschillen in kapitaallasten tussen zorgaanbieders (met betrekking tot het soort zorgvastgoed, de lasten en de veroudering van het vastgoed, investeringsverplichtingen en de investeringsfase), zodat de tariefsystematiek een willekeurig effect heeft op de Zorgaanbieders.

In het arrest van het Hof is geoordeeld dat de Zorgkantoren nieuwe richttariefpercentages moeten vaststellen, op zodanige wijze dat financieringsbaten- en lasten zijn meegenomen in het resultaat dat bij de herberekening van het richttariefpercentage wordt gehanteerd. Dit oordeel neemt de voorzieningenrechter tot uitgangspunt in dit kort geding, ondanks dat in de zaak waarover het Hof oordeelde andere zorgaanbieders als eisers optraden. Het Hof heeft daarbij overwogen dat de financieringsbaten en – lasten onderdeel uitmaken van de redelijke kosten van zorg en dat deze niet zonder deugdelijke motivering buiten beschouwing mogen worden gelaten. De Zorgkantoren hebben om uitvoering te geven aan dit gebod het saldo van de financiële baten en lasten toegevoegd aan hun rekenmodel voor het Zorginkoopbeleid 2027-2029, waarbij zij in het regionale Zorginkoopbeleid vanaf 2027 een correctie hebben opgenomen voor de NHC/NIC-component om overlap in de vergoeding van financiële baten en lasten te voorkomen. Naar aanleiding van bezwaren van een aantal zorgaanbieders hebben de Zorgkantoren vervolgens besloten om de schoning van de NHC/NIC-component niet te handhaven, maar terug te vallen op de tariefsystematiek van de beleidsperiode 2024-2026, waarbij de Zorgkantoren de NHC/NIC-component voor 100% van het door de NZa vastgestelde maximum blijven vergoeden. Volgens de Zorgkantoren is op dit moment op basis van de beschikbare objectieve en verifieerbare data niet vast te stellen hoe een eventuele alternatieve wijze van schoning voor de NHC/NIC-component kan aansluiten bij de uitgangspunten van het tariefmodel.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Zorgkantoren door het terugtrekken van de aanvankelijk door hen voorgestane, ondeugdelijke NHC/NIC-correctie, zonder daar op dit moment een deugdelijk alternatief tegenover te stellen en zonder zelfs de contouren van een opschoningsmethodiek in het vooruitzicht te stellen, in strijd met het arrest van het Hof en daarmee onrechtmatig ten opzichte de Zorgaanbieders handelen. De Zorgkantoren hebben onder meer aangevoerd dat een NHC/NIC-correctie niet nodig is om tot reële tarieven te komen en dat in de rechtspraak met betrekking tot de tariefsystematiek waarop zij terugvallen bij herhaling is geoordeeld dat deze tot reële tarieven leidt. De jurisprudentie waarnaar de Zorgkantoren verwijzen dateert echter van voor het arrest van het Hof, waarin juist is geoordeeld dat financieringsbaten- en lasten moeten worden meegenomen bij de vaststelling van reële richttariefpercentages. De verwijzing door de Zorgkantoren naar de financiële gezondheid van de zorgsector als geheel en meer in het bijzonder van de intramurale zorgaanbieders, nog daargelaten in hoeverre deze juist is, doet aan die verplichting niet af. De Zorgkantoren hebben tegenover de argumenten van de Zorgaanbieders, zoals die zijn weergegeven in rechtsoverweging 4.3., en het arrest van het Hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een NHC/NIC-correctie niet nodig is. Voor de goede orde tekent de voorzieningenrechter hierbij aan, dat dit laatste geen omkering van de bewijslast ten nadele van de Zorgkantoren impliceert, omdat de onrechtmatigheid reeds als uitgangspunt gegeven is in het door de voorzieningenrechter tot uitgangspunt genomen oordeel van het Hof.

De voorzieningenrechter weegt verder mee dat de Zorgaanbieders voldoende hebben toegelicht dat er een alternatief voorhanden is voor de door de Zorgkantoren gekozen voortzetting van de huidige tariefsystematiek. De Zorgaanbieders hebben daarbij gewezen op de tweede rapportage van FI. FI heeft in die rapportage toegelicht dat het meenemen van huisvesting en inventaris bij de bepaling van het vertrektarief voor het zorgdeel methodisch onjuist is. FI heeft in dit verband uiteengezet dat de hoogte van de NHC-vergoeding van invloed is op het vertrektarief voor het zorgdeel en dat de NHC-verhoging binnen de methodiek uit het actuele Inkoopkader Wlz 2027-2029 vanaf 2028, bij gelijkblijvende overige omstandigheden, leidt tot een vertrektarief dat ongeveer 1,2 procentpunt lager ligt dan zonder de NHC-verhoging. FI heeft vervolgens in de tweede rapportage een methode beschreven, waarbij de NHC/NIC-opbrengsten aan de opbrengstenkant buiten beschouwing worden gelaten en waarbij aan de kostenkant uitsluitend de daadwerkelijk aan de Wlz toe te rekenen huisvestings- en inventariskosten worden verwijderd. Die methodiek zou volgens FI leiden tot een vertrektarief dat hoger ligt dan bij de methodiek die de Zorgkantoren hanteren. Daarbij heeft FI toegelicht op welke wijze die methodiek door de Zorgkantoren kan worden toegepast op basis van de gegevens waarover de Zorgkantoren al beschikken, waaronder jaarrekeninggegevens, declaratiegegevens en de NZa-tarieven.

Hoewel de Zorgkantoren diverse bezwaren tegen de door FI voorgestelde opschoningsmethodiek hebben geuit, maakt de tweede rapportage van FI voldoende inzichtelijk dat het, anders dan de Zorgkantoren hebben betoogd, niet zonder meer onmogelijk is om, in lijn met het oordeel van het Hof, een alternatieve opschoningsmethodiek te ontwikkelen en door te voeren. Dat de door FI voorgestelde methodiek daarbij niet integraal kan worden gevolgd, omdat deze volgens de Zorgkantoren op onderdelen onjuist is, doet daar onvoldoende aan af. De door FI voorgestelde methodiek illustreert genoegzaam dat een alternatieve opschoningsmethode voor de NHC/NIC-component niet onmogelijk is. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat van de Zorgkantoren, die er al sinds het arrest van het Hof (uit 2024) mee bekend zijn dat het vertrektariefpercentage zodanig moet worden herberekend dat daar financieringsbaten en -lasten in worden meegenomen, gevergd kan worden dat zij die opschoningssystematiek werkelijk ontwikkelen en implementeren. Een enkele poging daartoe, zoals de Zorgkantoren aanvankelijk in het Zorginkoopbeleid 2027-2029 hebben gedaan, is daarvoor niet genoeg. Dit betekent dat de Zorgkantoren een Zorginkoopbeleid zullen moeten opstellen met een redelijke NHC/NIC-correctie. Dit geldt te meer omdat de Zorgaanbieders, onder verwijzing naar de tweede rapportage van FI, voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de voorgenomen aanpak van de Zorgkantoren in de beleidsperiode 2027-2029 een aanzienlijke negatieve impact heeft op de financiële situatie van de gemiddelde Wlz-zorgaanbieder en een negatieve weerslag zal hebben op de toekomstige intramurale zorg.

Aan de primaire vorderingen I. en II. hebben de Zorgaanbieders ten grondslag gelegd dat de in eerste instantie door de Zorgkantoren doorgevoerde NHC/NIC-correctie onrechtmatig is. Nu die correctie inmiddels als gevolg van de Nota van Wijziging is komen te vervallen, hebben de Zorgaanbieders in zoverre geen belang meer bij toewijzing van die vorderingen. De subsidiaire vordering IX. strekt tot een gebod om een zorginkoopbeleid op te stellen met de juiste NHC/NIC-opschoningsystematiek, waarbij met de daadwerkelijke kapitaallasten wordt geschoond. Die vordering is gelet op het voorgaande wel toewijsbaar, zij het op de in de beslissing vermelde wijze, waarbij de voorzieningenrechter zoveel mogelijk aansluiting heeft gezocht bij de veroordeling die in het arrest van het Hof al tegen de Zorgkantoren is uitgesproken. De Zorgkantoren zullen het zorginkoopbeleid binnen een jaar na de datum van dit vonnis moeten aanpassen, in die zin dat zij daarin nieuwe vertrektariefpercentages moeten vaststellen, waarbij rekening wordt gehouden met financieringsbaten en -lasten. Gedurende dat jaar acht de voorzieningenrechter het aangewezen dat er met de Zorgaanbieders geen Wlz-overeenkomsten 2027-2029 worden gesloten, maar dat de lopende Wlz-overeenkomsten worden verlengd. Dit betekent dat ook de subsidiaire vordering VIII. wordt toegewezen. Daarbij zal worden bepaald dat de Zorgkantoren de verlenging uiterlijk op 15 november 2026 kenbaar maken aan ieder van de Zorgaanbieders waarmee zij een Wlz-overeenkomst 2024-2026 hebben gesloten.

