RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.60700
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 10 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen [naam tolk].
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen.
De maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. In deze maatregel staat dat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico als gronden zoals bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, inhoudelijk niet heeft betwist. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat hij de grond onder p niet langer handhaaft. De gronden onder b, r en s, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er sprake is van een onderduikrisico.
Lichter middel
3. Eiser stelt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel en dat het niet toepassen van een lichter middel onvoldoende is gemotiveerd. In dit kader heeft eiser naar voren gebracht dat hij beschikt over zilver dat hij van zijn oma heeft gekregen en dat hij zou kunnen omwisselen voor geld. De waarde hiervan bedraagt ongeveer 800 euro. Eiser heeft aangegeven dat hij dit geld kan gebruiken om een treinkaartje te kopen om Nederland zelfstandig te verlaten. Daarnaast heeft eiser naar voren gebracht dat hij de beschikking van 13 juli 2026 niet heeft begrepen. Hij stelt dat er geen vertaling van de beschikking is verstrekt, waardoor de verplichting om Nederland te verlaten voor hem onvoldoende duidelijk was. In dit kader voert eiser verder aan dat niet controleerbaar is door wie en in welke hoedanigheid het uitreikingsblad van de beschikking aan hem is uitgereikt. Volgens eiser maakt dit dat er onvoldoende zorgvuldig is gehandeld. De tolk die bij de uitreiking van de beschikking aanwezig was, heeft alleen uitleg gegeven over het 24-uursverbod, en niet over de beëindiging van het verblijfsrecht van eiser, aldus eiser.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de maatregel van vreemdelingenbewaring doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de maatregel van vreemdelingenbewaring doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat de omstandigheden die eiser aanvoert voor de rechtbank geen aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank acht eisers standpunt dat hij Nederland zelf met de trein zal verlaten onvoldoende concreet. Eiser moet daarvoor nog een treinkaartje kopen en het zilver dat hij wil gebruiken om dit te betalen verzilveren. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat hij niet op de hoogte was van zijn vertrekplicht. De akte van het uitreikingsblad is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om uit af te leiden dat eiser kennis heeft genomen van de strekking van de beschikking. De aangevoerde omstandigheden dat aan eiser geen vertaling van de beschikking is verstrekt, en dat niet controleerbaar is door wie en in welke hoedanigheid het uitreikingsblad is verstrekt ter ondertekening, leiden in dit geval niet tot een ander oordeel. De rechtbank wijst in dit verband op de tolk die tijdens de uitreiking in persoon de strekking van de beschikking in de Tsjechische taal aan eiser heeft meegedeeld, en op de omstandigheid dat eiser de beschikking zelf niet in ontvangst wilde nemen en niet heeft willen tekenen voor ontvangst. Tot slot overweegt de rechtbank dat verweerder het niet toepassen van een lichter middel voldoende heeft gemotiveerd in de maatregel van vreemdelingenbewaring. Dat eiser zelf naar Duitsland had willen reizen met zijn vriendin is, in het licht van het vastgestelde onderduikrisico, geen reden voor toepassing van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Helsen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.