RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3888
(gemachtigde: mr. L.B. de Jong),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)¸
verweerder
(gemachtigde: C. Schravesande).
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het Uwv om eiser per 15 november 2023 een uitkering toe te kennen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het daar niet mee eens omdat hij vindt dat zijn belastbaarheid in ernstige mate wordt beperkt door zijn medische klachten. Volgens eiser is de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) derhalve geen correcte weergave van de belastbaarheid en kunnen de geduide functies niet in stand blijven. Aan de hand van wat eiser in beroep heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming van het Uwv juist is. De rechtbank betrekt daarbij ook de rapporten die aan die besluitvorming ten grondslag liggen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluitvorming juist is en dat het Uwv terecht de aanvraag van eiser om een WIA-uitkering heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en zijn beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser is werkzaam geweest als chauffeur transport voor 39,25 uur per week. Op 19 december 2021 meldde eiser zich arbeidsongeschikt voor dit werk wegens belemmerende gezondheidsklachten. Hij ontving een uitkering op grond van de Ziektewet van zijn ex-werkgever. Op 17 augustus 2023 heeft eiser een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend.
Met het primaire besluit van 7 mei 2024 heeft het Uwv de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij 27,63% arbeidsongeschikt is. Omdat dit minder dan 35% is, heeft eiser geen recht op een WIA-uitkering per 15 november 2023.
Met het bestreden besluit van 23 april 2025 heeft het Uwv dit standpunt gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en aanvullende stukken ingediend.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Standpunt eiser
3. Eiser voert aan dat hij meer beperkt is dan wordt aangenomen door het Uwv. Hij is door de huisarts naar een revalidatiecentrum verwezen. Uit onderzoek bleek dat er bij eiser sprake was van persisterende heftige pijnklachten van de linkerschouder, -arm en -hand. Volgens Basalt is sprake van vele complexe psychosociale factoren die een duidelijke rol spelen in een vicieuze cirkel van chronische pijn. Gezien de vele complexe psychosociale factoren die moeilijk te veranderen zijn, komt eiser niet in aanmerking voor een multidisciplinaire revalidatiebehandeling gericht op het leven met chronische pijnklachten. Basalt adviseert eerst een uitgebreide psychologische behandeling. Uit de informatie van de behandelend psycholoog blijkt dat sprake is van een ernstige psychische ontregeling onderhouden door actuele stress waarvoor therapie niet de juiste behandelvorm lijkt. Er is sprake van zodanig veel stress dat met psychologisch hulp geen vooruitgang kan ontstaan. Inmiddels is eiser voor de reeds lang bestaande, onveranderd aanwezige klachten verwezen naar een psychosomatisch fysiotherapeut. Voor eiser is het evident dat het Uwv deze complexe situatie miskent en zijn belastbaarheid te positief inschat. Uit de beschikbare informatie blijkt ook dat eiser een verstoord slaappatroon heeft dat leidt tot forse vermoeidheidsklachten. De FML is derhalve geen correcte weergave van de belastbaarheid en de hierop gebaseerde functieselectie kan niet in stand blijven.
Standpunt verweerder
4. Het Uwv stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat er geen aanleiding is om het standpunt te herzien. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 4 maart 2025 blijkt dat er rekening is gehouden met de lichamelijke en psychische klachten van eiser. De verzekeringsarts b&b heeft eiser gezien tijdens een hoorzitting en zijn klachten besproken, en ook de beschikbare medische informatie betrokken bij de heroverweging. In de brief van Basalt van 7 juni 2023 staan geen nieuwe medische feiten genoemd. Ook zijn er geen nieuwe diagnoses gesteld. De verzekeringsarts b&b is van mening dat eiser ook met de bekende psychosociale problematiek geschikt is voor werk waarin rekening is gehouden met een verminderde psychische belastbaarheid (zoals aangegeven in de FML van 1 mei 2024). Ook is er door de primaire verzekeringsarts een verminderde lichamelijke belastbaarheid vastgesteld, dit terwijl ook blijkt dat diverse geclaimde lichamelijke klachten niet kunnen worden geobjectiveerd. De verzekeringsarts b&b heeft tot slot uitgebreid toegelicht waarom er geen reden is voor een medische urenbeperking.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv terecht heeft geweigerd aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen per 15 november 2023.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
De rechtbank stelt voorop dat het Uwv besluiten over de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.
Zorgvuldigheid
6. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De primaire verzekeringsarts heeft eiser op 1 mei 2024 op het spreekuur gezien en daarbij eiser psychisch en lichamelijk onderzoek verricht. Hij heeft daarbij een uitgebreide anamnese afgenomen. De verzekeringsarts heeft medische gegevens van derden bij de beoordeling betrokken. De bevindingen zijn opgenomen in het rapport van 1 mei 2024.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b dossierstudie verricht en de hoorzitting op 3 maart 2025 bijgewoond. De verzekeringsarts b&b heeft zijn bevindingen opgenomen in het rapport van 4 maart 2025. De medische stukken die in bezwaar door eiser zijn ingebracht zijn door de verzekeringsarts b&b bij de heroverweging betrokken geweest. De verzekeringsarts b&b ziet geen aanleiding om af te wijken van het standpunt van de primaire verzekeringsarts.
Gelet op deze onderzoeksactiviteiten is de rechtbank van oordeel dat de medische rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen.
Medisch oordeel
De primaire verzekeringsarts rapporteert in zijn rapport van 1 mei 2024 dat eiser EMDR heeft gevolgd voor zijn psychische klachten. Voor de slaapstoornissen werd een slaaponderzoek onderzoek uitgevoerd, waarbij een matige Obstructief Slaapapneu Syndroom (OSAS) werd ontdekt waarvoor volgens de somnoloog met Continuous Positive Airway Pressure (CPAP) is gestart. De primaire verzekeringsarts overweegt dat er geen sprake (meer) is van marginale belastbaarheid of geen benutbare mogelijkheden. OSAS is nog niet onder controle omdat eiser het CPAP-apparaat niet goed kan voelen. Er dient rekening te worden gehouden met de gevolgen van de OSAS zolang die niet goed onder controle zijn, waarmee eiser niet beroepsmatig mag rijden. Ook nachtdiensten zijn nu niet goed mogelijk. Omgaan met conflicten en onverwachte situaties dient vermeden te worden. De linker schouderklachten geven een indicatie voor niet te zwaar belasten / tillen en niet te hoog reiken met links. De belangrijkste beperkingen in de belastbaarheid zijn: niet beroepsmatig autorijden of werken in gevaaropleverende situaties. Ook nachtdiensten zijn nu niet goed mogelijk. Omgaan met sterk stresserende taken en conflicten en onverwachte situaties dient vermeden te worden. De medische situatie zal naar verwachting op lange termijn in belangrijke mate verbeteren, zo concludeert de primaire verzekeringsarts.
De verzekeringsarts b&b rapporteert in zijn rapport van 4 maart 2025 dat de belastbaarheid van eiser door de primaire verzekeringsarts correct is weergeven. Eiser stelt in bezwaar dat hij ook last heeft van zijn rechterschouder en benen. Die klachten zijn echter niet onderbouwd met nieuwe medische stukken waaruit dit ook zou kunnen blijken. Eiser kan bovendien niet aangeven wanneer de klachten zijn ontstaan en hier is ook geen behandeling voor gestart. De verzekeringsarts b&b ziet daarom geen aanleiding om ook een verminderde belastbaarheid van de rechterschouder en benen aan te nemen. Uit de medische stukken blijkt dat eiser een allergie heeft voor pollen (hooikoorts). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (b&b) wordt daarom gevraagd of geduide functies nog steeds passend zijn voor iemand met pollenallergie. In het geval van eiser kan niet worden gesproken van een dermate ernstige ziekte dan wel hier recent van hersteld zijn, noch van een intensieve behandeling dat daardoor de beschikbaarheid in uren per dag /week duidelijk vermindert. Er is alles overwegende geen dringende indicatie voor een medische urenbeperking en om af te wijken van het primair medisch oordeel. Wat betreft de psychische klachten overweegt de verzekeringsarts b&b dat de in bezwaar ingebrachte brief van de psycholoog geen ander licht werpt op de zaak. De hierin vermelde onderzoeksbevindingen betreffen de door eiser geuite klachten en beperkingen welke al bekend waren. De psychosociale problematiek maakt niet dat eiser geen werk zou kunnen verrichten waarin rekening is gehouden met een verminderde psychische belastbaarheid en zoals aangegeven in de FML. Concrete aanwijzingen voor cognitieve stoornissen (geheugen, concentratie) zijn er niet en passen ook niet bij de gestelde diagnoses.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische
beoordeling en is van oordeel dat de verzekeringsartsen de medische belastbaarheid van eiser op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden hebben gemotiveerd.
De door eiser in beroep overgelegde medische stukken werpen geen ander licht op de beoordeling. Voor zover de informatie in die stukken ziet op de medische situatie van eiser op of voor de datum in geding, was die bij de verzekeringsartsen al bekend.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts b&b voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is de medische beoordeling te herzien. Het Uwv heeft de beoordeling door de verzekeringsarts b&b aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.
De arbeidskundige beoordeling
7. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat er ten tijde van de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWB) geen functies konden worden geduid. In het kader van de WIA-beoordeling zijn er nu wel functies geduid terwijl volgens eiser zijn medische situatie niet is verbeterd.
Uitgaande van de juistheid van de FML is er geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van eiser voor de geduide functies. De rechtbank acht van belang dat uit het rapport van 16 april 2025 naar voren komt dat de arbeidsdeskundige b&b voor het duiden van de functies overleg heeft gevoerd met de verzekeringsarts b&b. Per functie is afdoende gemotiveerd dat genoemde functies voor eiser geschikt zijn. Daarmee is in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat eiser de werkzaamheden verbonden aan de functies kan verrichten, omdat het aspect “boven schouderhoogte actief zijn” telkens binnen de marge van belastbaarheid blijft. Eiser heeft zijn stelling dat in de geduide functies zijn belastbaarheid wordt overschreden ook niet onderbouwd. Het enkele feit dat door een andere arbeidsdeskundige eerder en zonder nader overleg in het kader van de EZWB beoordeling per 16 november 2022 geen functies zijn geduid maakt in elk geval niet dat aan deze beoordeling moet worden getwijfeld.
Conclusie en gevolgen
8. Het Uwv heeft terecht geweigerd eiser een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding. Eiser krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.