De voorzieningenrechter zal verder bepalen dat de Zorgkantoren de nieuwe vertrektarieven duidelijk en voorzien van een toelichting aan de Zorgaanbieders bekend moeten maken, zodat de Zorgaanbieders de berekening die tot de nieuwe tarieven heeft geleid kunnen controleren. Daarom kan in het midden blijven of, zoals de Zorgaanbieders hebben gesuggereerd, de Zorgkantoren bij de bekendmaking van de vertrektarieven een lijst moeten opnemen van de (registratienummers bij de Kamer van Koophandel van de) zorgaanbieders die voor de berekening van die tarieven zijn gebruikt.

Nu de huidige Wlz-overeenkomsten tussen de Zorgaanbieders en de Zorgkantoren gelet op de hiervoor vermelde beslissing in ieder geval in het jaar 2027 nog van kracht zijn, hebben de Zorgaanbieders geen belang meer bij toewijzing van het subsidiair in V. gevorderde verbod op het sluiten van een overeenkomst voor de periode 2027-2029, voor zover dit betrekking heeft op de Zorgaanbieders zelf. Ten aanzien van eventuele andere zorgaanbieders, die niet in deze procedure betrokken zijn, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende mogelijkheid en aanleiding om een dergelijke veroordeling uit te spreken. Het hanteren van verschillende uitgangspunten ten aanzien van enerzijds de zorgaanbieders die wel en anderzijds de zorgaanbieders die niet eisende partij zijn in dit kort geding, lijkt echter op gespannen voet te staan met het gelijkheidsbeginsel. De subsidiaire vordering V. wordt daarom afgewezen.

het hanteren van peiljaar t-2 en het 75e percentiel

De Zorgaanbieders hebben verder bezwaren naar voren gebracht tegen de tariefsystematiek van de Zorgkantoren als zodanig, meer in het bijzonder tegen het hanteren van t-2 als peiljaar (in 2027) en tegen het 75e percentiel. De voorzieningenrechter ziet echter geen aanleiding om de Zorgkantoren op te dragen om bij de vaststelling van de nieuwe vertrektariefpercentages van deze uitgangspunten af te zien. Daarvoor is het volgende redengevend.

Volgens de Zorgaanbieders lopen de tarieven in negatieve zin achter bij de ontwikkeling van de werkelijke kosten door het hanteren van peiljaar t-2. De Zorgaanbieders hebben gesteld dat de Zorgkantoren alleen de beschikbare jaarverslagen gebruiken, terwijl verdedigbaar is dat de zorgaanbieders die nog geen jaarverslag beschikbaar hebben waarschijnlijk meer financiële problemen en een negatiever resultaat hebben, waardoor de sector als geheel te positief wordt voorgesteld. Hiertegenover hebben de Zorgkantoren voldoende onderbouwd dat zij in eerdere inkoopprocedures gebruik hebben gemaakt van het peiljaar t-3 en dat juist is besloten om peiljaar t-2 te hanteren vanwege het bezwaar van de zorgsector dat de gegevens uit peiljaar t-3 niet actueel en representatief zouden zijn. Daarbij hebben de Zorgkantoren toegelicht dat de gegevens uit het peiljaar t-2 voor de zorgsector als geheel het meest recent en daarmee het meest representatief zijn en verder dat de vertrektarieven niet alleen zijn gebaseerd op de gegevens uit peiljaar t-2. De Zorgkantoren hebben in dat verband naar voren gebracht dat de vastgestelde vertrektariefpercentages worden toegepast op het door de NZa vastgestelde maximumtarief, zodat de door de NZa verwerkte kostenontwikkelingen in het uiteindelijke tarief doorwerken. Hiertegenover hebben de Zorgaanbieders naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat het hanteren van peiljaar t-2 tot onjuiste, laat staan onrechtmatige resultaten leidt.

