RECHTBANK Den Haag
Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/712860 / KG ZA 26-1007
Vonnis in kort geding van 21 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats 1] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.J. Neto,
tegen
MR. [gedaagde], handelende onder de naam [handelsnaam], te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: de notaris,
advocaat: mr. J.P.W. van Bohemen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 oktober 2026, met producties;
- de producties van de notaris.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2026. De advocaat van de notaris heeft ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
[eiser] is (tezamen met zijn echtgenote) eigenaar van de woning aan [adres] (hierna: de woning). Op de woning rust een recht van (eerste) hypotheek ten behoeve van een hypotheekbank.
In het kadaster staat ingeschreven dat de woning is belast met een (tweede) recht van hypotheek ten behoeve van [vennootschap 1] B.V. (hierna: [vennootschap 1] ). In de hypotheekakte van 11 juli 2008 staat dat de hypotheek strekt tot zekerheid van terugbetaling van een geldlening tot een hoofdsom van € 24.416,98 en (maximaal) € 9.766,79 aan rente.
[vennootschap 1] is op 31 juli 2015 ontbonden. In het handelsregister staat geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn. De heer [bestuurder] , die, via [vennootschap 2] B.V. (hierna: [vennootschap 2] ), ook indirect bestuurder van [vennootschap 1] was, is bewaarder van de boeken en bescheiden.
Op 1 april 2026 heeft [eiser] met betrekking tot de woning een koopovereenkomst gesloten met mevrouw [de koper] (hierna: de koper). Partijen zijn overeengekomen dat de levering zou plaatsvinden op 3 juni 2026 ten overstaan van de notaris. De koopovereenkomst bevat de gebruikelijke boetebedingen.
Op 3 juni 2026 heeft de levering aan de koper niet plaatsgevonden in verband met de hypothecaire inschrijving voor de schuld aan [vennootschap 1] .
Bij e-mail van 10 juni 2026 heeft [bestuurder] aan de notaris meegedeeld dat de restschuld van [eiser] (en zijn echtgenote) per 11 juni 2026 € 69.759,20 bedraagt, waarvan € 24.416,98 aan hoofdsom en € 45.342,22 aan rente, en dat deze vordering kan worden voldaan aan [vennootschap 2] .
Bij e-mail van 19 juni 2026 heeft de koper [eiser] gesommeerd tot nakoming van de koopovereenkomst en met ingang van die datum de contractuele boete van 3‰ met een maximum van 10% van de koopsom aangezegd.
Bij e-mail van 22 juni 2026 heeft de advocaat van [eiser] de notaris verzocht om de levering van de woning aan koper te laten plaatsvinden en om daarbij een bedrag van circa € 70.000 in depot te houden totdat de kwestie met betrekking tot de schuld aan [vennootschap 1] is afgewikkeld.
Bij e-mail van 21 juli 2026 heeft de advocaat van [eiser] aan de notaris meegedeeld dat [bestuurder] namens [vennootschap 2] bereid is om een royementsvolmacht te ondertekenen. In deze e-mail heeft de advocaat van [eiser] zich op het standpunt gesteld dat [vennootschap 2] de rechthebbende op de vordering is. In de e-mail heeft de advocaat van [eiser] de notaris verzocht om te laten weten welke vereisten moeten worden vervuld – anders dan het doen herleven van [vennootschap 1] – om tot royement over te gaan.
Bij e-mail van 23 juli 2026 heeft (het kantoor van) de notaris aan de advocaat van [eiser] meegedeeld dat de notaris bij zijn standpunt blijft dat [vennootschap 1] moet herleven alvorens de volmacht tot doorhaling kan worden getekend.
Bij brief van 23 juli 2026 heeft de advocaat van de koper [eiser] opnieuw gesommeerd tot nakoming van de koopovereenkomst. In deze brief staat verder dat de koper aanspraak maakt op de volledige boete en dat zij zich het recht voorbehoudt om eventuele aanvullende schade op [eiser] te verhalen.
Bij e-mail van 5 oktober 2026 heeft de advocaat van [eiser] de notaris opnieuw verzocht om zonder het stellen van nadere voorwaarden over te gaan tot levering van de woning. In deze e-mail heeft de advocaat [eiser] zich onder meer op het standpunt gesteld dat [bestuurder] volledig bereid is om mee te werken aan het royement, dat de vordering niet meer bestaat, omdat [vennootschap 1] is opgeheven omdat het geen baten meer had, dat zich ook geen derde heeft gemeld die aanspraak maakt op de betreffende vordering en dat [eiser] desondanks bereid is om het gepretendeerde openstaande bedrag in depot te doen stellen totdat de kwestie is afgewikkeld.
3. Het geschil
[eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. de notaris te veroordelen om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het passeren van de transportakte en de levering van de woning aan de koper, alsmede aan alle handelingen die noodzakelijk zijn om het royement en de doorhaling van de hypothecaire inschrijving te bewerkstelligen, zonder daarbij als voorwaarde te stellen dat [vennootschap 1] B.V. voorafgaand aan de levering wordt herleefd;
II. indien en voor zover de voorzieningenrechter de notaris niet rechtstreeks veroordeelt tot het verlenen van de voor de levering van de woning vereiste medewerking, te bepalen dat het te wijzen vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de voor de levering vereiste wilsverklaring, medewerking en/of toestemming van de notaris;
met veroordeling van de notaris in de proceskosten.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
De notaris weigert ten onrechte de woning te leveren aan de koper. Er is onvoldoende tijd om het door de notaris voorgestelde administratieve en juridische traject te doorlopen. Dat traject is tijdrovend en duur en op voorhand onzeker. Er bestaat geen reële noodzaak om [vennootschap 1] te laten herleven, omdat [bestuurder] zich bereid heeft verklaard medewerking te verlenen aan de doorhaling van de hypothecaire inschrijving en er € 70.000 in depot wordt gestort. [eiser] heeft bij zijn vordering een spoedeisend belang, omdat de koper de contractuele boete heeft aangezegd en de hypotheekbank dreigt met executoriale verkoop indien de woning niet uiterlijk 30 oktober 2026 aan de koper wordt geleverd.
De notaris voert verweer. De notaris concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] er groot belang bij heeft om de woning op zo’n kort mogelijke termijn (onbezwaard) te leveren aan de koper. Deze levering kan niet plaatsvinden zolang de hypotheek ten behoeve van de ontbonden vennootschap [vennootschap 1] is ingeschreven. Tussen partijen is in geschil of de notaris verplicht is om op de door [eiser] voorgestelde wijze – op basis van een royementsvolmacht van [bestuurder] namens [vennootschap 2] – tot royement van de hypotheek van [vennootschap 1] over te gaan.
[eiser] kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de notaris genoegen moet nemen met de door hem voorgestelde constructie. Aangezien niet aannemelijk is dat een ander dan [vennootschap 1] rechthebbende is op de hypotheekvordering, moet de royementsvolmacht worden afgegeven door een bevoegde vertegenwoordiger van [vennootschap 1] . Aangezien [vennootschap 1] is ontbonden, is er op dit moment niemand die haar kan vertegenwoordigen, dus ook niet [bestuurder] als voormalig indirect bestuurder en gevolmachtigde. Nog afgezien van de door de notaris gesignaleerde onduidelijkheden over het bestaan van de hypotheekvordering, kan de notaris niet worden verplicht de royementsvolmacht van een onbevoegde vertegenwoordiger te accepteren. Dat [eiser] ontegenzeggelijk veel spoed heeft bij de levering, maakt dat niet anders. De primaire vordering is alleen al daarom niet toewijsbaar.
De subsidiair gevorderde vervangende toestemming is ook niet toewijsbaar. Die machtiging zou alleen toewijsbaar zijn, indien de notaris ook zelf tot die medewerking gehouden was, maar – zoals hiervoor is overwogen – is hij dat niet. De notaris treft daarvan geen verwijt. Wat [eiser] in wezen beoogt, is vervangende toestemming van de medewerking van [vennootschap 1] aan het royement van de hypotheek, maar [vennootschap 1] is in dit kort geding geen partij.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
[vennootschap 1] is in 2015 ontbonden, omdat er geen bekende baten meer waren. Nu er kennelijk geen vereffening heeft plaatsgevonden, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat [vennootschap 1] is opgeheven door middel van turboliquidatie. Uit de verklaring van [bestuurder] over de hypotheekschuld van [eiser] (aangegaan in 2008), volgt dat [vennootschap 1] ten tijde van de turboliquidatie (mogelijk) nog over een bate beschikte. Dit betekent dat [vennootschap 1] op grond van artikel 2:19 lid 5 BW is blijven voortbestaan. De inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel kan hieraan worden aangepast. De notaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderneming door middel van indiening van formulier 18 van de Kamer van Koophandel kan herleven, dat meteen daarna ondertekening van de royementsvolmacht kan plaatsvinden, waarna de hypotheekinschrijving kan worden geroyeerd. Anders dan [eiser] heeft gesteld, hoeft dat geen tijdrovend, ingewikkeld en duur traject te zijn. Niet valt in te zien waarom [bestuurder] – mede met het oog op de door hem gepretendeerde vordering en zijn bereidheid om een royementsvolmacht te ondertekenen – hiertoe niet bereid zou zijn, dan wel hiertoe niet (alsnog) bewogen kan worden.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de notaris worden begroot op:
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.707,00
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen van [eiser] af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.
WJ