Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 1 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.N. Baldew in Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 7 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Na de zitting heeft de rechtbank het bericht van 10 augustus 2026, met als bijlage het gespreksverslag van Veilig Thuis van 24 februari 2026, namens de vader ontvangen.
Feiten
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats 1] .
Verzoek en verweer
De vader verzoekt een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, in die zin dat [de minderjarige 1] bij de vader is:
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig te bepalen dat:
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
Beoordeling
Voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv
Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat haar zelfstandige verzoeken zijn bedoeld als voorlopige voorzieningen in de zin van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Op grond van het eerste lid van artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over dezelfde onderwerpen die in de voorlopige voorzieningenprocedure voorliggen, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.
Zorgregeling
Artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. Volgens lid 2 sub a van voornoemd artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of op verzoek van één van hen een zorgregeling vast. De rechtbank is er niet in geslaagd partijen te verenigen. De rechtbank neemt hierom een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. De vader had een relatie met [naam 2] (hierna: de partner). Uit hun relatie is [de minderjarige 2] geboren. De vader en de partner zijn daarna uit elkaar gegaan. Vervolgens kreeg de vader een relatie met de moeder in het begin van 2025 en raakte de moeder zwanger. Deze relatie is tijdens de zwangerschap van [de minderjarige 1] beëindigd. De vader heeft vervolgens weer een relatie met de partner gekregen. Op 10 februari 2026 zijn de vader en de partner gehuwd. Tijdens de zwangerschap van [de minderjarige 1] is de vader betrokken geweest bij de medische afspraken en ook tijdens de bevalling was de vader aanwezig. De twee weken na de bevalling was de vader betrokken bij de verzorging van [de minderjarige 1] . Daarna is er ruzie tussen de ouders ontstaan over de invulling van de zorgregeling en het introduceren van [de minderjarige 1] in het andere gezin van de vader. Dit heeft ertoe geleid dat de vader [de minderjarige 1] sinds 24 november 2026 niet meer heeft gezien. Veilig Thuis is betrokken bij het gezin en heeft de ouders geadviseerd om een hulpverleningstraject op te starten om een ouderschapsplan op te stellen.
Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij niet het contact tussen de vader en [de minderjarige 1] in de weg wil staan, maar dat zij het wel heel belangrijk vindt dat het contact op een veilige en passende wijze plaatsvindt. Daarbij heeft de moeder aangegeven dat zij in het verleden door de vader is mishandeld en dat zij inmiddels onder behandeling is van een GGZ-psycholoog. De vader betwist de beschuldigingen van de moeder. Daarnaast geeft de vader aan dat hij goed in staat is om voor [de minderjarige 1] te zorgen, omdat hij ook de zorg voor [de minderjarige 2] draagt en daarin geen problemen zijn. De vader is het met de moeder eens dat het contact met [de minderjarige 1] moet worden opgebouwd.
Verwijzing hulpverleningstraject
Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank op de zitting met de ouders gesproken over deelname aan een hulpverleningstraject om nadere afspraken te maken rondom de zorg voor [de minderjarige 1] en om mogelijk een ouderschapsplan op te stellen. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
Gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige 1] , het gegeven dat de omgang met de vader nog moet worden opgebouwd en het door de ouders te volgen traject, ziet de rechtbank aanleiding om nog geen eindbeschikking te wijzen en de definitieve beoordeling van de verzoeken aan te houden tot 1 juni 2027 pro forma. Hoewel de moeder heeft verzocht om een eindbeschikking te wijzen, acht de rechtbank een aanhouding ook toepasselijk omdat de moeder bij voorlopige voorzieningen een opbouwregeling heeft verzocht, met het idee dat de definitieve beslissing over de zorgregeling in een bodemprocedure zou volgen.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. De griffier van de rechtbank stuurt binnen één week na ontvangst van deze rapportage een afschrift van de beschikking en van de voor de beoordeling relevante processtukken aan de Raad. Aan de hand hiervan zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de stukken de rechtbank hierover te informeren en, als de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
De rechtbank zal in afwachting van het hulpverleningstraject de definitieve beslissing over de zorgregeling en ook de vakanties en feestdagen aanhouden.
Voorlopige zorgregeling
De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige 1] om voorlopig contact met zijn vader te hebben. Mede gelet op het na de zitting overgelegde verslag van Veilig Thuis acht de rechtbank het op dit moment veilig voor [de minderjarige 1] om contact te hebben met de vader. De rechtbank ziet geen reden waarom dit contact begeleid zou moeten worden. De omgang zal wel rustig moeten worden opgebouwd, aangezien [de minderjarige 1] nog erg jong is en hij de vader inmiddels negen maanden niet heeft gezien. De rechtbank zal een voorlopige zorgregeling vaststellen met een opbouw. Daarbij merkt de rechtbank op dat het voor jonge kinderen van belang is om meerdere contactmomenten per week van korte duur te hebben. De rechtbank acht daarom het voorstel van de moeder voor één keer per veertien dagen een contactmoment van maximaal één uur niet passend. Verder merkt de rechtbank op dat zij geen inzage heeft in de agenda's van de ouders en het ritme van [de minderjarige 1] . Als een andere dag of een ander tijdstip beter uitkomt, dan kunnen de ouders in onderling overleg afwijken van de door de rechtbank vastgestelde regeling. De definitieve zorgregeling kunnen de ouders bespreken in het hulpverleningstraject.
Op de zitting heeft de moeder verklaard dat zij niet wil dat de vader bij haar aan de deur komt. De rechtbank zal daarom vaststellen dat de overdracht voorlopig op een openbare plek zal plaatsvinden. De rechtbank zal vaststellen dat de overdracht bij [locatie] in Wassenaar (Dr. Mansveltkade/Katswijkseweg) zal plaatsvinden. Het staat de ouders uiteraard vrij om in onderling overleg een andere locatie af te spreken.
Daarnaast is met de ouders op de zitting gesproken over de mogelijkheid om per e-mail een ‘schriftje’ voor [de minderjarige 1] bij te houden, waarin zij kort weergeven hoe het met [de minderjarige 1] gaat, of er bijzonderheden zijn geweest in hun aanwezigheid en wanneer hij voor het laatst heeft gedronken, geslapen en/of een schone luier heeft gekregen. De rechtbank zal vaststellen dat de ouders op die manier zullen communiceren over dergelijke zaken. Het staat hen uiteraard vrij om gezamenlijk een ander medium hiervoor te kiezen zoals een ouderapp.
Religieuze, rituele of spirituele handelingen
Op de zitting heeft de vader nadrukkelijk vermeld dat hij [de minderjarige 1] alleen een rood bandje om zou willen doen zonder kralen. Gebleken is dat de moeder hiermee bekend is en daar geen problemen mee heeft, aangezien zij zelf ook zo’n bandje draagt. De rechtbank zal de verzoeken van de moeder hieromtrent daarom afwijzen.
Proceskosten
Nu de rechtbank de beslissing ten aanzien van de zorgregeling en de vakanties en feestdagen zal aanhouden, zal de rechtbank ook de beslissing over de proceskosten aanhouden.
Beslissing
De rechtbank:
*
wijst af het verzoek van de moeder tot het treffen van voorlopige voorzieningen;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader] ,
wonende op het [adres 1] ,
en
[de moeder] ,
wonende aan de [adres 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van deze beschikking, de rapportage en de relevante processtukken die na deze beschikking zijn ingekomen aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject na ontvangst van de brief van de rechtbank met de hiervoor genoemde stukken te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
bepaalt dat [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2025 in
[geboorteplaats 1] voorlopig bij de vader zal zijn:
waarbij de overdracht telkens zal plaatsvinden bij [locatie] in [adres 3] , tenzij ouders in onderling overleg een andere locatie bepalen;
*
bepaalt dat de ouders per e-mail een ‘schriftje’ voor [de minderjarige 1] bijhouden, waarin zij kort weergeven hoe het met [de minderjarige 1] gaat, of er bijzonderheden zijn geweest in hun aanwezigheid en wanneer hij voor het laatst heeft gedronken, geslapen en/of een schone luier heeft gekregen;
*
wijst af het verzoek van de moeder om de vader te verbieden religieuze, rituele of spirituele handelingen met of rondom [de minderjarige 1] te verrichten;
*
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de proceskosten aan tot 1 juni 2027 pro forma.