Met betrekking tot het 75e percentiel hebben de Zorgaanbieders gesteld dat de legitimiteit van het 75e percentiel opnieuw moet worden beoordeeld, omdat het vanwege de door de Zorgkantoren voorgenomen correcties en tariefafslagen niet meer actueel is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben de Zorgkantoren hiertegenover terecht naar voren gebracht dat in de rechtspraak bij herhaling (bijvoorbeeld in het arrest van het Hof) is geoordeeld dat een inkoopsystematiek waarbij de groep van 75% van de zorgaanbieders met een neutraal of positief resultaat ook een marktaandeel van ten minste 75% van de omzet Wlz-ZiN (zorg in natura) vertegenwoordigt tot reële tarieven leidt. Daarmee is de 75%-norm aanvaard als maatstaf voor de beoordeling van de uitkomst van de tariefsystematiek. De Zorgaanbieders hebben hiertegenover niet aannemelijk gemaakt dat wijzigingen in de tariefsystematiek er zonder meer toe leiden dat de 75%-norm tot een onjuiste uitkomst leidt en als maatstaf niet meer bruikbaar is.

De rendementsafslag

De Zorgaanbieders hebben gesteld dat de systematiek in het Zorginkoopbeleid er toe leidt dat de Zorgkantoren eenzijdig een rendementsafslag kunnen toepassen op het moment dat een zorgaanbieder een ‘hoog positief resultaat’ heeft behaald, waardoor zorgaanbieders worden gestraft voor het behalen van rendement. Volgens de Zorgaanbieders lopen zij door die rendementsafslag financiële middelen mis, terwijl tegelijkertijd op grond van het overeengekomen Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg van hen wordt verwacht dat zij investeren in onder meer vastgoed en verduurzaming, waarvoor de Zorgaanbieders het behaalde rendement juist nodig hebben. Daarbij hebben de Zorgaanbieders toegelicht dat het om meerjarige investeringsplannen te kunnen uitvoeren noodzakelijk is dat zij daarvoor eerst gedurende een aantal jaren voldoende financiële ruimte opbouwen. De Zorgaanbieders hebben daarom betoogd dat de door de Zorgkantoren voorgenomen rendementsafslag onrechtmatig is. Bovendien is onduidelijk welke voorwaarden de Zorgkantoren, met uitzondering van Zorg en Zekerheid, verbinden aan eenzijdige tariefverlagingen en wat de reikwijdte en de impact van die tariefverlagingen zijn, aldus de Zorgaanbieders. De Zorgaanbieders hebben er onder meer op gewezen dat alleen VGZ het percentage positief resultaat (5%) bekend heeft gemaakt, dat alleen Zilveren Kruis het percentage tariefafslag (-2%) bekend heeft gemaakt en dat de exacte voorwaarden waaronder de rendementsafslag wordt toegepast door geen van de Zorgkantoren (met uitzondering van Zorg en Zekerheid) zijn meegedeeld. Volgens de Zorgaanbieders handelen de Zorgkantoren (met uitzondering van Zorg en Zekerheid) daarom in strijd met het transparantiebeginsel.

Hoewel de Zorgaanbieders voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de rendementsafslagsystematiek kan leiden tot een verlaging van de tarieven, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Zorgaanbieders onvoldoende hebben gesteld ter rechtvaardiging van de conclusie dat de rendementsafslag op zichzelf onrechtmatig is. De Zorgkantoren hebben in dit verband immers voldoende toegelicht dat een rendementsafslag noodzakelijk kan zijn om de Wlz-zorg betaalbaar te houden en om zorggelden doelmatig te besteden. Daarbij hebben de Zorgkantoren uiteengezet dat de toepassing van de rendementsafslag betekent dat met de betreffende zorgaanbieder weliswaar een lager tarief wordt afgesproken, maar dat dit tarief voor die zorgaanbieder nog altijd toereikend is om kwalitatief goede Wlz-zorg te leveren. Uit de brief van 9 september 2026 van de Zorgkantoren blijkt, anders dan de Zorgaanbieders hebben gesteld, dat de Zorgkantoren in ieder geval in 2027 niet eenzijdig tot een tariefverlaging als gevolg van een hoog positief resultaat van de Zorgaanbieders zullen overgaan, maar dat een verlaging alleen kan plaatsvinden na een gesprek tussen zorgaanbieder en zorgkantoor en met wederzijdse instemming. Het opleggen van een verbod om in het Zorginkoopbeleid een rendementsafslag te hanteren is tegen die achtergrond te verstrekkend en de daarop betrekking hebbende vorderingen zullen worden afgewezen.

De Zorgaanbieders hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, als gevolg van de onduidelijkheden die de Zorgkantoren (met uitzondering van Zorg en Zekerheid) in het regionale Zorginkoopbeleid hebben laten bestaan met betrekking tot de financiële gevolgen van de gehanteerde rendementsafslag, belemmerd worden in het maken van de voor hun bedrijfsvoering noodzakelijke langetermijnplannen, waaronder investeringsbeslissingen en investeringen in vastgoed, personeel en kwaliteit van zorg. De onzekerheid over de rendementsafslag maakt het voor de Zorgaanbieders lastiger externe financiering aan te trekken. Zij hebben die gevolgen geïllustreerd aan de hand van de verklaringen van een aantal zorgaanbieders, die als productie 37 bij de dagvaarding zijn overgelegd. De voorzieningenrechter acht het daarom aangewezen dat de Zorgkantoren (met uitzondering van Zorg en Zekerheid) meer duidelijkheid geven met betrekking tot de toepassing van de rendementsafslag, in die zin dat zij zoveel mogelijk inzicht geven in de reikwijdte en de werking van de rendementsafslagsystematiek. De Zorgkantoren hebben in hun brief van 9 september 2026 feitelijk slechts verwezen naar de bepalingen in het regionale Zorginkoopbeleid. Uit de brief van de Zorgkantoren van 11 september 2026 volgt verder dat Zilveren Kruis, Salland, VGZ en Menzis het voornemen hebben om de rendementsafslagsystematiek pas in 2028 nader te verduidelijken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Zorgkantoren in het regionale Zorginkoopbeleid en in de hiervoor bedoelde brieven onvoldoende duidelijkheid aan de Zorgaanbieders hebben gegeven met betrekking tot de toepassing en de gevolgen van de voorgenomen rendementsafslag. De Zorgaanbieders hebben in dit verband terecht gesteld dat de voorwaarden voor toepassing van de rendementsafslag pas achteraf, nadat de Wlz-overeenkomsten voor 2027-2029 zijn gesloten, door de Zorgkantoren (met uitzondering van Zorg en Zekerheid) worden ingevuld en in de resterende contractperiode (in 2028 en 2029) worden toegepast. De rendementsafslagsystematiek is dan ook niet op voorhand voldoende inzichtelijk en controleerbaar en is daarmee in strijd met het transparantiebeginsel.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het handhaven van de rendementsafslagsystematiek, zonder dat een nadere verduidelijking wordt gegeven, onrechtmatig is ten opzichte van de Zorgaanbieders. De door de Zorgkantoren (met uitzondering van Zorg en Zekerheid) voorgenomen rendementsafslag kan in zoverre niet ongewijzigd in stand blijven. Dit betekent dat het primair in III. gevorderde verbod wordt toegewezen, zij het op de in de beslissing vermelde wijze. Daarbij zullen de Zorgkantoren (met uitzondering van Zorg en Zekerheid) in 2027, uiterlijk een maand voor het einde van de verlengde Wlz-overeenkomsten met de Zorgaanbieders, in ieder geval een redelijk omlijnd kader voor de rendementsafslagsystematiek moeten vaststellen en aan de Zorgaanbieders bekendmaken, waarin zij een verduidelijking geven met betrekking tot de reikwijdte en de werking van de rendementsafslagsystematiek.

Lagere tarieven

Volgens de Zorgaanbieders hebben de Zorgkantoren in het regionale Zorginkoopbeleid diverse voorbehouden gemaakt, als gevolg waarvan de Zorgkantoren de overeengekomen tarieven eenzijdig kunnen wijzigen als de beschikbare contracteerruimte ontoereikend is. De Zorgaanbieders hebben gesteld dat deze bepalingen in strijd zijn met het transparantiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel en dat de Zorgkantoren met deze bepalingen misbruik maken van hun machtspositie. Daarom vorderen de Zorgaanbieders om de Zorgkantoren te verbieden om het overeengekomen vertrektariefpercentage met terugwerkende kracht te verlagen wegens, onder andere, een overschrijding van de landelijke contracteerruimte. De hierop betrekking hebbende vorderingen worden afgewezen. Die beslissing wordt als volgt gemotiveerd.

