Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/045641-26 en 09/098449-26 (ttz.gev) en 22/000613-22 (tul)
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteland] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 15 juli 2026 (pro forma) en 7 oktober 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.R. Hoebeke en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. B.G.M.C. Peters naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
onder parketnummer 09/045641-26 (hierna: dagvaarding I)
hij op of omstreeks 12 februari 2026 te Rijswijk, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] eenmaal tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan;
onder parketnummer 09/098449-26 (hierna: dagvaarding II)
1.
hij op of omstreeks 27 maart 2026 te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (een) stekende beweging(en) in de richting van de keel/nek en/of het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gemaakt en/of daarbij in het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 maart 2026 te Alphen aan den Rijn althans in Nederland aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (een) stekende beweging(en) in de richting van de keel/nek en/of het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] te maken en/of daarbij in het hoofd van die [slachtoffer 2] te steken/snijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 maart 2026 te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (een) stekende beweging(en) in de richting van de keel/nek en/of het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gemaakt en/of daarbij in het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 27 maart 2026 te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] in de borststreek te bijten en/of die [slachtoffer 2] te slaan op/tegen het lichaam;
3.
hij op of omstreeks 27 maart 2026 te Alphen aan den Rijn [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "I kill you", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I tenlastegelegde en van het bij dagvaarding II onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit en de bij dagvaarding II onder 1 primair en 3 ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit. Met betrekking tot het bij dagvaarding II tenlastegelegde onder feit 1 subsidiair en meer subsidiair en feit 2 heeft de raadsvrouw ontslag van alle rechtsvervolging verzocht wegens een beroep op noodweer. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van dagvaarding I
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
De verdediging heeft aangevoerd dat de aangever een onjuiste verklaring heeft afgelegd en dat de verdachte de aangever niet in het gezicht heeft geslagen, maar slechts heeft geduwd, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van mishandeling.
De rechtbank volgt dit verweer niet. Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte, nadat de aangever tegen zijn auto was aangereden, achter de aangever is aangereden tot aan diens woning. Vervolgens is de verdachte uitgestapt en naar de aangever toegelopen om hem te confronteren. De verdachte heeft de aangever toen en daar in het gezicht geslagen. Niet alleen blijkt dit uit de aangifte, maar ook uit de eigen verklaringen van de verdachte die dat vrijwel direct tegen de politie heeft verklaard en later in zijn politieverhoor opnieuw heeft verklaard. Verder staat vast dat de aangever door de verbalisanten ter plaatse is aangetroffen met een snee en een bult langs zijn linker wenkbrauw, wat past bij die verklaringen. Anders dan ook zijdens de verdediging is aangevoerd, wordt het voorgaande niet worden uitgesloten aan de hand van de videobeelden.
De rechtbank acht de tenlastegelegde mishandeling derhalve wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van dagvaarding II
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van feit 2. Feiten 1 primair en 3 worden bewezenverklaard. De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring van feiten 1 en 3 redengevende feiten en omstandigheden. Hierna zal de rechtbank eerst de voor alle drie de beschuldigingen relevante feiten en omstandigheden vaststellen. Daarna volgen conclusies ten aanzien van het bewijs en de gevoerde verweren.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen zodanig van elkaar afwijken dat deze door hun onbetrouwbaarheid niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Naar het oordeel van de rechtbank vertonen de verklaringen evenwel op essentiële punten voldoende onderlinge overeenstemming en zijn deze bovendien consistent. Het slachtoffer en de getuigen hebben immers zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris een gelijkluidende verklaring afgelegd. Dat zij op ondergeschikte punten van elkaar verschillen, draagt juist bij aan de geloofwaardigheid ervan, nu dit erop wijst dat de verklaringen niet zijn afgestemd. De rechtbank zal derhalve de verklaringen van de getuigen en het slachtoffer gebruiken voor het bewijs.
Feitelijke gang van zaken
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feitelijke gang van zaken vast. De verdachte en het slachtoffer waren op 27 maart 2026 aan het werk in een woning, waar op enig moment een werkgerelateerde onenigheid is ontstaan die heeft geleid tot een confrontatie en een worsteling tussen beiden.
Op enig moment heeft het slachtoffer de verdachte met zijn armen bij de keel vastgegrepen. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat het om een soort wurggreep ging en dat deze wijze van vasthouden als dodelijk kan worden omschreven. Daarbij heeft deze getuige verklaard dat het slachtoffer aanzienlijk groter en sterker is dan de verdachte. De verdachte heeft het slachtoffer vervolgens meermalen in de borststreek gebeten, waarna het slachtoffer de verdachte heeft losgelaten.
Vervolgens heeft [getuige 1] de werkgever, getuige [getuige 2] , erbij gehaald, die tussen de verdachte en het slachtoffer is gekomen. De verdachte en het slachtoffer zijn daarna korte tijd uit elkaar geweest. Op enig moment heeft de verdachte een mes gepakt, is naar het slachtoffer toe gekomen en heeft hij stekende bewegingen in de richting van het slachtoffer gemaakt terwijl hij daarbij heeft geroepen “I kill you”. Daarbij heeft de verdachte het slachtoffer op het hoofd geraakt, als gevolg waarvan het slachtoffer letsel heeft opgelopen. Uit de verklaringen van de getuigen volgt dat de verdachte met een stanleymes op het slachtoffer heeft ingehakt en daarbij stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van zijn hoofd, nek en keel.
