RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[verzoeker 1] , verzoeker 1, V-nummer: [V-nummer 1] , en
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.13844 en NL26.13850
[verzoeker 2] , verzoeker 2, V-nummer: [V-nummer 2]
hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers
(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 2 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoekers tegen de weigering om een EU-verblijfsdocument af te geven ongegrond verklaard.
Verzoekers hebben beroep (NL25.49527 en NL25.49536) ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Verzoekers zijn geboren op respectievelijk [geboortedag 1] 2020 en [geboortedag 2] 2016 en hebben de Surinaamse nationaliteit. Zij hebben samen met hun moeder aan verweerder verzocht om aan hen EU-verblijfsdocumenten af te geven. In het primaire besluit van 6 augustus 2024 heeft verweerder dit geweigerd. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemzaak niet.
3. In de uitspraak van 19 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21993, heeft de voorzieningenrechter het samenhangende verzoek om een voorlopige voorziening van de moeder van verzoekers toegewezen. Verweerder heeft zich daartegen niet verzet. In deze zaken verzet verweerder zich wel tegen toewijzing van de verzoeken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ligt het echter in de rede om de rechtspositie van verzoekers in lijn te brengen met die van hun moeder gelet op de samenhang in procedures. De omstandigheid dat verweerder in de beroepen een verweerschrift heeft uitgebracht waarin wordt betoogd dat de beroepen ongegrond zijn, betekent niet dat op voorhand van de juistheid van die stellingname moet worden uitgegaan en de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers zouden moeten worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om de verzoeken op de hierna te vermelden wijze als kennelijk gegrond toe te wijzen.
4. In de gegrondverklaring van de verzoeken ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van twee samenhangende verzoekschriften met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Ook dient verweerder de door verzoekers betaalde griffierechten van in totaal € 400 te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe;
treft de voorlopige voorzieningen dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoekers niet mogen worden uitgezet tot vier weken nadat op de beroepen (NL25.49527 en NL25.49536) is beslist;
veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro);
bepaalt dat verweerder de door verzoekers betaalde griffierechten van € 400 (vierhonderd euro) moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 20 oktober 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.