De Zorgkantoren hebben voldoende onderbouwd dat de in het regionale Zorginkoopbeleid opgenomen voorbehouden hen geenszins een algemene, onbeperkte of ongeclausuleerde bevoegdheid geven om de overeengekomen tarieven naar eigen inzicht te wijzigen. Daarbij hebben de Zorgkantoren toegelicht dat die bepalingen zijn ingegeven door de omstandigheid dat de landelijk beschikbare contracteerruimte, de ontwikkeling van de zorgvraag, de wijziging in budgettaire kaders en besluiten van de overheid nog niet definitief zijn op het moment dat de documentatie met betrekking tot de inkoopprocedure wordt gepubliceerd. Verder hebben de Zorgkantoren er op gewezen dat zij mede afhankelijk zijn van besluiten van de NZa en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van de rijksbegroting.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Zorgkantoren voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de opgenomen voorbehouden voor de Zorgkantoren noodzakelijk zijn om zo nodig te kunnen reageren op omstandigheden die buiten hun invloedsfeer liggen, zoals nieuwe regelgeving, besluiten van bevoegde autoriteiten of gewijzigde financiële kaders. Daarbij hebben de Zorgkantoren in hun zorginkoopbeleid voldoende uiteengezet dat er eventueel aanpassingen mogelijk zijn en op welke grondslag dat kan gebeuren. Van de Zorgkantoren kan niet worden verlangd dat zij de gevolgen van toekomstige en nog onzekere ontwikkelingen vooraf al volledig uitgewerkt vastleggen in hun regionale Zorginkoopbeleid. De mogelijkheid om naar aanleiding van die ontwikkelingen aanpassingen te doen in het beleid kan dan ook in redelijkheid niet op voorhand worden uitgesloten, zodat een daartoe strekkend verbod moet worden afgewezen. Van strijdigheid met het transparantiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel of van misbruik van macht is, anders dan de Zorgaanbieders hebben betoogd, geen sprake. Voor zover de Zorgaanbieders door een eventuele tariefwijziging (onevenredig) worden benadeeld staat het hen bovendien vrij om een beroep te doen op de in het Zorginkoopbeleid opgenomen hardheidsclausule, dan wel in rechte tegen die tariefwijziging op te komen.

Trechterbenadering

De Zorgaanbieders hebben gesteld dat de Zorgkantoren een onrechtmatige ‘trechterbenadering’ hanteren, door de informatievoorsprong die zij hebben strategisch en gefaseerd in te zetten, waardoor de Zorgaanbieders op straffe van rechtsverwerking nog voordat alle informatie beschikbaar is één of zelfs meerdere kortgedingprocedures aanhangig moeten maken als zij bezwaren hebben tegen (wijzigingen in het) zorginkoopbeleid.

De Zorgkantoren hebben aangevoerd dat de Zorgaanbieders tot en met 15 juni 2026 vragen konden stellen met betrekking tot het op 1 juni 2026 gepubliceerde regionale Zorginkoopbeleid en dat zij de gelegenheid hebben gekregen om uiterlijk op 21 juli 2026 door middel van een kortgedingprocedure op te komen tegen de door de Zorgkantoren in de Nota van Inlichtingen gegeven antwoorden. Verder hebben de Zorgkantoren toegelicht dat de Zorgaanbieders tegen de voorlopige terugkoppeling op hun inschrijving en tegen de op 4 september 2026 bekend gemaakt vertrektarieven uiterlijk op 24 september 2026 een kort geding aanhangig konden maken en dat de Zorgaanbieders tegen de definitieve terugkoppeling op hun inschrijving, die zij op 23 oktober 2026 zullen ontvangen, uiterlijk op 6 november 2026 een kort geding aanhangig kunnen maken. Daarbij hebben de Zorgkantoren erop gewezen dat de Zorgaanbieders deze vervaltermijnen door hun inschrijving hebben aanvaard, dat de vervaltermijnen telkens pas gaan lopen wanneer de voor het betreffende onderdeel van de inkoopprocedure relevante informatie beschikbaar is en dat zij voor deze benadering hebben gekozen om de bezwaren van zorgaanbieders tijdig in beeld te krijgen, zodat daarmee zo nodig nog rekening kan worden gehouden in het verdere verloop van de inkoopprocedure, al dan niet door middel van een aanpassing van de tariefsystematiek.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben de Zorgkantoren met het voorgaande voldoende onderbouwd dat zij een efficiënt en adequaat systeem van rechtsbescherming in het regionale Zorginkoopbeleid hebben opgenomen. Hiertegenover hebben de Zorgaanbieders niet aannemelijk gemaakt dat de door de Zorgkantoren gekozen benadering onrechtmatig is. De Zorgaanbieders hebben in ieder geval niet concreet gemaakt dat zij verplicht zijn om in rechte op te komen tegen onderdelen van het Zorginkoopbeleid waarover op dat moment nog niet alle informatie beschikbaar is en evenmin dat zij voor ieder bezwaar dat zij tegen het inkoopbeleid hebben een afzonderlijk kort geding aanhangig moeten maken.