Feit 2: vrijspraak van mishandeling
Deze beschuldiging regardeert het eerste moment van de schermutseling, toen het slachtoffer de verdachte verwurgde en de verdachte het slachtoffer vervolgens beet.
Het door de verdediging gevoerde noodweerverweer slaagt.
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer ten eerste sprake moet zijn van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Daarnaast moet sprake zijn van een geboden en noodzakelijke verdediging.
De rechtbank acht op basis van het voorstaande aannemelijk dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte door het slachtoffer waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Daarbij is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit omdat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich aan die aanranding heeft kunnen en redelijkerwijs heeft moeten onttrekken. Het door de verdachte toegepaste geweld (het bijten in de borst van het slachtoffer) heeft daarnaast in redelijke verhouding gestaan tot de ernst van de aanranding, zodat ook is voldaan aan het vereiste van proportionaliteit. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken de onder 2 ten laste gelegde mishandeling, omdat de wederrechtelijkheid ontbreekt.
Feit 1 en 3: bewezenverklaring poging tot doodslag en bedreiging
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte moet worden aangemerkt als een poging tot doodslag. Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van de aangever. Van ‘vol opzet’ is sprake in het geval van willens en wetens handelen.
Het roepen van de woorden “I kill you” en vervolgens op het slachtoffer afstappen met een mes in handen en het maken van steekbewegingen in de richting van zijn keel en nek waarbij het slachtoffer ook daadwerkelijk in het hoofd is geraakt, maakt dat het handelen van de verdachte, naar de uiterlijke verschijningsvorm, gericht was op de dood van het slachtoffer. Het hoofd, de nek en de keel zijn kwetsbare lichaamsdelen, waarbij een messteek tot levensbedreigend letsel kan leiden. Daarnaast kunnen bij het met een mes insteken op het hoofd vitale organen, zoals de hersenen, worden geraakt. Ook dat brengt het risico mee dat het slachtoffer daardoor dodelijk wordt geraakt.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte vol opzet heeft gehad om het slachtoffer van het leven te beroven. Dit voornemen heeft zich door de gedragingen van de verdachte geopenbaard in een begin van uitvoering. Daarmee is sprake van een strafbare poging tot doodslag. Een bewezenverklaring van feit 1 primair dus. Ook de bedreiging vloeit uit de feitelijke gang van zaken voort en zal bewezen verklaard worden. De rechtbank is van oordeel dat een aanvallende beweging met een mes in de hand en vergezeld van de uitlating “I kill you” bij het slachtoffer tot redelijke vrees kon leiden dat hij het leven zou kunnen verliezen.
Verwerping van de verweren feit 1
Uit het voorgaande volgt dat het verweer dat de verdachte geen opzet heeft gehad om het slachtoffer dodelijk te verwonden wordt verworpen. Hetzelfde lot treft het gevoerde noodweerverweer. Uit de feitelijke gang van zaken volgt immers dat geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Hij was het die na de eerdere schermutseling, toen daar feitelijk geen aanleiding meer voor was, de aanval op het slachtoffer zocht.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
ten aanzien van dagvaarding I
hij op 12 februari 2026 te Rijswijk, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] eenmaal tegen het gezicht te slaan;
ten aanzien van dagvaarding II
1.
hij op 27 maart 2026 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven met een mes stekende bewegingen in de richting van de keel, nek en het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gemaakt en daarbij in het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op 27 maart 2026 te Alphen aan den Rijn [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "I kill you".
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de verdachte
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het gevoerde noodweerverweer ten aanzien van feit 1 primair op dagvaarding II is hierboven al verworpen onder 3.3.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een veroordeling rekening te houden met de kwetsbare positie van de verdachte en het aandeel van het slachtoffer bij het incident met het mes. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde komt, heeft de verdediging primair verzocht een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest tot aan de uitspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de door de officier van justitie geëiste straf te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft geprobeerd om zijn collega, [slachtoffer 2] , om het leven te brengen door hem met een mes in zijn hoofd te steken. Daarnaast heeft hij hem met de dood bedreigd. Het slachtoffer heeft hierdoor verwondingen aan zijn hoofd opgelopen. Dat het steken door de verdachte geen fatale afloop heeft gehad, is een gelukkige omstandigheid die niet is te danken aan het handelen van de verdachte. Het handelen van de verdachte getuigt van een ernstig gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer. Ten tijde van het incident waren tevens twee collega’s aanwezig. Ook bij hen heeft het incident gevoelens van angst en onveiligheid teweeg kunnen brengen. De rechtbank rekent dit alles de verdachte ernstig aan.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 1] door hem tegen zijn gezicht te slaan. Het slachtoffer heeft daar pijn en een lichte verwonding aan overgehouden. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 juni 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport psychologisch onderzoek, d.d. 23 april 2026, opgesteld door dr. M.F. Raven, GZ-psycholoog. De rapporteur heeft zich onthouden van advies nu de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies d.d. 25 september 2026, waaruit volgt dat bij de verdachte sprake is van een zichtbaar patroon van geweldsdelicten. De reclassering signaleert problemen op verschillende leefgebieden, waaronder schuldenproblematiek, agressieproblematiek en beperkt inzicht in de eigen copingvaardigheden. Daarnaast is reeds gedurende langere tijd sprake van complexe problematiek, die zich onder meer uit in (fysieke) conflicten en grensoverschrijdend gedrag.
De reclassering schat het risico op recidive en letsel in als hoog. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden omdat zij geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht de risico’s te beperken.
De op te leggen straf
Uit de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. De rechtbank ziet, gelet op het advies van de reclassering, geen mogelijkheden om een deels voorwaardelijke straf op te leggen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
Ten aanzien van dagvaarding II
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 10.242,10, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag valt uiteen in de volgende posten:
Materiële schade:
Immateriële schade:
- € 6.000, - € 6.000, - smartengeld.
Door de benadeelde partij is de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie gevorderd de benadeelde partij in de vordering voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘overige kosten’ en ‘verlies verdienvermogen’ ten bedrage van € 3.831,88, niet-ontvankelijk te verklaren wegens onvoldoende onderbouwing. Voor het overige heeft de officier van justitie gevorderd de vordering toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij bewezenverklaring de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering wegens onvoldoende onderbouwing. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht om bij de beoordeling van de gevorderde immateriële schade rekening te houden met het eigen aandeel van de benadeelde partij en de vordering op die grond te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘reiskosten’ en ‘medische kosten’, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit, ter grootte van € 410,22.
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering is namens de verdachte betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toegewezen materiële schade toewijzen met ingang van 28 augustus 2026, omdat vast is komen te staan dat de medische kosten (het eigen risico) op die datum werden betaald en de reiskosten voor die datum waren gemaakt.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de onder 1 primair bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 3.000, - . Dit bedrag is vastgesteld op basis van de ernst van het gepleegde feit, de impact die het gepleegde feit heeft gehad op de benadeelde partij, het letsel alsmede het blijvende litteken op het hoofd van de benadeelde partij. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toegewezen immateriële schade toewijzen met ingang van 27 maart 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 primair bewezenverklaarde feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.410,22, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 410,22 vanaf 28 augustus 2026, en
- over een bedrag van € 3.000,-, vanaf 27 maart 2026,
beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] .
8. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder 1 genoemde voorwerpen op de beslaglijst, te weten 3 stanleymessen, zullen worden onttrokken aan het verkeer.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over het beslag.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en deze voorwerpen zijn bestemd tot het begaan van het onder 1 bewezenverklaarde misdrijf.
9. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 10 juni 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 22/000613-22 door het Gerechtshof Den Haag op 14 november 2023 voorwaardelijke opgelegde straf van 12 maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarden. Ter terechtzitting is de vordering aangepast in die zin dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging, nu de vordering tot tenuitvoerlegging reeds is toegewezen en de voorwaardelijke opgelegde straf volledig ten uitvoer is gelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft medegedeeld dat de verdachte reeds de voorwaardelijke straf van twaalf maanden opgelegd onder parketnummer 22/000613-22 heeft uitgezeten. Zij heeft verzocht deze vordering af te wijzen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 22/000613-22 door het Gerechtshof Den Haag op 14 november 2023 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Blijkens de mededeling van de raadsvrouw en de officier van justitie op de terechtzitting is de vordering reeds toegewezen en de voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer gelegd.
10. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
33, 33a, 36f, 45, 57, 285, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II (parketnummer 09-098449-26) onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit en de bij dagvaarding II (parketnummer 09-098449-26) onder 1 primair en onder 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I:
mishandeling;
ten aanzien van dagvaarding II onder 1 primair:
poging tot doodslag;
ten aanzien van dagvaarding II onder 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 3.410, 22 aan [slachtoffer 2] , vermeerderd met de wettelijke rente
- over een bedrag van € 410,22 vanaf 28 augustus 2026 en
- over een bedrag van € 3.000,-, vanaf 27 maart 2026,
beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
wijst het overige deel van de gevorderde immateriële schade af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.410,22, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 410,22 vanaf 28 augustus 2026 en
- over een bedrag van € 3.000,-, vanaf 27 maart 2026,
beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] ;
bepaalt dat, als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van respectievelijk 34 dagen, waarbij de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de inbeslaggenomen goederen
verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerpen, te weten: 3 stanleymessen met voorwerpnummer 3486698;
de vordering tot tenuitvoerlegging
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van het Gerechtshof Den Haag d.d. 14 november 2023, gewezen onder parketnummer 22/000613-22.