RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-155100-26
Datum uitspraak: 22 oktober 2026
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 2 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 april 2026 door de Districtsrechtbank te Rijeka, Kroatië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Kroatië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting van 29 juli 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 29 juli 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Kroatische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak van 12 augustus 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit af te wachten op de vragen van het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) over de detentieomstandigheden in het kader van de toetsing aan artikel 11 OLW.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 8 september 2026
De behandeling van het EAB is - met instemming in gewijzigde samenstelling - voortgezet op de zitting van 8 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire en door een tolk in de Kroatische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tussenuitspraak van 22 september 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank met het oog op de toetsing aan artikel 11 OLW geformuleerde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 8 oktober 2026
De behandeling van het EAB is - met instemming in gewijzigde samenstelling - voortgezet op de zitting van 8 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. J.H. de Krijger, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire en door een tolk in de Kroatische taal.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Kroatische nationaliteit heeft.
3. De tussenuitspraak van 12 augustus 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder rechtsoverweging 3), de genoegzaamheid (onder rechtsoverweging 3.1), de weigeringsgrond van artikel 12 OLW (onder rechtsoverweging 4) en de strafbaarheid van het feit (onder rechtsoverweging 5). Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4. Artikel 11 OLW: Kroatische detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder rechtsoverweging 6 van de tussenuitspraak van 12 augustus 2026 en onder rechtsoverweging 4 van de tussenuitspraak van 22 september 2026. Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Het IRC heeft op 23 september 2026 de door de rechtbank in de tussenuitspraak van 22 september 2026 geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld.
Op 24 september 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierop als volgt geantwoord:
“Upon extradition to the Republic of Croatia, the convicted person will be transferred to the Zagreb Diagnostic Centre (which is not part of a remand prison). Should the convicted person file a request for the reopening of proceedings on the grounds that he was tried in absentia, I cite the relevant provision of the procedural law art.507. (5.) : "Once the decision granting the reopening of criminal proceedings becomes final, the execution of the sentence shall be stayed (stopped), and the court shall, upon the proposal of the State Attorney, order pre-trial detention if the conditions set forth in Article 123 of this Act are met.".
Taking into account all the information that follows from the file, i.e. as things stand now, there is no reason for the convict to be kept in the Zagreb remand center.
All other questions that you are posing in your recent letter (dated 23/09/2026) are already answered- please see a letter sent to you on 25/08/2026 in which you will find attached a letter from Zagreb Diagnostic Centre (…)
By this letter I find all of yours questions to be answered.”
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB, omdat het vastgestelde algemene gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling (artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) in the Zagreb Remand Center niet is weggenomen voor de opgeëiste persoon. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 24 september 2026 volgt dat de opgeëiste persoon in voorlopige hechtenis kan worden geplaatst nadat hij verzet heeft ingesteld. Het is niet duidelijk waar de opgeëiste persoon in dat geval wordt geplaatst. De passage ‘as things stand now, there is no reason for the convict to be kept in the Zagreb remand center’ ziet op de huidige positie van de opgeëiste persoon als veroordeelde in de executiefase. De mogelijkheid dat hij in the Zagreb Remand Center zal worden geplaatst, ontstaat wanneer de heropening van de procedure wordt toegewezen, de tenuitvoerlegging van de straf wordt stilgelegd en voorlopige hechtenis aan de orde komt. Er wordt geen garantie gegeven dat hij dan niet in the Zagreb Remand Center wordt gedetineerd. Bovendien wordt door de uitvaardigende justitiële autoriteit ook geen garantie gegeven dat de opgeëiste persoon, indien hij wél in the Zagreb Remand Center wordt geplaatst, over ten minste 3 m2 persoonlijke leefruimte (exclusief sanitaire voorzieningen) kan beschikken. Daarnaast vermeldt de aanvullende informatie nog het volgende: ‘By this letter I find all of yours questions to be answered’. Daarmee bestaat geen aanwijzing dat nog een aanvullende of verdergaande garantie zal volgen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Uit vaste jurisprudentie volgt dat uitsluitend de detentieomstandigheden moeten worden onderzocht in de eerste detentie-instelling waar een opgeëiste persoon zal worden gedetineerd. Het staat vast dat de opgeëiste persoon niet in the Zagreb Remand Center zal worden geplaatst, aangezien hij na overlevering naar the Zagreb Diagnostic Center zal worden overgebracht. Indien de opgeëiste persoon verzet instelt, zal de tenuitvoerlegging van de straf worden gestaakt en kan hij in voorlopige hechtenis worden geplaatst. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 24 september 2026 blijkt dat er op dit moment, gelet op alle informatie in het dossier, geen reden is dat de opgeëiste persoon in the Zagreb Remand Center zal worden geplaatst. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat hij hier zal worden geplaatst. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 31 augustus 2026 volgt bovendien dat de opgeëiste persoon zal beschikken over een persoonlijke leefruimte van ten minste 3 m2 (exclusief sanitaire voorzieningen) in de detentie-instelling waar hij wel zal worden gedetineerd.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op het arrest Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije) van het Hof van Justitie van de Europese Unie - ook wel het arrest ML genoemd -, dient de rechtbank uitsluitend de detentieomstandigheden te onderzoeken in de detentie-instelling(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis.
Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 24 september 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon, als ‘convicted person’, na overlevering zal worden overgebracht naar the Zagreb Diagnostic Center. Uit de eerder verstrekte aanvullende informatie van 30 juli 2026 is gebleken dat ‘The Zagreb Diagnostics Centre is not part of a remand prison, nor is pre-trial detention carried out there. It is a penal institution in which prisoners whose convictions are final and binding undergo a professional assessment in order to determine the conditions and program under which they are to continue serving their prison sentences.’
Het EAB vermeldt in onderdeel D), zoals de rechtbank in haar tussenuitspraak van
12 augustus 2026 (onder rechtsoverweging 4) ook heeft overwogen, dat de opgeëiste persoon nog de mogelijkheid heeft om verzet of hoger beroep aan te tekenen tegen de verstekveroordeling in eerste aanleg. Omdat de opgeëiste persoon in verzet of in hoger beroep kan gaan, is de veroordeling nog niet onherroepelijk.
Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 24 september 2026 blijkt verder dat, indien door de opgeëiste persoon verzet wordt ingesteld en de beslissing tot heropening van de procedure onherroepelijk is geworden, de tenuitvoerlegging van de straf zal worden stopgezet en de rechtbank zijn voorlopige hechtenis zal bevelen wanneer aan de voorwaarden van artikel 123 van het Kroatische Wetboek van Strafvordering is voldaan. Uit de voornoemde aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 30 juli 2026 volgt dat in the Zagreb Diagnostic Center geen voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd. Met de aanvullende informatie van 24 september 2026 wordt door de uitvaardigende justitiële autoriteit niet gegarandeerd dat, indien de opgeëiste persoon gebruikmaakt van de afgegeven verzetgarantie en hij verzet of hoger beroep instelt, hij gedurende die procedure niet wordt geplaatst in the Zagreb Remand Center. Uit die aanvullende informatie blijkt alleen dat, gelet op alle informatie in het dossier, op dit moment geen reden bestaat om ‘the convict’ in the Zagreb Remand Center te plaatsen. De rechtbank ziet hierin echter geen onvoorwaardelijke garantie dat de opgeëiste persoon niet in the Zagreb Remand Center zal worden geplaatst op het moment dat hij gebruikmaakt van de verstrekte verzetgarantie en verzet of hoger beroep instelt.
Nu onduidelijk is waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd op het moment dat hij gebruikmaakt van de verstrekte verzetgarantie en ook niet is uitgesloten dat dit in the Zagreb Remand Center zal zijn, bestaat er voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar dat hij in detentie in Kroatië onmenselijk of vernederend zal worden behandeld zoals bedoelde in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat voor de opgeëiste persoon, in geval van overlevering aan Kroatië, een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen.
Dit betekent ook dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW zal aanhouden. De rechtbank zal ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW bij de volgende zitting nagaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn.
Verlenging van de beslistermijn
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 25 oktober 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij de beslistermijn verlengen met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met 60 dagen.
5. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting in de periode tussen 21 november 2026 en 10 december 2026.
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid en onder c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend op 24 december 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Kroatische taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.