[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. A.B.B. Beelaard),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)¸
verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Shell Information Technology uit Den Haag, (ex-werkgever)
(gemachtigde: mr. F.A.M. Stegenga-Naus).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de beslissing van het Uwv dat eiser voor 74,2% arbeidsongeschikt is en per 19 april 2023 recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het daar niet mee eens. Hij stelt onder andere dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Ook acht hij de geduide functies niet passend. Aan de hand van wat eiser in beroep tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming van het Uwv juist is.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluitvorming juist is en dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat eiser per 19 april 2023 recht heeft op een WIA-uitkering. Lopende de beroepsprocedure is het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser middels nieuwe besluitvorming van verweerder gewijzigd in 76,51%. Dit betekent dat eiser nog steeds onder de 80-100% arbeidsongeschikt wordt geacht. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
2. Eiser is werkzaam geweest als [functienaam] bij Shell Information Technology International B.V. voor 40 uur per week. Op 19 april 2021 meldde eiser zich arbeidsongeschikt voor dit werk wegens medische klachten. Op 23 januari 2023 heeft eiser een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend.
Met het primaire besluit van 10 mei 2023 heeft het Uwv aan eiser per 19 april 2023 een WIA-uitkering toegekend en het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser vastgesteld op 80-100 %.
Met het besluit van 27 oktober 2023 heeft het Uwv het bezwaar van de ex-werkgever van eiser ongegrond verklaard.
Met de uitspraak van 6 december 2024 heeft de rechtbank Den Haag het besluit van 27 oktober 2023 vernietigd.
Met het besluit van 25 maart 2025 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van de ex-werkgever gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser gewijzigd naar 74,2 %.
Hangende het beroep heeft het Uwv een nieuw besluit genomen op 13 november 2025 (bestreden besluit 2) en het bezwaar van de ex-werkgever gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser gewijzigd naar 76,51 %.
Het beroep van eiser tegen bestreden besluit 1 heeft van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit 2. Op 2 december 2025 heeft eiser de rechtbank laten weten zijn beroep te handhaven.
De ex-werkgever heeft verklaard als derde-partij aan het geding te willen deelnemen.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van de derde-partij heeft voorafgaand aan de zitting te kennen gegeven niet op de zitting aanwezig te zullen zijn.
Standpunt eiser
3. Eiser voert aan dat hij voor 80-100 % arbeidsongeschikt is te achten per 19 april 2023. Hij is van oordeel dat zijn beperkingen zijn onderschat, met name zijn psychische beperkingen en de beperkingen voortvloeiend uit de tinnitus. De tinnitus speelt een grote negatieve rol in het dagelijks leven van eiser. Het betreft een constante bromtoon die 24 uur per dag in zijn hoofd aanwezig is. Dit veroorzaakt ernstige slaapproblemen. Door het slaaptekort is eiser overdag niet helder en is zijn concentratie ernstig verminderd. Ten aanzien van de tinnitusklachten stelt eiser dat hij niet alleen gebaat is bij een werkomgeving waarin absolute stilte moet worden vermeden, maar dat ook een werkomgeving waarin sprake is van veel geluid, drukte of stresserende werkomstandigheden vermeden dient te worden. Ten aanzien van de functie van medewerker postbezorging (intern) met SBC-code 315140 voert eiser aan dat zelfs indien gebruik gemaakt kan worden van een tilhulp, het nog steeds onwenselijk is om een functie te duiden waarin dagelijks sprake is van overschrijding van de tilbelastbaarheid. De duw- en trekkracht zou daarnaast beneden de 150 N (15 kgf) blijven, maar gelet op de functiebeschrijving kan dit betwijfeld worden.
Standpunt verweerder
4. Het Uwv stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat er geen aanleiding is om het standpunt te herzien. Met de medische klachten is al voldoende rekening gehouden in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML). Slaaptekort en/of een matige depressie vormen geen aanleiding voor een verdergaande urenbeperking. Een overmaat aan omgevingslawaai kan worden weggefilterd door het dragen van gehoorbescherming. Met betrekking tot de geduide functie van medewerker postbezorging (intern) met SBC-code 3155140 is er geen sprake van een overschrijding van de belastbaarheid.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid bestreden besluit 1
5. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk.
De rechtbank beschouwt het besluit van 13 november 2025 als vervangend besluit, nu dit besluit is genomen naar aanleiding van de door eiser aangevoerde beroepsgronden. Het besluit van 13 november 2025 is daarmee in de plaats gekomen van het besluit van 25 maart 2025. Gelet hierop heeft eiser geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het besluit van 25 maart 2025. Daarom verklaart de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen dit besluit niet-ontvankelijk.
Inhoudelijke beoordeling bestreden besluit 2
6. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv aan eiser terecht een WIA-uitkering heeft toegekend per 19 april 2023 omdat hij voor 76,51 % arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
De rechtbank stelt voorop dat het Uwv besluiten over de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.
Zorgvuldigheid
7. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De primaire verzekeringsarts heeft eiser op 24 april 2023 op het spreekuur gezien en daarbij eiser psychisch en lichamelijk onderzocht. Hij heeft daarbij een uitgebreide anamnese afgenomen. De bevindingen zijn opgenomen in het rapport van 25 april 2023.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b dossierstudie verricht, eiser 4 februari 2025 op het spreekuur gezien en medische informatie van de behandelaars bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts b&b heeft zijn bevindingen opgenomen in het rapport van 6 februari 2025. De verzekeringsarts b&b heeft eiser lichamelijk en psychisch onderzocht. De verzekeringsarts b&b zag aanleiding om de FML aan te passen en heeft dat uitgebreid gemotiveerd in zijn rapport. Hij concludeert dat er geen sprake is van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.
Gelet op deze onderzoeksactiviteiten is de rechtbank van oordeel dat de medische rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen.
Medisch oordeel
De primaire verzekeringsarts rapporteert dat eiser zich in eerste instantie heeft ziekgemeld met psychische klachten. In november 2022 is zijn vader acuut overleden en in december kreeg eiser zelf een hartinfarct. De re-integratie is toen gestopt omdat hij ook zou gaan revalideren. Inmiddels is de revalidatie klaar. Hij kan zich fysiek nog steeds niet goed inspannen, er is een FML opgesteld rekening houdend met forse fysieke beperkingen. Daarnaast zijn er concentratieproblemen bij lezen en computeren, na 15 min krijgt hij hinder van zijn tinnitus en kan hij zich niet langer concentreren. Omdat er ook nog energetische beperkingen zijn en omdat hij inmiddels zo lang uit het arbeidsproces is geweest kan hij op dit moment niet meer dan halve dagen fysiek niet al te zwaar, stressarm werk doen in een ruimte met geen absolute stilte. Er is nog wel verbetering ten aanzien van de psychische klachten te verwachten, hij is nog steeds in behandeling. Er is sprake van nog forse beperkingen, door verschillende ziekteoorzaken. Eiser is beperkt ten aanzien van zware fysieke belasting, ten aanzien van omgaan met stress en er geldt vanwege energetische beperkingen nog een urenbeperking. Er zijn beperkingen ten aanzien van omgaan met stress en concentratie. De primaire verzekeringsarts verwacht verbetering van de beperkingen, ook omdat eiser op dat moment nog in behandeling is.
De verzekeringsarts b&b rapporteert in zijn rapport van 6 februari 2025 dat uit informatie van de psycholoog blijkt dat behandeling vanwege een depressie begin 2023 is beëindigd en dat eiser een nieuwe afspraak heeft gemaakt die gepland staat in maart 2025. Er is links een licht verminderd gehoor bij normaal spraak verstaan; het gehoorverlies is te gering om hiervoor een arbeidsbeperking in de FML op te nemen. De psychische behandeling was op de datum in geding al enige tijd beëindigd. Hoewel aannemelijk is dat er nog beperkingen bestonden, was er op de datum in geding geen reden nog beperkingen aan te nemen ten aanzien van vasthouden van de aandacht en verdelen van de aandacht. Deze beperkingen komen daarom te vervallen. Wat betreft de prognose van de beperkingen sluit de verzekeringsarts b&b zich aan bij het primaire oordeel. De enige klachten die duurzaam zijn, zijn de tinnitusklachten die sinds 2017 bestaan. Eiser ervaart enige toename van klachten, maar die kan niet worden geobjectiveerd en lijkt vooral spanning gerelateerd. Er is geen relevante gehoor beperking. Als gevolg van de tinnitus bestaan er enige beperkingen ten aanzien van hoge concentratie-eisen boven de referentiewaarden van de FML en de voorwaarde dat absolute stilte in de werkomgeving moet worden vermeden. Hiermee zijn de klachten van eiser als gevolg van de tinnitus voldoende meegewogen in de medische beoordeling.
De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapport van 28 augustus 2025 gereageerd op de beroepsgronden en aanvullende stukken van eiser. Eiser is in 2022 een half jaar behandeld door de psycholoog. Hoewel de psycholoog geen duidelijke uitspraak doet over het resultaat van zijn behandeling, heeft eiser in de behandeling wel geleerd hoe hij de symptomen aan kan pakken. Hoewel eiser op de hoorzitting van 4 februari 2025 vermeldt nog laagfrequent contact met de psycholoog te hebben, geeft de psycholoog in zijn brief van 21 februari 2025 zelf aan dat hij eiser twee jaar niet gezien heeft. In de twee jaar na afloop van de behandeling is ook geen verdere behandeling meer gezocht. Op de hoorzitting van 4 februari 2025 worden geen concentratiestoornissen waargenomen en kan eiser geen specifieke situatie noemen die hij nog vermijdt vanwege zijn (rest)klachten. Omdat op datum in geding 19 april 2023 de psychologische behandeling al geruime tijd was beëindigd en eiser afgelopen twee jaar geen relevante verandering van klachten ervaart, is er geen aanleiding om per datum in geding meer beperkingen aan te nemen.
Op een brief van de psycholoog van 13 oktober 2025 reageert de verzekeringsarts b&b als volgt in zijn rapport van 6 november 2025. In een eerdere brief van 21 februari 2025 heeft de psycholoog aangegeven van 1 juni 2022 tot 3 januari 2023 afspraken met eiser te hebben gehad. Pas in maart 2025 is er opnieuw weer een afspraak geweest. Gedurende een ruime periode rond de datum in geding (19 april 2023) heeft de psycholoog eiser dus niet gezien. In het rapport van 19 februari 2026 stelt de verzekeringsarts b&b, als reactie op de beroepsgronden van eiser, dat met een beperking t.a.v. langdurige concentratie rekening is gehouden in de FML van 27 februari 2025 door een beperking ten aanzien van concentratie-eisen boven de referentiewaarde van 30 min aaneengesloten. Slaaptekort en/of een matige depressie vormen geen aanleiding voor een verdergaande urenbeperking. Een overmaat aan omgevingslawaai kan worden weggefilterd door het dragen van gehoorbescherming. Er is dan geen reden hiervoor een aanvullende arbeidsbeperking aan te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b de medische belastbaarheid van eiser in zijn rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd.
De door eiser in beroep overgelegde medische stukken geven geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Voor zover de informatie in die stukken ziet op de medische situatie van eiser op of voor de datum in geding, heeft de verzekeringsarts b&b voldoende gemotiveerd waarom deze geen aanleiding biedt om het standpunt te herzien en de FML te wijzigen. De informatie die betrekking heeft op de medische klachten van eiser die zijn ontstaan na de datum in geding is voor de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit niet relevant. Het bestreden besluit heeft namelijk betrekking op de situatie van eiser op 19 april 2023.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts b&b voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is de medische beoordeling te herzien. Het Uwv heeft de beoordeling door de verzekeringsarts b&b aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.
De arbeidskundige beoordeling
De arbeidsdeskundige b&b heeft in het rapport van 17 maart 2025 op basis van de FML van 27 februari 2025 de volgende drie functies geduid: (SBC-code 111180) Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 315140) Medewerker postverzorging (intern) en (SBC-code 272042) Productiemedewerker confectie, kleermaken. Daarnaast acht de arbeidsdeskundige b&b eiser geschikt voor de functie (SBC-code 272043) Productiemedewerker textiel, geen kleding. Naar aanleiding van de beroepsgronden van eiser heeft de arbeidsdeskundige in het rapport van 6 november 2025 geconcludeerd dat de functie (SBC-code 111180) Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) niet passend is voor eiser. De overige drie geduide functies blijven ook bij navraag bij de verzekeringsarts b&b passend. Bij hernieuwde berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage wijzigt daardoor het percentage.
In het rapport van 17 maart 2025 zegt de arbeidsdeskundige b&b over de functie (SBC-code 315140) Medewerker postverzorging (intern) dat eiser beperkt is voor tillen, te weten tot maximaal ongeveer 5 kg tillen. In de functie is hiervan dagelijks sprake tijdens 3 werkuren 1 x per uur ongeveer 10 kg en tijdens 1 werkuur 2 x per uur ongeveer 20 kg achtereen (inkomende postbakken van rolcontainer pakken). Dit belastingsaspect 'tillen' richt zich op het toelaatbare tilgewicht als fysieke belasting. De norm voor tillen is gesteld op 15 kg en een bandbreedte tot 25 kg voor incidentele activiteiten, met een frequentie van ca. 10 keer per uur. Voor eiser is het tilgewicht beperkt tot 5 kg, waardoor er weliswaar sprake is van een overschrijding van het tilgewicht, maar de frequentie van 3 x per uur is ruim minder dan de normfrequentie (10 x per uur). Desgevraagd heeft de arbeidskundig analist aangegeven dat er in de vorm van een werkvoorziening gebruikt gemaakt kan worden van een tilhulp, waardoor de overschrijding van het tilgewicht wordt gecompenseerd en het aspect binnen de marge van de belastbaarheid valt. De rechtbank volgt de arbeidsdeskundige b&b dat er in dit geval een tilhulp kan worden ingezet en het treffen van deze voorziening in redelijkheid van een werkgever kan worden gevergd. De arbeidsdeskundige b&b heeft mede aan de hand van de informatie van de arbeidskundig analist voldoende gemotiveerd dat met een tilhulp geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid en dat het de eigen verantwoordelijkheid is van eiser om een tilhulp te gebruiken.
In het rapport van 26 februari 2026 reageert de arbeidsdeskundige b&b op de stelling van eiser dat het niet geloofwaardig is dat de duw- en trekkracht van een volle rolcontainer met 20 postbakken à 20 kg onder de 150 N (15 kgf) blijft. In dit geval gaat het om een rolcontainer die voornamelijk aanzetkracht behoeft omdat er onder de container wielen zitten. Dit zorgt ervoor dat het verplaatsen door het aanzetten tot rollen minder kracht kost ten opzichte van een container die bijvoorbeeld volledig contact met de vloer heeft. De wrijvingsweerstand is in dat geval veel minder. In deze situatie gaat het bij de rolcontainer volgens de arbeidskundig analist om een kracht van minder dan 150N. Dit is volgens de verzekeringsarts toelaatbaar. Er is daarom geen sprake van overschrijding van de belastbaarheid. Ook hier geldt dat de rechtbank mede gelet op de informatie van de arbeidsdeskundig analist geen reden heeft hieraan te twijfelen.
Gelet op het voorgaande heeft het Uwv terecht aan eiser een WIA-uitkering toegekend per 19 april 2023 en zijn arbeidsongeschiktheidspercentage juist vastgesteld op 76,51 %.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Dat betekent dat bestreden besluit 2 in stand blijft.
9. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding. Eiser krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.