RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
parketnummer : 23-002345-23
v.i. nummer : 89-000281-58
raadkamernummer : 018191-26
datum beslissing : 25 augustus 2026
Beslissing van de raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) tegen de beslissing tot het uitstellen van de beslissing over het al dan niet verlenen van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) van:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] (Suriname),
woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadsvrouw mr. B.H. van der Zwan,
[adres] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.
1. Feiten en procesgang
De veroordeelde is bij arrest van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam van 9 april 2024 (in de zaak met parketnummer 23-002345-23) onder andere veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar, met aftrek van de tijd die de veroordeelde in voorarrest heeft doorgebracht. Deze veroordeling is op 24 april 2024 onherroepelijk geworden.
De tenuitvoerlegging van deze straf is met ingang van 24 april 2024 gestart.
Gelet op artikel 6:2:10 Sv kon de veroordeelde initieel op 9 augustus 2026 voor voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) in aanmerking komen. Daarbij zijn een strafrestant en een proeftijd van 730 dagen berekend.
Ten behoeve van het nemen van de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. zijn door de Centrale Voorziening v.i. (hierna: de CV v.i.) van het Openbaar Ministerie de benodigde adviesrapporten aangevraagd en verkregen (ex artikel 6:2:12 lid 2 Sv), te weten:
- een rapport van de directeur van [detentieplaats] van 27 maart 2026; en
- een rapport van Reclassering Nederland van 3 april 2026;
(hierna gezamenlijk te noemen: de v.i.-rapporten).
Bij beslissing van 15 juni 2026 heeft het Openbaar Ministerie de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. voor een periode van maximaal 150 dagen uitgesteld, te rekenen vanaf 9 augustus 2026 (ex artikel 6:2:13 lid 1 Sv) (hierna: de beslissing tot uitstel). De v.i.-rapporten liggen ten grondslag aan de beslissing tot uitstel.
De beslissing tot uitstel is op 19 juni 2026 aan de veroordeelde betekend.
Het bezwaarschrift van de veroordeelde tegen de beslissing tot uitstel van het Openbaar Ministerie is op 24 juni 2026 op de griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op 21 augustus 2026 zijn schriftelijk standpunt op voorhand kenbaar gemaakt.
In een e-mail van 24 augustus 2026 heeft de raadsvrouw de gronden voor indiening van het bezwaarschrift geconcretiseerd.
De veroordeelde en zijn raadsvrouw mr. B.H. van der Zwan (hierna: de raadsvrouw), en de officier van justitie mr. A. Kerkhoff (hierna: de officier van justitie) zijn op 25 augustus 2026 bij de behandeling van het bezwaarschrift in openbare raadkamer verschenen en gehoord. De raadsvrouw heeft pleitaantekeningen voorgedragen.
2. Het bezwaar
De veroordeelde kan zich niet verenigen met de disproportionele beslissing tot uitstel van de v.i. (voor een periode van 150 dagen) en stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie bij afweging van alle in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot deze beslissing heeft kunnen komen.
De raadsvrouw heeft namens de veroordeelde aangevoerd dat in de v.i.- rapporten – die aan de beslissing tot uitstel ten grondslag liggen – ten onrechte is gesteld dat door de weigerachtige en niet-meewerkende houding van de veroordeelde onvoldoende informatie beschikbaar is om in een v.i. kader met het stellen van voorwaarden het risico op recidive in te perken. De veroordeelde heeft gesprekken gevoerd met een psycholoog en is naar aanleiding daarvan recent aangemeld voor een behandeling bij [instelling] . Ook heeft de veroordeelde wel degelijk toestemming gegeven om referenten te raadplegen ten behoeve van het vinden van een passende woonplek. Dat de veroordeelde destijds in de onderhavige strafzaak zijn medewerking aan een onderzoek in het Pieter Baan Centrum (PBC) heeft geweigerd, kan de conclusie van de reclassering dat er geen inzicht kan worden verkregen in risicofactoren, niet dragen. De enkele terughoudendheid van de veroordeelde om uitgebreid in gesprek te gaan over het delict, kan niet worden gelijkgesteld met een algeheel gebrek aan bereidheid om medewerking te verlenen aan voorwaarden die het kader van een v.i. traject worden opgelegd.
Daarnaast heeft de raadsvrouw namens de veroordeelde aangevoerd dat de verstrekkende conclusie dat geen sprake zou zijn van een bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving moet worden genuanceerd. De reclassering vermeldt namelijk ook dat de veroordeelde gedurende zijn detentie over het algemeen positief gedrag heeft laten zien en actief zijn medewerking aan re-integratie doelen heeft verleend. De getoonde bereidheid om in een v.i. traject medewerking te verlenen aan een hulpverlenings- en begeleidingstraject staat haaks op de beslissing tot uitstel.
De veroordeelde heeft in raadkamer verklaard dat hij de beslissing tot uitstel van de v.i. onredelijk vindt, omdat de stelling dat hij onvoldoende zijn medewerking heeft verleend aan adviserende instanties ten behoeve van het opstellen van v.i.-rapporten op een misverstand berust. De veroordeelde heeft verklaard dat hij gemotiveerd is om in een v.i. kader met voorwaarden toe werken naar het verkrijgen van een stabiele leefsituatie buiten detentie. De veroordeelde heeft benadrukt dat met het behalen van meerdere basiscursussen en zijn recente aanmelding voor een behandeling bij [instelling] de eerste stappen voor succesvolle re-integratie zijn gezet. De veroordeelde wenst niet langer vast te zitten dan waartoe hij is veroordeeld.
In raadkamer is namens de veroordeelde verzocht het bezwaarschrift gegrond te verklaren en de veroordeelde onmiddellijk voorwaardelijk in vrijheid te stellen, dan wel te bepalen dat de veroordeelde binnen een afzienbare termijn voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld. Indien de rechtbank zal adviseren om aanvullende voorwaarden te stellen, zal de veroordeelde ook aan die voorwaarden zijn medewerking verlenen.
3. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard. Het Openbaar Ministerie heeft in redelijkheid tot de beslissing tot uitstel (met een termijn van 150 dagen) kunnen komen, omdat de veroordeelde onvoldoende zijn medewerking heeft verleend aan het opstellen van de v.i.-rapporten.
De officier van justitie vindt het noodzakelijk om de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. – in afwijkig van het advies van de reclassering – met een termijn van 150 dagen dagen uit te stellen, om de reclassering voldoende gelegenheid te geven om met het stellen van voorwaarden het risico op recidive in te perken, om uiteindelijk een succesvolle re-integratie te bewerkstelligen.
4. Beoordeling
Volgens de v.i.-regeling geldt als uitgangspunt dat een veroordeelde, als is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:2:10 Sv, voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld na het ondergaan van het in dit artikel omschreven deel van de gevangenisstraf. Het Openbaar Ministerie kan op basis van artikel 6:2:13 lid 1 Sv beslissen de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. uit te stellen.
De wet bepaalt in artikel 6:2:10 lid 3 sub a Sv dat de veroordeelde met zijn gedrag tijdens detentie bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving moet hebben laten zien om voor v.i. in aanmerking te komen. Met andere woorden: met positief gedrag kan de veroordeelde v.i. verdienen. Daarnaast dient op grond van het bepaalde in artikel 6:2:10 lid 3 sub b Sv te worden beoordeeld of binnen een v.i. kader met het stellen van voorwaarden mogelijkheden bestaan om het risico’s te beperken en beheersen.
De rechtbank onderzoekt bij bezwaar tegen een beslissing tot uitstel van de v.i. of het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen die op dat moment aan de orde waren in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen (ex artikel 6:6:9 Sv). Het is dus niet aan de rechtbank om tot een geheel nieuwe afweging van de betrokken belangen te komen. Zij beoordeelt alleen of het Openbaar Ministerie in zijn afweging van de betrokken belangen die op dat moment bekend waren of hadden kunnen zijn tot een redelijke beslissing heeft kunnen komen, een zogeheten marginale toets.
De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing tot uitstel heeft kunnen komen. Zij overweegt daartoe het volgende.
Uit de v.i. rapporten komt weliswaar naar voren dat de veroordeelde gedurende detentie overwegend positief gedrag heeft vertoond, maar ook dat de veroordeelde aanvankelijk onvoldoende zijn medewerking heeft verleend aan onderzoeken die nodig zijn om inzicht te krijgen in risico’s. Die medewerking is noodzakelijk om te bepalen welke voorwaarden nodig zijn om (recidive)risico’s in te perken en te beheersen.
Pas bij de bespreking van het adviesrapport van de reclassering op 3 april 2026 is bij de veroordeelde het besef ontstaan welke medewerking van hem wordt verwacht om in aanmerking te komen voor een v.i. traject met voorwaarden. Het is positief te noemen dat de veroordeelde zich nadien bereidwillig heeft opgesteld. De veroordeelde is recent alsnog met een psycholoog in gesprek gegaan en hij is aangemeld bij [instelling] voor het volgen van een behandeling. In raadkamer heeft de veroordeelde kenbaar gemaakt dat hij wél toestemming geeft om referenten te raadplegen, zodat de reclassering de door de veroordeelde opgegeven verblijfplaatsen op geschiktheid kan beoordelen.
Het Openbaar Ministerie heeft op 15 juni 2026 in redelijkheid tot zijn beslissing tot uitstel kunnen komen, omdat op dat moment onvoldoende informatie beschikbaar was om voorwaarden te bepalen die noodzakelijk zijn om (recidive)risico’s in te perken en te beheersen. Het tijdsbestek tussen de gewijzigde bereidheid van de veroordeelde om zijn medewerking te verlenen (vanaf 3 april 2026) en de initiële v.i. datum (9 augustus 2026) was immers te kort om aanvullende v.i.-rapporten op te stellen ten behoeve van het bepalen van voorwaarden. Bovendien is pas in raadkamer kenbaar geworden dat de veroordeelde wél zijn toestemming geeft om referenten te raadplegen voor het vinden van een passende woonplek. Passende huisvesting is een noodzakelijke voorwaarde om binnen een v.i.-kader toe te werken naar een (veilige) terugkeer in de samenleving. De rechtbank zal het bezwaar in zoverre ongegrond verklaren.
Daarentegen is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie de positieve gedragsverandering van de veroordeelde na 3 april 2026 bij het bepalen van de duur van het uitstel (150 dagen) onvoldoende heeft meegenomen in zijn afweging van de betrokken belangen. Op grond van de informatie die op 15 juni 2026 beschikbaar was, zou het redelijk zijn geweest de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. niet langer dan drie maanden (90 dagen) uit te stellen, zoals door de reclassering is geadviseerd. Het bezwaar is, voor zover dit ziet op de termijn, gegrond.
5. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het bezwaar ongegrond voor zover dit ziet op de beslissing om de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. uit stellen;
- verklaart het bezwaar gegrond voor zover dit ziet op de termijn die aan de beslissing tot uitstel is verbonden en beperkt de termijn om een beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. te nemen tot een periode van 90 dagen, te rekenen vanaf de initieel bepaalde v.i. datum van 9 augustus 2026. Het Openbaar Ministerie dient uiterlijk op 6 november 2026 (90 dagen na 9 augustus 2026) een beslissing te nemen over het al dan niet verlenen van v.i. en hierbij eventueel te stellen voorwaarden.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. B.C. Langendoen, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en H.H.J. Zevenhuijzen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.