RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/4550
(gemachtigde: mr. D. Gahar),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de ambtshalve uitschrijving van verzoeker uit de Basisregistratie Personen (BRP). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Het bestreden besluit zal worden geschorst. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 9 juni 2026 heeft verweerder besloten verzoeker met ingang van 16 februari 2026 in de BRP uit te schrijven uit Nederland. Ook heeft verweerder op grond van de Wet BRP een boete van € 240,- opgelegd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
Achtergrond en besluitvorming
3. Verzoeker stond in de BRP ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] (hierna: BRP-adres). Verzoeker en zijn ex-partner zijn beide eigenaar van de woning op dit adres. De relatie is eind 2025 verbroken maar volgens verzoeker wonen zij beiden nog steeds in de woning. Er zijn afspraken gemaakt over de wijze van wonen en het dagelijks gebruik van de gezamenlijke woning. Op zitting heeft verzoeker toegelicht dat de woning vier verdiepingen heeft en dat hij op zolder op de bovenste verdieping woont en zijn ex-partner en thuiswonende zoon op de andere verdiepingen.
4. Op 16 februari 2026 heeft verweerder een melding ontvangen van verzoekers ex-partner dat hij niet meer op het BRP-adres zou wonen. In de melding staat dat verzoeker per 1 augustus 2025 woont op het adres [adres 2] in [plaats] . Dit zou het adres van zijn nieuwe vriendin zijn en hij zou op dat adres ook goederen laten bezorgen. De ex-partner van verzoeker heeft aan verweerder drie e-mails van bestellingen overgelegd die op naam staan van verzoeker en die zijn geleverd op het adres in [plaats] .
5. Naar aanleiding van de melding van de gemeente Amsterdam dat verzoeker mogelijk aan de [adres 2] in [plaats] zou verblijven, heeft de gemeente [plaats] op dat adres meerdere huisbezoeken afgelegd, waarbij verzoeker niet werd aangetroffen. Tijdens het huisbezoek op 7 mei 2026 werd verzoeker wel aangetroffen. Hij gaf aan niet de bewoner te zijn, maar een vriend van de bewoonster. Verzoeker weigerde verdere medewerking aan het onderzoek en wilde zich niet identificeren. De gemeente [plaats] heeft vervolgens het onderzoek afgerond wegens het niet meewerken aan het onderzoek en het uitblijven van verifieerbare gegevens over het feitelijk verblijf. De gemeente [plaats] heeft de gemeente Amsterdam vervolgens geadviseerd om verzoeker ambtshalve uit te schrijven.
6. Met het besluit van 9 juni 2026 heeft verweerder verzoeker uitgeschreven van zijn BRP-adres. Volgens verweerder is uit een woonadressenonderzoek gebleken dat hij niet op dit adres woont. Volgens verweerder zijn er aanwijzingen dat verzoeker op het adres in [plaats] verblijft en verzoeker heeft onvoldoende kunnen aantonen dat hij op het BRP-adres verblijft.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
7. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
8. Verzoeker voert in dat kader aan dat de uitschrijving in de BRP directe gevolgen voor hem heeft. Zo heeft zijn zorgverzekeraar de zorgverzekering beëindigd. Daardoor is hij niet langer verzekerd tegen kosten van ziekte. Daarnaast vraagt de Kamer van Koophandel om een nieuw vestigingsadres voor zijn drie bedrijven. Indien de drie bedrijven uit het handelsregister worden uitgeschreven, komt de continuïteit van zijn bedrijven ernstig in gevaar. Verder staat verzoeker bij de Belastingdienst nu geregistreerd zonder bekend adres, dit veroorzaakt problemen bij het doen van aangifte voor de omzetbelasting en inkomstenbelasting.
9. Op zitting heeft verzoeker aangegeven dat hij contact heeft gehad met zijn zorgverzekeraar over zijn situatie, maar dat zij hebben aangegeven dat hij zijn woonadres op korte termijn moet regelen anders verliest hij zijn recht op zorg. Naast ongeplande zorg, heeft verzoeker in ieder geval twee keer per jaar geplande zorg nodig wegens een medische aandoening. Verder heeft verweerder aangegeven dat er nog geen hoorzitting is gepland en dat er geen concreet zicht is op een beslissing op bezwaar. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gevolgen van het besluit zo ingrijpen op het leven van verzoeker dat het spoedeisend belang voldoende aanwezig is.
10. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
Toetsingskader
11. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het doel van de Wet BRP is dat de in de BRP vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat gebruikers van deze gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de BRP gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd.
12. In artikel 2.22 van de Wet BRP is bepaald dat indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte of wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg draagt voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland.
13. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moet bij de toepassing van de Wet BRP aan de hand van een geheel van waarneembare omstandigheden worden beoordeeld waar iemand woont, waarbij de plaats waar de betrokkene ’s nachts slaapt een grote betekenis kan hebben. Daarnaast volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het aan de betrokkene is om aannemelijk te maken dat hij op een bepaald adres woont als bij het college na adresonderzoek gerede twijfel kan bestaan of de betrokkene op dat adres woont.
Ambtshalve uitschrijving uit de BRP
14. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat de melding van de ex-partner van verzoeker, de bestellingen op naam van verzoeker op het adres in [plaats] en zijn aanwezigheid bij een huisbezoek op dat adres in beginsel gerede twijfel bij verweerder heeft kunnen oproepen of verzoeker wel op zijn BRP-adres woont. Verzoeker heeft echter altijd betwist dat het adres in [plaats] zijn nieuwe woonadres is en stelt dat hij woont op het BRP-adres en dat daar ook zijn persoonlijke bezittingen liggen. Verzoeker heeft daarbij ter zitting een aannemelijke verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid op het adres in [plaats] . Verzoeker verblijft daar af en toe bij een vriendin en heeft uit praktische overwegingen drie keer een pakketje op dat adres laten bezorgen, zodat hij zeker wist dat het in ontvangst zou worden genomen.
15. Ten aanzien van het huisbezoek in [plaats] overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker weliswaar daar is aangetroffen op 7 mei 2026 maar dat uit het dossier blijkt dat de toezichthouders meerdere huisbezoeken op het adres in [plaats] hebben afgelegd en dat verzoeker daarbij niet is aangetroffen. Dat verzoeker bij één van de meerdere controles op het adres in [plaats] is aangetroffen, is onvoldoende aanwijzing voor dat hij daar woonachtig zou zijn.
16. Verder heeft verzoeker, op verzoek van verweerder, bankafschriften overgelegd van de afgelopen maanden. Op basis van die bankafschriften kan echter niet worden vastgesteld waar verzoeker het merendeel van de tijd verblijft. Zoals verweerder op de zitting ook heeft erkend, zijn op de bankafschriften zowel transacties in Amsterdam als in [plaats] te zien.
17. De voorzieningenrechter is dan ook voorlopig van oordeel dat verweerder meer onderzoek had moeten doen en dat het adresonderzoek van verweerder onzorgvuldig is geweest. Daarbij is ook van belang dat verweerder geen huisbezoek heeft afgelegd op het BRP-adres. Verweerder had eenvoudig kunnen controleren of verzoeker ’s nachts op zijn BRP-adres verblijft door bijvoorbeeld huisbezoeken af te leggen in de vroege ochtend of de late avond. Verweerder heeft door dit na te laten onvoldoende gedaan om het, mogelijk aannemelijke, verhaal van verzoeker te controleren.
18. Tijdens de zitting heeft verweerder erkend dat zij de situatie onduidelijk vindt en dat verweerder dit in de bezwaarfase nog nader wil onderzoeken. Het had echter op de weg van verweerder gelegen om dit onderzoek vóór het bestreden besluit te verrichten. Er mag niet lichtvaardig tot uitschrijving uit de BRP worden overgegaan omdat de gevolgen daarvan voor de betrokkene aanzienlijk zijn.
19. De voorzieningenrechter is op basis van bovenstaande van oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en dat dat reden is om de voorlopige voorziening toe te wijzen.
Conclusie en gevolgen
20. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 9 juni 2026 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dit houdt in dat de uitschrijving van verzoeker uit de BRP met terugwerkende kracht tot de datum van de uitschrijving wordt hersteld, zodat hij vanaf de datum van uitschrijving weer staat ingeschreven in de BRP op het adres [adres 1] in Amsterdam.
21. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De uitschrijving van verzoeker uit de BRP moet met terugwerkende kracht tot de datum van de uitschrijving worden hersteld, zodat hij vanaf de datum van uitschrijving weer staat ingeschreven in de BRP;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: