ECLI:NL:RBAMS:2026:10379

ECLI:NL:RBAMS:2026:10379

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 22-10-2026
Zaaknummer C/13/779666 / HA ZA 25-1775
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Eiseres vordert een verklaring voor recht dat zij geen geld aan ABN AMRO verschuldigd is, ook niet ter zake van een in 1995 door haar inmiddels overleden echtgenoot afgesloten geldleningsovereenkomst, en terugbetaling van EUR 70.816,77 aan onverschuldigd betaalde rentebetalingen. De vorderingen van eiseres worden afgewezen, omdat zij niet heeft aangetoond dat de betreffende geldleningsovereenkomst in 1995 niet is afgesloten en de rentebetalingen (dus) onverschuldigd zijn verricht

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/779666 / HA ZA 25-1775

Vonnis van 30 september 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

wonend in [woonplaats] ,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. Q.J. van Riet,

tegen

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd in Amsterdam,

gedaagde,

hierna te noemen: ABN AMRO,

advocaat: mr. I.P.M. Schreven.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 november 2025 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- het tussenvonnis van 6 mei 2026;

- de akte overlegging producties van [eiseres] , ingekomen op 11 augustus 2026; en

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2. De feiten

[eiseres] was gehuwd met [naam] ( [naam] ). [naam] is op 14 juni 1998 overleden. Uit het huwelijk van [eiseres] en [naam] zijn drie kinderen voortgekomen.

[naam] heeft in 1977 bij (een rechtsvoorganger van) ABN AMRO een hypothecaire geldlening van fl. 150.000,00 afgesloten.

ABN AMRO heeft [naam] bij offerte van 23 maart 1995 een aanbod gedaan voor een nieuwe hypothecaire geldlening van fl. 150.000,00, met een looptijd van 20 jaar en een rentepercentage van 7,6% per jaar. In de offerte is te lezen dat de hypotheekakte uiterlijk op 23 mei 1995 wordt gepasseerd en dat bij overschrijding van deze datum aan de offerte geen rechten kunnen worden ontleend. Ook staat in de offerte, onder ‘bijzondere bepalingen’, het volgende:

“De hypotheekgelden worden circa 14 dagen, nadat wij de door u getekende onderhandse akte van geldlening terug hebben ontvangen, uitbetaald. Uit deze hypothecaire geldlening zullen de huidige geldleningen onder nummers [nummer 1] en [nummer 2] worden afgelost.”

In de administratie van ABN AMRO bevindt zich een kopie van een akte van geldlening met daarop de handtekening van [naam] , gedateerd op 7 juli 1995. Bovenaan de akte is het volgende nummer vermeld: [nummer 3] . In de akte is onder meer bepaald:

“in aanmerking nemende:- dat de Schuldenaar de dato 07.07.1995 van de Bank heeft ter leen ontvangen een bedrag ad. f 150.000 (zegge: éénhonderdvijftigduizend gulden) welk bedrag de schuldenaar erkent ontvangen te hebben en hoofdelijk schuldig te zijn aan de Bank,

- dat de Schuldenaar, als zekerheid voor al hetgeen hij nu of te eniger tijd aan de Bank verschuldigd mocht blijken te zijn, een hypothecaire inschrijving ad. f 150.000,00 (zegge: éénhonderdvijftigduizend gulden) in hoofdsom aan de Bank heeft verleend op: (het perceel van [naam] , rb)

(…)

De vanaf heden door de schuldenaar aan de Bank te betalen rente bedraagt 7,6% per jaar.

(…)De geldlening dient op de eerste dag van de kalendermaand volgend 20 jaar na de ingangsdatum van deze akte in zijn geheel te worden afgelost.”

ABN AMRO heeft [naam] bij brief van 10 oktober 1995 als volgt bericht:

“Conform afspraak heeft per 1 oktober jongstleden algehele aflossing plaatsgevonden van de 20-jarige lening.Mede hierdoor is er thans op uw rekening courant een debetstand ontstaan.

Wij vertrouwen erop dat u uw toezegging het saldo tekort te vereffenen op zeer korte termijn gestand zult doen.

Zonder tegenbericht uwerzijds gaan wij ervan uit dat de debetstand, thans groot f 13.580,87, uiterlijk 20 oktober aanstaande is ingelost.”

Van oktober 1995 tot en met maart 1998 heeft ABN AMRO door middel van een automatische incasso maandelijks rentebetalingen afgeschreven van een bankrekening op naam van [naam] . Nadat de incasso’s in april en mei 1998 niet waren geslaagd, is op 8 juni 1998, zes dagen vóór het overlijden van [naam] , vanaf de bankrekening van [naam] handmatig een bedrag gelijk aan drie maandelijkse rentebetalingen overgemaakt naar ABN AMRO, met als omschrijving “[nummer 3] ”.

Vervolgens heeft [eiseres] van juli 1998 tot en met januari 2008 vanaf de bankrekening van [naam] maandelijks via handmatige overschrijvingen rentebetalingen voldaan aan ABN AMRO, met daarbij de omschrijving “[nummer 3] ”.

Van februari 2008 tot en met oktober 2016 heeft [eiseres] vanaf een bankrekening op haar eigen naam maandelijks via handmatige overschrijvingen rentebetalingen aan ABN AMRO voldaan, met daarbij in veel gevallen als omschrijving ‘HYP’, gevolgd door een maandnummer, en weer het nummer ‘[nummer 3] ’.

[eiseres] heeft in 2017 met ABN AMRO contact gehad over de mogelijkheid tot verlenging van een hypotheeklening. In een afspraakbevestiging van ABN AMRO van 30 oktober 2017 is het volgende te lezen:

“De reden van uw afspraak: De looptijd van de hypotheek is verstreken en de looptijd moet verlengd worden. Daarnaast twijfels mevrouw erg aan de hoogte van de hypotheek. In de periode 1977 – 1996 zou er jaarlijks NLG 5.000 afgelost zijn, maar hier is tijdens het klachtonderzoek niets van terug gevonden. (…) te vinden op hypotheeknummer [nummer 3] .”

In 2020 is [eiseres] gestopt met het voldoen van maandelijkse rentebetalingen en heeft zij een advocaat in de arm genomen. Deze advocaat heeft ABN AMRO per e-mail van 24 augustus 2021, onder verwijzing naar de brief van ABN AMRO van 10 oktober 1995 (zie 2.5 hiervoor), bericht dat de geldlening van [naam] in 1995 volledig was afgelost en [eiseres] sinds het overlijden van [naam] in 1998 onverschuldigd rentebetalingen aan ABN AMRO heeft voldaan.

[eiseres] heeft in juli en september 2022 bedragen van respectievelijk € 2.339,26 en € 309,16 aan ABN AMRO overgeboekt.

Op verzoek van twee van de drie kinderen van [eiseres] , heeft de rechtbank Limburg bij beschikking van 10 januari 2024 een vereffenaar van de nalatenschap van [naam] benoemd.

De rechtbank Limburg heeft deze zelfde persoon bij beschikking van 27 mei 2025 ook benoemd tot vereffenaar van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen [eiseres] en [naam] .

[eiseres] heeft in 2025 nog enkele betalingen aan ABN AMRO gedaan, met daarbij als omschrijving “betaling onder protest en onder voorbehoud van rechten”.

3. Het geschil

[eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht verklaart dat zij geen geld aan ABN AMRO verschuldigd is, ook niet ter zake van een in 1995 door [naam] met ABN AMRO afgesloten geldleningsovereenkomst;

ABN AMRO veroordeelt om aan haar € 70.816,77 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

met veroordeling van ABN AMRO in de proceskosten.

[eiseres] legt aan deze vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. De gestelde geldleningsovereenkomst tussen ABN AMRO en [naam] uit 1995 bestaat niet. Ondanks dat [eiseres] ABN AMRO meerdere keren heeft verzocht om de originele akte van deze geldleningsovereenkomst aan haar te verstrekken, is ABN AMRO daartoe niet bereid of in staat gebleken. ABN AMRO heeft wel een kopie van een akte van geldlening verstrekt, maar dat is onvoldoende. De kracht van schriftelijk bewijs ligt namelijk in de oorspronkelijke akte. ABN AMRO heeft ook niet aangetoond dat zij de gelden van de lening daadwerkelijk beschikbaar heeft gesteld. [eiseres] kan zich dit niet herinneren en heeft het hier nooit over gehad met [naam] . [eiseres] kan dan ook niet anders concluderen dan dat ABN AMRO de akte van geldlening zelf heeft gefabriceerd. Dit wordt bevestigd doordat het rentepercentage in de door ABN AMRO gedeelde (kopie van een) akte afwijkt van het rentepercentage in een historisch overzicht van rentepercentages dat ABN AMRO ook aan haar heeft verstrekt. Verder blijkt uit een door [eiseres] overgelegde afsprakenkaart van [naam] dat hij op 7 juli 1995 een ziekenhuisafspraak voor een MRI-scan in [plaats] had, waardoor [naam] deze akte die dag niet kan hebben ondertekend. Bovendien volgt uit de brief van ABN AMRO aan [naam] van 1 augustus 1995 dat “de 20-jarige geldlening algeheel is afgelost”. Aldus heeft ABN AMRO de gestelde geldlening niet aan [naam] verstrekt, dan wel heeft [naam] deze volledig afgelost, en is [eiseres] niets meer aan ABN AMRO verschuldigd. Zij heeft van juli 1998 tot en met september 2025 onverschuldigd opgeteld € 70.816,77 aan rentebetalingen aan ABN AMRO voldaan en dient dit bedrag terug te krijgen.

ABN AMRO voert verweer. Zij stelt zich kort gezegd op het standpunt dat de geldleningsovereenkomst met [naam] op 7 juli 1995 tot stand is gekomen. De originele akte van geldlening is weliswaar verloren gegaan, maar dat betekent niet dat de kopie in de administratie van ABN AMRO geen enkele bewijskracht heeft. Deze kopie heeft namelijk vrije bewijskracht. [naam] heeft in de akte van geldlening zelf verklaard dat hij een bedrag van fl. 150.000,00 van ABN AMRO te leen heeft ontvangen en dit bedrag aan ABN AMRO verschuldigd is. Voor zover [naam] op 7 juli 1995 een ziekenhuisafspraak voor een MRI-scan in [plaats] had, betekent dat niet dat hij de akte van geldlening die dag niet heeft kunnen ondertekenen. Een ziekenhuisafspraak voor een MRI-scan duurt immers niet de hele dag. Ook hebben [naam] en [eiseres] van 1995 tot en met 2020 – 25 jaar lang – uitvoering gegeven aan de geldleningsovereenkomst door maandelijks rentebetalingen aan ABN AMRO te voldoen. In eerste instantie ging dat door middel van een automatische incasso en vanaf 1998 handmatig. Het rentepercentage in het historisch overzicht waarop [eiseres] zich beroept, is onjuist en vormt geen aanwijzing voor het standpunt dat [naam] de geldlening niet is aangegaan. De brief van ABN AMRO van 1 augustus 1995 heeft betrekking op de oorspronkelijke geldlening uit 1977 en niet op de geldlening uit 1995. Kortom: de geldleningsovereenkomst met [naam] is wel degelijk tot stand gekomen. Als de rechtbank, ondanks het voorgaande, oordeelt dat deze geldleningsovereenkomst niet tot stand is gekomen, moeten de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen omdat zij haar klachtplicht heeft geschonden en haar rechten heeft verwerkt. Voor de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling geldt bovendien dat deze inmiddels is verjaard.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Tussen partijen is in geschil of tussen [naam] en ABN AMRO in 1995 een geldleningsovereenkomst is gesloten. [eiseres] vordert in dit verband een verklaring voor recht en terugbetaling van € 70.816,77 aan rentebetalingen, zodat op haar de stelplicht en zo nodig de bewijslast rust van haar stelling dat deze geldleningsovereenkomst destijds niet tot stand is gekomen. Zij wijst in dit verband op diverse omstandigheden, waaronder dat ABN AMRO geen originele akte van geldlening heeft verstrekt, [naam] op de bewuste dag in 1995 een ziekenhuisafspraak had in [plaats] en het bedrag van fl. 150.000,00 nooit aan [naam] beschikbaar is gesteld. ABN AMRO voert hiertegen onder andere aan dat de kopie van de akte van geldlening vrije bewijskracht heeft, de gestelde ziekenhuisafspraak niet meebrengt dat [naam] de akte van geldlening niet heeft ondertekend, en dat [naam] de kredietfaciliteit uit 1977 in 1995 heeft laten omzetten in een woninghypotheek en dat het geleende bedrag van fl. 150.000,-- in dat kader is aangewend om het krediet uit 1977 af te lossen. ABN AMRO wijst bovendien op het feit dat [naam] van 1995 tot 1998, en [eiseres] vervolgens van 1998 tot en met 2020, maandelijks rentebetalingen hebben voldaan en daarmee twintig jaar lang uitvoering hebben gegeven aan de geldleningsovereenkomst.

Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden. Zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen, waarbij ook gedragingen van partijen na het sluiten van de in geschil zijnde overeenkomst van belang kunnen zijn voor de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] niet gevolgd kan worden in haar standpunt dat de geldleningsovereenkomst waarop ABN AMRO zich tegenover haar beroept niet tot stand is gekomen. De rechtbank acht hiervoor het volgende van belang.

Om te beginnen heeft ABN AMRO een interne notitie overgelegd, waaruit volgt dat [naam] zich in 1995 tot ABN AMRO heeft gewend met het verzoek om een hypothecaire geldlening van fl. 150.000,00 met een looptijd van 20 jaar en een rentepercentage van 7,6% per jaar af te sluiten. Deze gegevens komen overeen met de vervolgens aan [naam] verstrekte offerte van 23 maart 1995, waarvan [eiseres] de ontvangst en authenticiteit niet betwist. Niet in geschil is verder dat [naam] op dat moment al een hypothecaire lening had bij ABN AMRO, voor hetzelfde bedrag. In de offerte staat dat de “huidige geldleningen onder nummers [nummer 1] en [nummer 2] ” met de hypothecaire geldlening zullen worden afgelost. ABN AMRO heeft verder een kopie van een door [naam] ondertekende akte van geldlening, gedateerd op 7 juli 1995, overgelegd met daarin ook een hoofdsom van fl. 150.000,00, een looptijd van 20 jaar en een rentepercentage van 7,6% per jaar. [eiseres] heeft weliswaar gesteld dat ABN AMRO dit document zelf heeft gefabriceerd, maar de rechtbank acht deze stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting van ABN AMRO tegen voornoemde omstandigheden en de hierna te bespreken door [naam] en [eiseres] verrichte betalingen onder de geldlening onvoldoende onderbouwd. De meer concrete stelling van [eiseres] dat de gestelde ziekenhuisafspraak van [naam] eraan in de weg stond dat [naam] de akte heeft ondertekend, volgt de rechtbank in ieder geval niet. Voorzover dit daadwerkelijk de afsprakenkaart van [naam] is, wat ABN AMRO bestrijdt, heeft ABN AMRO er terecht op gewezen dat een MRI-scan doorgaans maximaal een uur duurt.

De rechtbank acht verder van belang dat [naam] in de periode van 1995 tot en met 1998 maandelijks rentebetalingen aan ABN AMRO heeft voldaan en [eiseres] deze betalingen daarna heeft voortgezet tot en met 2020. Daarbij is steeds het kenmerk van de bewuste geldlening vermeld. Hiermee is gedurende 15 jaar actief uitvoering gegeven aan de geldleningsovereenkomst. De verklaring van [eiseres] op zitting dat zij deze rentebetalingen onder dwang van ABN AMRO heeft verricht, vindt geen steun in de feiten. [eiseres] heeft de rentebetalingen meer dan twintig jaar maandelijks handmatig verricht onder vermelding van de naam ‘ [naam] ’ en het nummer ‘ [nummer 3] ’ en zich pas in 2021 – na het inschakelen van een advocaat – op het standpunt gesteld dat zij geen geld aan ABN AMRO verschuldigd is en de rentebetalingen al die tijd onverschuldigd aan ABN AMRO heeft voldaan. Hierna, in 2022, heeft zij vervolgens nog enkele betalingen gedaan met in de omschrijving de tekst ‘onder protest en onder voorbehoud van rechten’. Dat zij de betalingen daarvoor onder dwang heeft verricht, blijkt nergens uit en heeft zij onvoldoende toegelicht. De rechtbank wijst in dit verband overigens ook op de door [eiseres] zelf overgelegde afspraakbevestiging van ABN AMRO van 30 oktober 2017, waarin staat dat de aanleiding voor die afspraak was om de geldlening onder nummer [nummer 3] te verlengen en de hoogte daarvan ter discussie te stellen. Het standpunt van [eiseres] dat [naam] de geldleningsovereenkomst in 1995 in het geheel niet is aangegaan, acht de rechtbank ook in dit licht ongeloofwaardig.

De stelling van [eiseres] dat ABN AMRO het bedrag van fl. 150.000,00 nooit feitelijk aan [naam] beschikbaar heeft gesteld en daarom geen sprake kon zijn van een geldlening, stuit ook af op het bovenstaande. Onbeantwoord blijft dan waarom [eiseres] al die tijd hier wel actief uitvoering aan heeft gegeven. Verder geldt ten aanzien van deze stelling nog het volgende. Uit de offerte van ABN AMRO aan [naam] van 23 maart 1995 blijkt dat de geldlening zou worden aangewend om de bestaande geldleningen van [naam] af te lossen. ABN AMRO heeft toegelicht dat het ging om een verzoek tot omzetting van een hypothecaire kredietfaciliteit in een woninghypotheek en dat zij de hoofdsom van fl. 150.000,00 daarom niet op de bankrekening van [naam] heeft gestort. Het bedrag is meteen gebruikt ter aflossing van de oude faciliteit. Naar het oordeel van de rechtbank vindt deze uitleg van ABN AMRO steun in haar brief aan [naam] van 10 oktober 1995, waarin staat dat “algehele aflossing van de 20-jarige lening” per 1 oktober 1995 heeft plaatsgevonden. Deze brief vormt om deze reden ook geen aanknopingspunt voor het standpunt dat [naam] de geldlening in 1995 niet is aangegaan of, het subsidiaire standpunt van [eiseres] , dat jaar volledig heeft afgelost. [eiseres] heeft verder gewezen op een bankafschrift van een rekening van [naam] van 1 oktober 1995, waaruit volgt dat op die datum een lening van fl. 100.000,00 is afgelost en niet, zoals ABN AMRO stelt, een lening van fl. 150.000,00 is afgelost. Dit maakt het voorgaande niet anders, omdat uit de offerte van ABN AMRO aan [naam] van 23 maart 1995 blijkt dat de geldlening zou worden aangewend om “de huidige geldleningen onder nummers [nummer 1] en [nummer 2] ” af te lossen, terwijl de door [eiseres] genoemde aflossing (alleen) betrekking heeft op een lening met nummer [nummer 2] , zo blijkt uit het bankafschrift. Hoewel op basis van de overgelegde stukken voor de rechtbank niet geheel duidelijk is geworden hoe de aflossing van de geldlening(en) in 1995 precies heeft plaatsgevonden, kan uit het betreffende bankafschrift in elk geval niet de conclusie worden getrokken dat [naam] een lening van slechts fl.100.000,00 is aangegaan.

De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat niet is gebleken dat de geldleningsovereenkomst tussen [naam] en ABN AMRO in 1995 niet tot stand is gekomen dan wel dat [naam] deze in 1995 volledig heeft afgelost. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen. In het verlengde hiervan is evenmin gebleken dat [eiseres] de rentebetalingen aan ABN AMRO onverschuldigd heeft voldaan, zodat haar vordering tot terugbetaling daarvan ook wordt afgewezen.

[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ABN AMRO worden begroot op:

- griffierecht

€

2.995,00

- salaris advocaat

€

2.580,00

(2 punten × € 1.290,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

5.764,00

5. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van [eiseres] af,

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 5.764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. de Groot, rechter, bijgestaan door W.B. Fonville, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.P.F. de Groot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand