RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.41465 en NL26.41466
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. T. Sleeman),
en
de minister van Asiel en Migratie (hierna de minister)
(gemachtigde: mr. M. Latul).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 7 juli 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 21 juli 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Ibnolfaqir als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielmotief
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996, heeft de Marokkaanse nationaliteit en Amazigh etniciteit. Eiser viel tussen 2022 en 2025 onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55/EG), omdat hij vóór zijn komst naar Nederland rechtmatig in Oekraïne verbleef als derdelander. Na een getroffen voorlopige voorziening is de beroepsprocedure tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming op 13 februari 2026 ongegrond verklaard. Eiser is vervolgens in Nederland gebleven en heeft, nadat hij is opgepakt door de politie, op 7 juli 2026 vanuit bewaring asiel aangevraagd.
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser vreest bij terugkeer naar Marokko voor vervolging wegens zijn politieke activiteiten. Eiser verklaart dat hij politiek actief is op sociale media. Hij modereert livestreams van mensen die kritiek uiten op Marokko, en plaatst zelf ook commentaren op de meningen van anderen. Eiser laat zich regelmatig kritisch uit over het Marokkaanse regime, de koninklijke familie en het overheidsstandpunt ten aanzien van de Westelijke Sahara. Eiser heeft hierdoor drie bedreigingen ontvangen, zowel van iemand genaamd [naam 1] als iemand anders. Eiser vreest dat de Marokkaanse inlichtingendienst hem surveilleert en dat de Marokkaanse autoriteiten hem zullen vervolgen. Daarnaast verklaart eiser dat hij vanuit de Islam is bekeerd tot het deïsme. Eiser vreest om deze reden in Marokko opgepakt te worden en/of door zijn familie verstoten te worden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en zijn bekering tot het deïsme geloofwaardig.
Eisers politieke overtuiging en activiteiten en de daaruit voortvloeiende problemen vindt de minister deels geloofwaardig. De minister volgt enerzijds dat eiser een politieke overtuiging heeft en ook dat eiser activiteiten heeft verricht die deze politieke overtuiging uitdragen. Maar de minister vindt het anderzijds niet geloofwaardig dat eiser hierdoor problemen heeft ervaren en in de negatieve belangstelling staat van de Marokkaanse autoriteiten. De minister vindt dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten en dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Dat de bedreigingen van [naam 1] afkomstig zijn van de Marokkaanse inlichtingendienst is enkel gebaseerd op vermoedens en aannames, evenals dat eiser op een lijst van oppositieleden zou staan bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat de Marokkaanse autoriteiten eisers IP-adres zouden traceren en dat eiser via meerdere vriendschapsverzoeken is geïntimideerd door de Marokkaanse inlichtingendienst wordt ook niet gevolgd, omdat het volgens de minister ook is gebaseerd op aannames. Verder vindt de minister dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd, omdat eiser zijn asielaanvraag niet zo snel mogelijk heeft ingediend.
Op basis van de geloofwaardige asielmotieven heeft eiser, volgens de minister, geen vrees voor vervolging door de Marokkaanse autoriteiten. Dat eiser zich op sociale media kritisch uit over de Marokkaanse autoriteiten en het koningshuis maakt niet dat eiser als vluchteling kan worden aangemerkt, omdat het bereik op sociale media niet bijzonder groot is, eiser zelden tot nooit eigen posts plaatst, zijn activiteiten tot op heden niet tot problemen hebben geleid en niet blijkt dat eiser zijn uitingen bij terugkeer naar Marokko zou willen intensiveren. Ook vindt de minister eisers vrees voor vervolging vanwege zijn bekering tot het deïsme niet aannemelijk, omdat eiser zijn geloof niet openlijk of zichtbaar uitdraagt. Dat eiser daarnaast vanwege zijn etniciteit is gediscrimineerd door medeburgers is volgens de minister onvoldoende om hem als vluchteling aan te merken. Verder vindt de minister dat eiser niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming, omdat hij geen reëel risico loopt op ernstige schade.
Tot slot heeft de minister in het asielrelaas van eiser ook geen aanleiding gezien voor het ambtshalve verlenen van een reguliere verblijfsvergunning of uitstel van vertrek om medische redenen. Aan eiser is eerder op 28 juli 2025 een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Marokko, uitgereikt en deze geldt nog steeds. Ook krijgt eiser een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert in beroep het volgende aan. De minister benoemt in de bestreden beschikking dat eiser geen objectieve documenten heeft ingediend, maar eiser heeft wel tijdens het gehoor aangegeven objectieve documenten te hebben, waaronder schermafbeeldingen van zijn politieke activiteiten en de bedreigingen, zodat de minister had moeten wachten met het nemen van een besluit. De minister had zich ook actiever moeten opstellen in het kader van de samenwerkingsverplichting door deze bewijsmiddelen zelf te vertalen. Ook is de beoordeling van de minister niet zorgvuldig. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Marokkaanse inlichtingendienst dan wel de autoriteiten. De Marokkaanse autoriteiten kunnen eisers identiteit achterhalen met behulp van zijn pseudoniem. Daarbij is eiser online bedreigd door iemand van de inlichtingendienst via de comments op een livestream van [naam 2]. Eisers problemen vanwege zijn politieke activiteiten moeten daarnaast als geloofwaardig worden beschouwd, gelet op de landeninformatie. Verder kan eiser niet worden tegengeworpen dat hij in algemene zin ongeloofwaardig wordt geacht vanwege het laat indienen van zijn aanvraag. De minister heeft eisers asielrelaas dan ook ten onrechte als ongeloofwaardig aangenomen. Ook heeft de minister bij de beoordeling van het vluchtelingschap een onjuiste beoordeling gemaakt en heeft daarbij ook geen gebruik gemaakt van objectieve bewijsstukken en beschikbare landeninformatie. Tot slot heeft de minister de asielgronden van eiser onvoldoende in onderlinge samenhang beoordeeld.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Politieke overtuiging en activiteiten en daaruit voortvloeiende problemen
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn verklaringen niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten. Tijdens het nader gehoor heeft eiser aangegeven dat hij online kritiek heeft geuit en dat de documentatie daarvan op zijn telefoon stond, waarover hij op dat moment niet beschikte omdat deze telefoon in verband met eisers bewaring in beslag was genomen. Wel heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard wat er in de door hem geplaatste berichten en ontvangen (dreig)berichten stond. De minister beschikte ten tijde van het bestreden besluit nog niet over alle schermafbeeldingen, en ook niet over een vertaling daarvan.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat de minister in het kader van de samenwerkingsverplichting had moeten wachten op de schermafbeeldingen voordat het bestreden besluit werd genomen en de schermafbeeldingen had moeten vertalen. Dat eiser het verzoek om toegang te krijgen tot zijn telefoon moest afwachten en het feit dat het tijd kostte om de berichten te laten vertalen, maakt het oordeel niet anders. Niet duidelijk is geworden waarom eiser niet al eerder dan pas toen eiser in bewaring is gesteld asiel heeft aangevraagd terwijl hij al langer in Nederland was. Uit de samenwerkingsverplichting volgt verder niet dat verweerder de door een vreemdeling overgelegde documenten altijd moet vertalen. Het is in beginsel aan eiser om de vertaling over te leggen. Eiser onderbouwt daarbij niet dat de minister in zijn specifieke geval wel verplicht zou zijn om de door eiser overgelegde schermafbeeldingen te vertalen.
Zelfs al had eiser de documenten eerder overgelegd, dan nog hebben de documenten niet de bewijswaarde die eiser daaraan toegekend wenst. Vooropgesteld, eiser heeft in het nader gehoor al verklaard over de strekking van de berichten, waardoor dit in het bestreden besluit is meegenomen. De rechtbank is het met de minister eens dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem ontvangen (dreig)berichten afkomstig zijn van de Marokkaanse inlichtingendiensten. De minister heeft er daarbij ter zitting terecht op gewezen dat eiser, als hem in het nader gehoor wordt gevraagd hoe hij weet dat de berichtschrijver ‘[naam 1]’ van de inlichtingendienst is, niet heeft verklaard dat [naam 1] zelf heeft gezegd van de inlichtingendienst te zijn. Dit is opmerkelijk, omdat deze berichten, anders dan eiser stelt, wel degelijk de kern van eisers asielrelaas vormen. Daarbij is het ongeloofwaardig dat de Marokkaanse inlichtingendiensten er online voor zouden uitkomen dat ze van de inlichtingendiensten zijn in een bericht onder een video. De berichten maken ook niet aannemelijk dat eiser op een zwarte lijst zou staan, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de reactie onder de video “Jongen, je bent aan de lijst toegevoegd. Gefeliciteerd”, afkomstig is van de Marokkaanse autoriteiten of inlichtingendiensten en niet van mensen die een grap met eiser uithalen omdat er in de video werd gesuggereerd dat er inlichtingendiensten meekeken.
Anders dan eiser stelt, is eiser niet in zijn belangen geschaad, want hij had geen extra rechtsmiddel gehad als de documenten al wel bij het bestreden besluit waren betrokken. Daarbij wijst verweerder er terecht op dat alleen is vastgesteld dat eiser geen documenten had overgelegd, maar dit niet aan eiser is tegengeworpen.
Pseudoniem
8. Eiser stelt dat de Marokkaanse autoriteiten via zijn online pseudoniem zijn identiteit kunnen achterhalen, omdat eisers pseudoniem is gekoppeld aan Facebook. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld, dat zelfs al zou eisers identiteit kunnen worden vastgesteld, daarmee nog niet vaststaat dat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Dat anderen vanwege hun online uitingen zijn opgepakt, zoals eiser stelt, maakt nog niet aannemelijk dat dat bij hem ook zal gebeuren. Daarbij heeft de minister ook kunnen betrekken dat eisers bereik op sociale media niet bijzonder groot is, eiser betwist dit niet. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij desondanks wordt opgemerkt door de Marokkaanse autoriteiten en zij weet hebben van zijn uitingen en daaraan gevolgen verbinden.
Landeninformatie
9. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder de landeninformatie over Marokko onvoldoende heeft betrokken. Eiser miskent dat het landenbeleid in paragraaf C7/1.2 van de Vreemdelingencirculaire niet meer geldt sinds de invoering van het Migratiepact per 12 juni 2026. Marokko is aangemerkt als veilig land van herkomst blijkens de Verordening (EU) 2026/464. Volgens eiser had verweerder in elk geval een individuele beoordeling moeten maken. Verweerder stelt zich daarbij terecht op het standpunt dat er een individuele beoordeling is gemaakt, maar dat de door eiser overgelegde landeninformatie van algemene aard is en daarmee niet is toegespitst op eisers specifieke geval. Daarom kan de algemene landeninformatie eisers individuele verhaal niet zonder meer ondersteunen. Onder meer heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de Marokkaanse overheid of veiligheidsdiensten hem door middel van nepprofielen of bots hebben benaderd.
Late indiening asielaanvraag
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden aan eiser heeft tegengeworpen dat hij in algemene zin als ongeloofwaardig kan worden beschouwd, omdat hij zijn asielaanvraag niet zo snel mogelijk heeft ingediend. De minister betrekt daarbij terecht dat eiser eerder op basis van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Op 28 juli 2025 heeft eiser een terugkeerbesluit gekregen. Hij is tegen dit besluit in beroep gegaan, en dit beroep is op 13 februari 2026 ongegrond verklaard. De minister heeft daarbij ook kunnen betrekken dat eiser daarna meermaals door DT&V is uitgenodigd voor gesprekken, maar dat hij hierbij niet is komen opdagen. Pas nadat eiser door de politie is opgepakt, heeft hij vanuit zijn bewaring asiel aangevraagd. Dat eiser na de afwijzing van zijn asielaanvraag in zak en as zat en besloot om eerst bewijsmateriaal te verzamelen ter onderbouwing van zijn asielaanvraag, heeft verweerder geen verschonende omstandigheid hoeven vinden die het wachten met de indiening van zijn asielrelaas rechtvaardigt, gelet op de vrees die eiser stelt te hebben.
Beoordeling vluchtelingschap
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser terecht niet als vluchteling heeft aangemerkt. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de beoordeling of eiser als vluchteling moet worden aangemerkt onzorgvuldig is verricht, omdat niet alle beschikbare documenten zouden zijn beoordeeld bij de asielaanvraag. Zoals de rechtbank hiervoor in rechtsoverwegingen 7 tot 7.3 heeft overwogen, is eiser niet in zijn belangen geschaad nu de later overgelegde schermafbeeldingen en de vertaling daarvan in het bestreden besluit nog niet waren meegenomen. Verweerder heeft de strekking daarvan wel kunnen beoordelen aan de hand van eisers verklaringen in het nader gehoor. Als de documenten daarbij eerder waren overgelegd, had het niet tot een andere uitkomst geleid.
Onderlinge samenhang
12. De rechtbank gaat niet mee in eisers stelling dat de asielgronden onvoldoende in onderlinge samenhang zijn beoordeeld. Gelet op de motivering van de minister zijn de geloofwaardig bevonden asielgronden zowel afzonderlijk als gezamenlijk niet van voldoende gewicht om aan de zwaarwegendheidstoets te voldoen. De minister heeft terecht overwogen dat eisers politieke activiteiten niet tot problemen hebben geleid. Eiser heeft daarbij niet betwist dat hij niet te maken heeft gekregen, dan wel niet te maken krijgt, met dermate ernstige repressie vanwege zijn geloofsovertuiging of etniciteit dat er sprake is van vluchtelingschap. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat het daaraan toegekende gewicht er gezamenlijk wel toe leidt dat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten komt te staan.
Conclusie en gevolgen
13. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
14. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.