Slotsom en proceskosten

Het voorgaande betekent (samengevat) dat de Zorgkantoren de lopende Wlz-overeenkomsten met de Zorgaanbieders moeten verlengen met ten minste één jaar, dus in ieder geval voor 2027, dat zij een zorginkoopbeleid bekend moeten maken met nieuwe vertrektariefpercentages, waarbij de financieringsbaten- en lasten zijn meegenomen in het resultaat dat bij de herberekening van het vertrektariefpercentage wordt gehanteerd en dat zij een nadere verduidelijking moeten geven van de reikwijdte en de werking van de rendementsafslagsystematiek, een en ander zoals hierna in de beslissing is vermeld.

De voorzieningenrechter gaat er van uit dat de Zorgkantoren zullen voldoen aan de in de beslissing vermelde geboden en ziet, anders dan de Zorgaanbieders hebben gevorderd, geen aanleiding om die geboden te versterken met een dwangsom. De daartoe strekkende vordering wordt afgewezen.

Ook de overige (primaire, subsidiaire en meer subsidiaire) vorderingen worden als te ver strekkend of bij gebrek aan voldoende belang afgewezen.

De Zorgkantoren zijn in overwegende mate in het ongelijk gesteld en zij moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Zorgaanbieders worden begroot op:

- dagvaarding

€

151,94

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€ 189,00

(plus de in de beslissing vermelde verhoging)

Totaal

€

2.252,94

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

gebiedt ieder van de Zorgkantoren om alle lopende Wlz-overeenkomsten, inclusief waar van toepassing addenda en bijbehorend regionaal zorginkoopbeleid, met ieder van de Zorgaanbieders met wie zij een Wlz-overeenkomst 2024-2026 hebben gesloten, te verlengen met ten minste één jaar, dus in ieder geval voor het jaar 2027, en deze verlenging uiterlijk op 15 november 2026 aan de betreffende zorgaanbieders kenbaar te maken;

gebiedt ieder van de Zorgkantoren om, binnen een jaar na de datum van dit vonnis, een zorginkoopbeleid bekend te maken, waarbij nieuwe vertrektariefpercentages worden vastgesteld, op zodanige wijze dat financieringsbaten- en lasten zijn meegenomen in het resultaat dat bij de herberekening van het vertrektariefpercentage wordt gehanteerd en bepaalt dat de Zorgkantoren de nieuwe vertrektariefpercentages moeten voorzien van een duidelijke toelichting op de totstandkoming ervan;

gebiedt CZ, Salland, Menzis, VGZ en Zilveren Kruis om uiterlijk een maand voordat de verlengde Wlz-overeenkomsten met de Zorgaanbieders (zoals hiervoor in 5.1. is bedoeld) eindigen, een kader voor de in het zorginkoopbeleid gehanteerde rendementsafslag-systematiek vast te stellen waarin zij een nadere verduidelijking geven met betrekking tot de reikwijdte en de werking van die rendementsafslagsystematiek en bepaalt dat deze zorgkantoren dit kader eveneens uiterlijk een maand voordat de verlengde Wlz-overeenkomsten eindigen schriftelijk aan de Zorgaanbieders bekend moeten maken;

veroordeelt de Zorgkantoren in de proceskosten, die aan de zijde van de Zorgaanbieders zijn begroot op € 2.252,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Zorgkantoren niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten de Zorgkantoren € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;

veroordeelt de Zorgkantoren in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.

mvt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand