uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
de minister van Asiel en Migratie, opposant
tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 februari 2026 in het geding tussen
opposant
en
[geopposeerde] , V-nummer: [V-nummer] , geopposeerde
(gemachtigde: T. Neijzen),
Inleiding
1. Geopposeerde heeft op 26 november 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door opposant op zijn asielaanvraag van 27 december 2023.
Bij een eerdere uitspraak van 12 augustus 2025 heeft de rechtbank het beroep van geopposeerde gegrond verklaard en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd. De rechtbank heeft opposant opgedragen om binnen zestien weken dan wel, indien eiser inmiddels was gehoord over zijn asielmotieven, binnen acht weken na de verzending van de uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag. De rechtbank heeft voorts bepaald dat opposant aan geopposeerde een dwangsom van €100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van €7.500,-. Ten slotte heeft de rechtbank opposant veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van €467,-.
Bij uitspraak van 25 februari 2026 (de bestreden uitspraak) heeft de rechtbank het beroep van geopposeerde gegrond verklaard en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd. De rechtbank heeft opposant opgedragen om binnen acht weken na de verzending van de uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag. De rechtbank heeft voorts bepaald dat opposant aan geopposeerde een dwangsom van €100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van €7.500,-. Ten slotte heeft de rechtbank opposant veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van €467,-.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 25 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van geopposeerde
4. Geopposseerde heeft eerder op 11 juli 2025 beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Dat beroep is gegrond verklaard in de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 12 augustus 2025 (met kenmerk: NL25.30930). Het beroep van 26 november 2025 van geopposeerde ging opnieuw over het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van geopposeerde.
De uitspraak van 25 februari 2026
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft in de uitspraak het beroep kennelijk gegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de beslistermijn, zoals opgelegd in de uitspraak van 12 augustus 2025, was verstreken en er nog geen nader gehoor had plaatsgevonden en opposant nog geen besluit had genomen. Hierbij heeft de rechtbank het niet van belang geacht of een eerder opgelegde dwangsom ten tijde van het instellen van het beroep nog niet was volgelopen. De rechtbank heeft bepaald dat opposant binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen op de aanvraag, op straffe van een dwangsom.
Gronden van verzet van opposant
6. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank het beroep van geopposeerde ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard met toepassing van artikel 8:54 van de Awb. De rechtbank heeft namelijk een onjuist toetsingskader gehanteerd door te oordelen dat het niet van belang is of de eerder opgelegde dwangsom ten tijde van het instellen van het beroep was volgelopen. De rechtbank miskent daarmee dat de rechtelijke beslistermijn nog niet was verstreken op het moment dat het onderhavige beroep van 26 november 2026 is ingediend. Aangezien geopposeerde ten tijde van het doen van de uitspraak van 12 augustus 2025 nog niet was gehoord, had opposant zestien weken om alsnog op de aanvraag te beslissen. Deze termijn is op 2 december 2025 geëindigd. Daarentegen is het beroep al op 26 november 2025 ingediend. Omdat de rechtelijke beslistermijn nog niet was verstreken ten tijde van indiening van het beroep, voldoet het beroep niet aan de voorwaarden van artikel 6:12, derde lid, van de Awb. Zo lang de rechtelijke beslistermijn loopt, is opposant namelijk niet in gebreke. Opposant heeft hier in het verweerschrift van 10 februari 2026 ook op gewezen en zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden. De rechtbank heeft daarbij in de uitspraak ten onrechte aangegeven dat er geen verweerschrift is ingediend.
De regels in verzet
7. Verzet gaat over de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het beroep van opposant. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de rechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.
Het oordeel van de rechtbank
8. De verzetsgrond van opposant slaagt. De rechtbank gaat in de uitspraak namelijk niet kenbaar in op het standpunt van opposant dat er ten tijde van de uitspraak van 12 augustus 2025 nog geen nader gehoor had plaatsgevonden en er nog niet op de aanvraag was beslist, waardoor er blijkens die uitspraak een termijn van zestien weken is opgelegd na verzending van de uitspraak om een beslissing op de asielaanvraag te nemen. Ten tijde van het indienen van onderhavig beroep was de beslistermijn nog niet verstreken, zodat opposant nog niet in gebreke was. De rechtbank is daarom van oordeel dat in de uitspraak van 25 februari 2026 ten onrechte is geoordeeld dat het beroep kennelijk gegrond is. Aan de andere verzetsgronden kom de rechtbank niet toe.
Conclusie en gevolgen
9. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 25 februari 2026 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: