ECLI:NL:RBDHA:2026:30590

ECLI:NL:RBDHA:2026:30590

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 18-10-2026
Zaaknummer C/09/690335 / FA RK 25-6281
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

vaststelling van een zorgregeling, uitbreiding in overleg met de ouders wanneer de vader een eigen woonruimte heeft en kinderalimentatie en doorverwijzing UHA bij eindbeschikking.

Uitspraak

Kinderalimentatie

Beschikking op het op 19 augustus 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. T.Y. Tsang te `s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. W.N. Sardjoe te `s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek van de moeder;

- de pleitnotities van de vader met bijlagen.

Op 20 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder in het bijzijn van haar advocaat, de vader in het bijzijn van zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Op de zitting is de moeder in de gelegenheid gesteld zich binnen twee weken uit te laten over de laat ingediende pleitnotities en daarbij gevoegde bijlagen door de vader. Op 2 september 2026 heeft de rechtbank de reactie namens de moeder ontvangen.

Feiten

Verzoek en verweer

subsidiair

De moeder verzoekt de rechtbank om, uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens, te bepalen dat:

primair

- de kinderalimentatie wordt berekend waarbij door de vader alle nodige documenten worden overgelegd.

De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de vader zelfstandig verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

Beoordeling

Gezag

Juridisch kader

Uit artikel 1:253c, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Het verzoek wordt ingevolge het tweede lid van dit artikel slechts afgewezen, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat het gezag over een kind gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend.

Inhoudelijke beoordeling

De vader stelt dat hij al samen met de moeder het gezag over [minderjarige 3] uitoefent. De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook erkend, alleen toen kreeg hij nog niet van rechtswege het gezag. De vader zou graag betrokken worden bij de belangrijke zaken die de kinderen betreffen, zoals school. Volgens hem zijn er geen redenen om hem niet met het gezamenlijk gezag te belasten.

De moeder geeft aan op zich geen bezwaar te hebben tegen gezamenlijk gezag, maar het is volgens haar lastig uitvoerbaar. Volgens de moeder verloopt de communicatie tussen de ouders uiterst moeizaam, maar desondanks lukt het over het algemeen wel om gezagsbeslissingen over [minderjarige 3] gezamenlijk te nemen.

Zowel de moeder als de vader hebben op de zitting erkend dat de communicatie tussen hen zeer moeizaam verloopt. Ondanks de moeizame communicatie lukt het de ouders wel om gezagsbeslissingen over [minderjarige 3] gezamenlijk te nemen. Hoewel het gezamenlijk gezag voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de ouders uitdagingen met zich zal brengen, ziet de rechtbank niet in waarom het de ouders niet zou lukken om voor de twee oudste kinderen gezamenlijk beslissingen te nemen als het hen voor [minderjarige 3] wel lukt. Gelet op het voorgaande is er volgens de rechtbank geen reden om aan te nemen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem of verloren dreigen te raken tussen de ouders. De rechtbank zal daarom de vader en de moeder met het gezamenlijk gezag belasten over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Zorgregeling

Juridisch kader

Nu de vader mede met het gezag wordt belast, zal de rechtbank hierna de term zorgregeling in plaats van omgangsregeling gebruiken.

Ingevolge artikel 1:253a, lid 2 sub a, BW, kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, welke regeling een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken kan omvatten, alsmede een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.

Inhoudelijke beoordeling

Op de zitting is gebleken dat de kinderen momenteel elke zaterdag van ongeveer 8 uur ’s ochtends tot ongeveer 17 uur ’s avonds bij de vader verblijven. De vader ziet de zorgregeling graag uitgebreider, maar door zijn huidige woonsituatie is dat onmogelijk. Hij woont momenteel bij zijn eigen vader en er is nog geen zicht op een eigen woning.

Zowel de vader als de moeder hebben op de zitting verzocht om de zorgregeling waar momenteel uitvoering aan wordt gegeven, vast te leggen. De ouders hebben op de zitting uitgesproken dat zij, wanneer de situatie zich daarvoor leent, in onderling overleg zullen praten over een uitbreiding van de zorgregeling.

Het is de rechtbank gebleken dat de belangen van de kinderen zich niet tegen de huidige zorgregeling verzetten. De rechtbank zal daarom overeenkomstig het verzoek van de ouders beslissen en bepalen dat de kinderen elke zaterdag van 8 uur ’s ochtends tot 17 uur bij de vader verblijven.

Informatie- en consultatieregeling

Juridisch kader

Op grond van artikel 1:253a eerste lid BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Volgens lid 2 sub c van dit artikel kan een dergelijk verzoek ook een regeling omvatten omtrent de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats.

Inhoudelijke beoordeling

De vader wenst graag een betrokken vader te zijn in het leven van zijn kinderen. Volgens hem ontvangt de moeder meer informatie, simpelweg omdat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben. De vader verzoekt daarom om een informatieregeling zodat hij meer op de hoogte is van de ontwikkelingen omtrent de kinderen. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij alle belangrijke informatie ruim van tevoren aan de vader doorgeeft. De vader heeft dit op de zitting erkend.

Omdat de moeder al voldoet aan haar informatieplicht zal de rechtbank het verzoek van de vader afwijzen, nu er geen belang bestaat bij het verzoek.

Communicatie ouders

Uit de stukken en dat wat met de ouders op de zitting is besproken, is duidelijk geworden dat de ouders niet goed met elkaar kunnen communiceren. Dit frustreert beide ouders. Op de zitting is daarom door de Raad de mogelijkheid tot hulpverlening voorgesteld, zodat de ouders kunnen leren communiceren met elkaar en zij in het vervolg gezamenlijk beslissingen kunnen maken. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling.

De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het aan deze beschikking gehechte proces-verbaal van doorverwijzing. Dit proces-verbaal is op 21 augustus 2026 al per e-mail gezonden aan het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking ook per post zenden.

De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient. De rechtbank gaat er desondanks van uit dat de ouders zich in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uiterst zullen inspannen voor het ouderschapsbemiddelingstraject.

Kinderalimentatie

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De vader heeft aangetoond dat hij tot 27 mei 2026 een betalingsverplichting aan de gemeente had met betrekking tot het bijstandsverhaal van de gemeente [gemeente] , omdat de moeder een bijstandsuitkering ontvangt. Vanaf deze datum heeft de vader geen bedrag aan kinderalimentatie betaald, niet aan de moeder en niet aan de gemeente. De rechtbank zal daarom de ingangsdatum van de kinderalimentatie vaststellen op 27 mei 2026.

Behoefte

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is tussen de ouders in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.

De vader stelt dat de ouders nooit in gezinsverband hebben samengeleefd. De moeder heeft dit niet betwist. Omdat de ouders nooit in gezinsverband hebben samengewoond, moet de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden bepaald aan de hand van het gemiddelde van de behoefte bij iedere ouder. Dit wordt dus berekend door de behoefte op basis van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de ene ouder (inclusief het door haar ontvangen kindgebonden budget) vast te stellen en de behoefte berekend op basis van het inkomen van de andere ouder (inclusief het fictief te ontvangen kindgebonden budget) vast te stellen. Het gemiddelde hiervan is uiteindelijk de behoefte.

Voor het bepalen van de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de moeder moet allereerst haar NBI worden bepaald.

De rechtbank gaat uit van een inkomen van € 15.747,- per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2024, aangezien hieruit blijkt wat de moeder aan bijstandsuitkering in 2024 heeft ontvangen.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI op € 1.107,- per maand. Bij dit NBI had de moeder recht op een kindgebonden budget van € 859,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 382,- per maand.

De ouders zijn het niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 50.859,-. De rechtbank gaat hierbij uit van het gemiddelde van de winst uit onderneming van € 37.843,- in 2022 en van € 63.875,- in 2023, zoals de vader in zijn berekening ook doet en bij gebrek aan recentere inkomensgegevens.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI op € 3.638,- per maand. Bij dit NBI had de vader (fictief) recht op een kindgebonden budget van € 820,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.142,- per maand.

De gemiddelde behoefte van de kinderen bedraagt in 2024 € 762,- per maand ((€ 382,- + € 1.142,-) / 2). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van € 849,- per maand.

Draagkracht moeder

De ouders zijn het erover eens dat de moeder een bijstandsuitkering ontvangt. Uit de door de moeder overlegde uitkeringsspecificatie van mei, juni en juli 2025 volgt dat zij een bruto uitkering van gemiddeld en afgerond € 1.353,- per maand ontvangt exclusief 5% vakantiegeld.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 2.102,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Bij een NBI van € 1.950,- tot € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 2.100,- en € 2.150,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 109,- per maand voor de moeder in aanmerking nemen.

Draagkracht vader

De vader stelt dat het bedrag aan kinderalimentatie op nihil moet worden gesteld, omdat bij hem sprake is van een financiële wanorde. Volgens de vader heeft hij in 2026 nauwelijks omzet gegenereerd, omdat hij vanwege de Wet DBA geen opdrachten meer kan aannemen. De moeder betwist dit. Volgens de moeder blijkt uit de kwartaalaangiften 2026 dat de vader wel omzet heeft gegenereerd, te weten € 40.147,- in het eerste kwartaal en € 15.221,- in het tweede kwartaal. Het bedrag dat de vader aan btw zou terugkrijgen, zegt volgens de moeder niets over het ontbreken van inkomen. Daarnaast kan het beroep op de Wet DBA volgens de moeder niet slagen, omdat de vader slechts van één opdrachtgever een bericht heeft overlegd dat de werkzaamheden die hij bij die werkgever in opdracht uitvoerde, zijn opgeschort. Deze opdrachtgever heeft bovendien uitdrukkelijk vermeld dat de samenwerking kan worden hervat zodra de vader zijn bedrijfsvoering heeft aangepast. De moeder beroept zich daarom op de verdiencapaciteit van de vader en schat zijn inkomen op € 3.384,- per maand.

De rechtbank is van oordeel dat de vader niet voldoende heeft onderbouwd dat hij geen omzet meer heeft vanuit zijn onderneming. Uit de door de vader overlegde kwartaalaangiften blijkt namelijk dat de vader € 40.147,- in het eerste kwartaal en € 15.221,- in het tweede kwartaal van 2026 aan omzet heeft gegenereerd. Het is onduidelijk wat voor inkomen hieruit voortvloeit voor de vader, maar niet is gebleken dat de vader geen inkomen heeft. Daarnaast heeft de vader onvoldoende aangetoond dat hij geen opdrachten kan krijgen vanwege de Wet DBA. De vader heeft slechts één bericht van één opdrachtgever overgelegd. Niet is gebleken dat dit ook geldt voor andere opdrachtgevers. Er mag daarnaast van de vader worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden anders inricht, zodat hij wel weer meer opdrachten kan binnenhalen of zijn werkzaamheden bij eerdere opdrachtgevers kan hervatten.

Bij gebrek aan andere gegevens van de vader, gaat de rechtbank daarom mee in het geschatte inkomen door de moeder van een maandinkomen van € 3.384,- bruto per maand.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 2.996,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [2.996 – (899 + 1.365)] = € 512,- per maand.

Verder stelt de vader dat zijn lagere woonlasten en het feit dat hij een kind verwacht met zijn nieuwe partner, moeten worden meegenomen in de berekening van zijn draagkracht. De lagere woonlasten zijn, zoals de vader zelf zegt, tijdelijk van aard. De rechtbank rekent daarom met het standaard woonbudget. Het feit dat de vader een kind verwacht met zijn nieuwe partner is een toekomstige omstandigheid die mogelijk aanleiding geeft om een alimentatieberekening te herzien, maar neemt de rechtbank nu niet mee in de berekening aangezien het op dit moment niet van invloed is op de draagkracht.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 621,- per maand (€ 109,- + € 512,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 228,- per maand.

Zorgkorting

Gelet op de hiervoor vastgestelde zorgregeling, waarbij de kinderen elke zaterdag naar de vader gaan, stelt de rechtbank het zorgkortingspercentage vast op 15%. De zorgkorting bedraagt dan € 126,- per maand (15% van de behoefte van € 849,-).

Omdat sprake is van een tekort van € 226,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de vader. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 12,- per maand (€ 126,- -/- € 114 (de helft van het tekort).

Het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bedraagt dan € 500,- per maand (€ 512,- -/- € 12,-).

Conclusie

De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de vader met ingang van 27 mei 2026 € 500,- per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan de moeder moet voldoen.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat voortaan aan de vader, gezamenlijk met de moeder, het gezag zal toekomen over de minderjarige kinderen:

*

bepaalt dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] elke zaterdag van 8 uur ’s ochtends tot 17 uur ’s middags bij de vader zullen zijn;

*

stelt vast dat de ouders, te weten:

[de moeder] , (de moeder)

wonende op [adres 1] ;

en

[de vader] , (de vader)

wonende op [adres 2] ;

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:

Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;

*

bepaalt de door de vader met ingang van 27 mei 2026 te betalen alimentatie voor de minderjarige [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , op € 500,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.P. de Klerk

Griffier

  • mr. R. Warmerdam

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand