ECLI:NL:RBAMS:2026:10377

ECLI:NL:RBAMS:2026:10377

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 22-10-2026
Zaaknummer C/13/784260 / HA RK 26-70
Rechtsgebied Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verzoek om heropening van de vereffening van [ verweerders ] c.s. en benoeming van een vereffenaar als bedoeld in artikel 2:23c BW. [ verzoekers ] c.s. verzoeken de rechtbank om de vereffening van [ verweerders ] c.s. te heropenen en een vereffenaar te benoemen, omdat zij hun gestelde vordering op deze vennootschappen wensen te verhalen en volgens hen is gebleken van een bate. [ verzoekers ] c.s. stellen dat sprake is van een bate, omdat [ verweerder 1 ] en [ belanghebbende ] zich als (indirect) bestuurders schuldig hebben gemaakt aan wanbeleid en in dat verband jegens [ verweerders ] c.s. schadeplichtig zijn. [ verweerders ] c.s. betwisten zowel de gestelde vordering van [ verzoekers ] c.s. op [ bedrijven ] c.s. als het bestaan van een bate. [ verweerders ] c.s. verzoeken om [ verzoekers ] c.s. in hun verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel hun verzoek af te wijzen. De rechtbank dient te beoordelen of [ verzoekers ] c.s. ontvankelijk zijn in hun verzoek en, als dat het geval is, of de door [ verzoekers ] c.s. gestelde vordering en bate voldoende aannemelijk zijn om toewijzing van hun verzoek te rechtvaardigen. De rechtbank verklaart [ verzoekers ] c.s. in hun verzoek ontvankelijk, omdat de door [ verweerders ] c.s. gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweren niet slagen. De rechtbank oordeelt ook dat [ verzoekers ] c.s. hun gestelde vordering en het bestaan van een bate voldoende aannemelijk hebben gemaakt om toewijzing van hun verzoek te rechtvaardigen. De rechtbank zal de vereffening van [ bedrijven ] c.s. dan ook heropenen en een vereffenaar benoemen. Gelet op de aanleiding van dit verzoek en de rol van [ verweerder 1 ] en [ betrokkene ] bij de turboliquidaties, zal de rechtbank een onafhankelijke vereffenaar benoemen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer / rekestnummer: C/13/784260 / HA RK 26-70

Beschikking van 1 oktober 2026

in de zaak van

1. [verzoeker 1] ,

wonend in [woonplaats 1] ,2. [verzoeker 2],

wonend in [woonplaats 2] ,

hierna samen te noemen: [verzoekers] ,

verzoekers,

advocaat: mr. R.N.E. Visser ,

tegen

1. [verweerder 1] ,

met onbekende woon- of verblijfplaats,

hierna te noemen: [verweerder 1] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[verweerder 2] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,

hierna te noemen: [verweerder 2] en samen met [verweerder 1] , [verweerders] ,

verweerders,

advocaat: [verweerder 1] ,

tot heropening van de vereffening van

1. de ontbonden vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[bedrijf 1] B.V.,

voorheen gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,

2. de ontbonden vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[bedrijf 2] B.V.,

voorheen gevestigd in [vestigingsplaats 3] ,

3. de ontbonden vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[bedrijf 3] B.V.,

voorheen gevestigd in [vestigingsplaats 4] ,

hierna samen te noemen: [bedrijven] ,

en als belanghebbende

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats 3] (gemeente [gemeente] ),

hierna te noemen: [belanghebbende] .

1. De zaak in het kort

[verzoekers] verzoeken om heropening van de vereffening van [bedrijven] en benoeming van een vereffenaar als bedoeld in artikel 2:23c van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit verzoek speelt tegen de achtergrond van een langlopend geschil tussen [verzoekers] enerzijds en [bedrijven] en [verweerder 1] anderzijds, waarvan de oorsprong ligt in de gang van zaken na het overlijden van [naam 1] in 2013, van wie [verzoekers] de erfgenamen zijn.

[naam 1] was arts en heeft in het verleden medische advieswerkzaamheden verricht in letselschadezaken die werden behandeld door advocaten van [bedrijven] , waaronder [verweerder 1] . [verzoekers] betogen dat [bedrijven] en [verweerder 1] een deel van de door [naam 1] verrichte werkzaamheden ten onrechte onbetaald hebben gelaten, althans voor [naam 1] bestemde gelden ten onrechte niet hebben doorbetaald. [bedrijven] en [verweerder 1] betwisten dit. Sinds het overlijden van [naam 1] hebben [verzoekers] over deze kwestie al meerdere procedures aanhangig gemaakt. Het gerechtshof Amsterdam heeft [verweerder 1] bij arrest van 8 juni 2021 veroordeeld om over elf dossiers waarin [naam 1] advieswerkzaamheden had verricht bepaalde vragen te beantwoorden en deze antwoorden aan [verzoekers] te verstrekken. [verweerder 1] heeft niet aan deze veroordeling voldaan. [verzoekers] hebben vervolgens conservatoir bewijsbeslag laten leggen op de betreffende dossiers en bij deze rechtbank een procedure aanhangig gemaakt om daarin inzage te krijgen en alsnog antwoorden te krijgen op de door het gerechtshof Amsterdam geformuleerde vragen. Deze rechtbank heeft bij vonnis van 28 februari 2024 beslist dat de Deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten, of een derde onder diens verantwoordelijkheid, inzage zou krijgen in de beslagen bescheiden en de vragen in het arrest van het gerechtshof Amsterdam alsnog zou beantwoorden. De Deken heeft voor deze opdracht mr. [naam 2] ingeschakeld die op 25 oktober 2024 op basis van de inbeslaggenomen bescheiden een rapport van bevindingen heeft uitgebracht. [verzoekers] stellen dat uit dit rapport blijkt dat [bedrijven] en [verweerder 1] (minimaal) € 297.026 aan hen verschuldigd zijn en hebben op 8 augustus 2025 bij de rechtbank Noord-Nederland een nieuwe procedure tegen hen aanhangig gemaakt om dit bedrag voldaan te krijgen. Kort hiervoor, in juni en juli 2025, hebben [verweerder 1] en [belanghebbende] . [bedrijven] ontbonden door middel van turboliquidatie. De rechtbank Noord-Nederland heeft een tussenvonnis gewezen en haar verdere beslissingen in die procedure aangehouden in afwachting van de onderhavige heropeningsprocedure.

[verzoekers] verzoeken de rechtbank om de vereffening van [bedrijven] te heropenen en een vereffenaar te benoemen, omdat zij hun gestelde vordering op deze vennootschappen wensen te verhalen en volgens hen is gebleken van een bate. [verzoekers] stellen dat sprake is van een bate, omdat [verweerder 1] en [belanghebbende] . zich als (indirect) bestuurders schuldig hebben gemaakt aan wanbeleid en in dat verband jegens [bedrijven] schadeplichtig zijn. [verweerders] betwisten zowel de gestelde vordering van [verzoekers] op [bedrijven] als het bestaan van een bate. Zij betogen dat deze rechtbank en het gerechtshof Amsterdam de gestelde vordering van [verzoekers] al hebben afgewezen en [verzoekers] daarom geen belang bij dit verzoek hebben. [verweerders] verzoeken om [verzoekers] in hun verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel hun verzoek af te wijzen.

De rechtbank dient te beoordelen of [verzoekers] ontvankelijk zijn in hun verzoek en, als dat het geval is, of de door [verzoekers] gestelde vordering en bate voldoende aannemelijk zijn om toewijzing van hun verzoek te rechtvaardigen. De rechtbank verklaart [verzoekers] in hun verzoek ontvankelijk, omdat de door [verweerders] gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweren niet slagen. De rechtbank oordeelt ook dat [verzoekers] hun gestelde vordering en het bestaan van een bate voldoende aannemelijk hebben gemaakt om toewijzing van hun verzoek te rechtvaardigen. De rechtbank zal de vereffening van [bedrijven] dan ook heropenen en een vereffenaar benoemen. Gelet op de aanleiding van dit verzoek en de rol van [verweerder 1] en [belanghebbende] . bij de turboliquidaties, zal de rechtbank een onafhankelijke vereffenaar benoemen.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 4 maart 2026 met producties;

- de tussenbeschikking van 13 mei 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

- het verweerschrift van [verweerders] met producties;

- de akte overlegging aanvullende productie van [verweerders] ;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 augustus 2026;

- de e-mail van de rechtbank van 2 september 2026;

- de e-mail van [verzoekers] van 3 september 2026 met bijlage;

- de akte van [verweerders] van 11 september 2026 met bijlagen;

- het bezwaar daartegen van [verzoekers] van 14 september 2026; en

- de e-mail van de rechtbank van 24 september 2026, waarin zij beslist heeft op het bezwaar en een datum voor de beschikking heeft bepaald.

3. De feiten

[naam 1] is overleden op [overlijdensdag] 2013. Hij was arts en medisch adviseur. [verzoekers] zijn de erfgenamen van [naam 1] .

[verweerder 1] is advocaat. Hij heeft [bedrijven] in 2010 opgericht en gebruikte deze vennootschapen voor de uitoefening van zijn praktijk. Vanaf de oprichting tot aan de ontbinding van [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. was [bedrijf 1] B.V. de enig aandeelhouder van deze vennootschappen en was [verweerder 1] de enig aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. [verweerder 1] is dus altijd de (indirect) enig aandeelhouder van [bedrijven] geweest. Bij de ontbinding van [bedrijf 2] B.V. op 16 juni 2025 was [verweerder 1] ook de enig bestuurder van deze vennootschap. Bij de ontbinding van [bedrijf 3] B.V. op 16 juni 2025 en de ontbinding van [bedrijf 1] B.V. op 31 juli 2025 was [belanghebbende] . de (indirect) enig bestuurder van deze vennootschappen.

[naam 1] heeft voor zijn overlijden medische advieswerkzaamheden verricht in letselschadezaken van cliënten van [bedrijven] Hiertoe zijn indertijd afspraken gemaakt als het gaat om de vergoeding van [naam 1] .

Bij deze rechtbank is een procedure aanhangig geweest tussen [verzoekers] enerzijds en [verweerder 1] en vier van zijn voormalig kantoorgenoten anderzijds. Bij dagvaarding van 25 september 2017 hebben [verzoekers] – kort gezegd – inzage gevorderd in stukken die zagen op de onder 3.3 genoemde (financiële) afspraken. Bij vonnis van 28 november 2018 zijn de vorderingen van [verzoekers] afgewezen. [verzoekers] hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld, waarna het gerechtshof Amsterdam dit vonnis bij arrest van 8 juni 2021 heeft vernietigd en [verweerder 1] heeft veroordeeld om voor elf dossiers bescheiden op te stellen, waarin de volgende vragen werden beantwoord:

“1a. is het dossier afgewikkeld, en zo ja onder welke betalingscondities?

b. als het dossier niet afgewikkeld is: is het dossier nog in behandeling, of is het dossier overgedragen c.q. heeft de betrokken adviseur zich teruggetrokken?

2. met welke (rechts)personen zijn afspraken gemaakt omtrent de vergoeding van de kosten voor medisch advieswerk door [naam 1] in ieder dossier en wat behelzen die afspraken?

3. welke betalingen zijn aan [naam 1] verricht per dossier? Heeft verrekening plaatsgevonden van de aan [naam 1] toekomende vergoeding met vorderingen van de betrokken advocaat of rechtspersoon op [naam 1] ?”

[verweerder 1] heeft niet aan deze veroordeling voldaan. Hij gaf daarvoor als reden dat de betreffende dossiers niet meer voor handen waren.

[verzoekers] hebben daarna conservatoir bewijsbeslag laten leggen op bescheiden in de administratie van [bedrijven] en bij deze rechtbank een procedure tegen [bedrijven] en [verweerder 1] aanhangig gemaakt. Zij hebben daarin onder andere gevorderd om [bedrijven] en [verweerder 1] te veroordelen om aan de Deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten inzage te verlenen in de beslagen bescheiden en te bepalen dat de Deken antwoorden op de vragen in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 juni 2021 zal opstellen en deze aan partijen zal toesturen. Deze vordering is bij vonnis van 18 februari 2024 toegewezen. [verzoekers] hadden in deze procedure ook een verklaring voor recht en een geldbedrag gevorderd, welke vorderingen werden afgewezen. Deze rechtbank heeft over die vorderingen, voor zover van belang voor deze procedure, als volgt geoordeeld:

“4.11. Voorts wordt onder 3. gevorderd te verklaren voor recht dat, voor zover blijkt dat [verweerders] nog loon aan [verzoeker 1] en [naam 1] verschuldigd is, [verweerders] gehouden is tot nakoming van die betalingsverplichting, waarvan het bedrag nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet. Bij deze verklaring voor recht hebben [verzoeker 1] en [naam 1] in dit stadium onvoldoende belang omdat deze te algemeen en (nog) onzeker is. Een schadestaatprocedure ligt bovendien niet in de rede wanneer het – zoals hier – gaat om de nakoming van een (mogelijke) betalingsverplichting die voortvloeit uit een overeenkomst. Artikel 612 Rv, waarin de schadestaatprocedure is geregeld, ziet immers alleen op veroordelingen tot schadevergoeding. Mocht na inzage door de Deken blijken dat [verweerders] nog bedragen verschuldigd is aan [verzoeker 1] en [naam 1] , dan zullen zij een procedure tegen hem aanhangig moeten maken indien hij die bedragen niet vrijwillig betaalt. Dit is ook zo erkend door mr. Visser op de mondelinge behandeling van 17 januari 2024.

Met hun eisvermeerdering hebben [verzoeker 1] en [naam 1] verder gevorderd dat [verweerders] het bedrag betaalt dat hij (volgens hen) nog verschuldigd is, te weten € 77.549,-. Ook hier geldt dat daar pas over kan worden geoordeeld nadat de bevindingen van de Deken na inzage bekend zijn. Op de mondelinge behandeling van 17 januari 2024 heeft mr. Visser overigens ook verklaard niet te weten of deze vordering, die is gebaseerd op conceptdeclaraties, opeisbaar is.”

Daarna heeft mr. [naam 2] van Wolf Advocaten de inbeslaggenomen bescheiden op instructie van de Deken ingezien en op 15 oktober 2024 een rapport van bevindingen uitgebracht.

[verzoekers] en [verweerder 1] zijn naar aanleiding van het rapport van bevindingen van mr. [naam 2] met elkaar in gesprek gegaan, maar dat heeft niet tot overeenstemming geleid. De advocaat van [verzoekers] heeft de gestelde vordering op [bedrijven] en [verweerder 1] daarna per brieven van 7 januari en 22 mei 2025 gestuit.

[verweerder 1] heeft bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) opgegeven dat [bedrijf 2] B.V. op 14 juni 2025 is ontbonden en bij gebrek aan baten per die datum is opgehouden te bestaan (een zogenaamde turboliquidatie). In het daarbij gedeponeerde formulier heeft [verweerder 1] deze turboliquidatie als volgt toegelicht:

“Beschrijf zo precies mogelijk waarom er geen baten (bezit) meer waren op de datum van ontbinding:

Al geruime tijd worden er geen zaken meer behandeld in [bedrijf 2] BV. Er hebben geen activiteiten meer plaatsgevonden in de BV en toekomstige activiteiten zijn uitgesloten. Deze BV had al geruime tijd geen bezittingen. De bankrekening is opgeheven met saldo nul.

Heb je, voordat je besloot de bv te ontbinden, al gewerkt aan het stoppen van de bv? Bijvoorbeeld door baten te verkopen en de opbrengst te verdelen?:

Omdat er geruime tijd geen activiteit was in [bedrijf 2] B.V., waren er geen baten om te verkopen en geen opbrengst om te verdelen. [bedrijf 2] BV heeft al een half jaar zelfs geen bankrekening meer.

Zijn er schulden die je niet of niet helemaal kunt betalen, en wat is daarvoor de reden?:

[bedrijf 2] BV heeft nooit schulden gehad in heeft ook geen schulden bij opheffing.”

[belanghebbende] . heeft bij het handelsregister van de KvK opgegeven dat [bedrijf 3] B.V. op 17 juni 2025 is ontbonden door middel van turboliquidatie. De toelichting in het daarbij gedeponeerde formulier komt vrijwel volledig overeen met de hiervoor geciteerde toelichting op de turboliquidatie van [bedrijf 2] B.V.

[verweerder 2] is opgericht op 25 juli 2025 en houdt zich volgens een door [verzoekers] overgelegd uittreksel van de KvK bezig met het uitoefenen van de rechtspraktijk. [verweerder 1] is de enig aandeelhouder en bestuurder van [verweerder 2] .

[belanghebbende] . heeft bij het handelsregister van de KvK opgegeven dat [verweerder 1] Advocaten Beheer B.V. op 31 juli 2025 is ontbonden door middel van turboliquidatie. In het op 11 augustus 2025 bij de KvK gedeponeerde formulier heeft [belanghebbende] . deze turboliquidatie als volgt toegelicht:

“Beschrijf zo precies mogelijk waarom er geen baten (bezit) meer waren op de datum van ontbinding:

[bedrijf 1] BV. was een holding-maatschappij. Haar functie was het houden van aandelen in haar dochtervennootschappen. In deze dochtervennootschappen werd in het verleden een advocatenkantoor uitgeoefend, maar het kantoor is beëindigd. Hiermee heeft de moeder haar functie verloren. Baten waren er daardoor ook niet meer. De bankrekening is opgeheven met saldo nul.

Heb je, voordat je besloot de bv te ontbinden, al gewerkt aan het stoppen van de bv? Bijvoorbeeld door baten te verkopen en de opbrengst te verdelen?:

Omdat er geruime tijd geen activiteiten meer waren in de dochtervennootschappen en deze uiteindelijk zijn ontbonden, zijn er al enige tijd geen baten meer in deze beheer-vennootschap. Schulden waren er niet ten tijde van opheffing. De vennootschap hield uitsluitend nog wat liquiditeit over; dit geld is uitgekeerd aan de aandeelhouder.

Zijn er schulden die je niet of niet helemaal kunt betalen, en wat is daarvoor de reden?:

Alle schulden zijn gedurende haar bestaan altijd door [bedrijf 1] BV. betaald. [bedrijf 1] BV had daardoor bij ontbinding geen schulden.”

[belanghebbende] . heeft op 16 september 2025 in het kader van de turboliquidatie van [bedrijf 1] B.V. een aanvullend formulier bij de KvK gedeponeerd, waarin woordelijk dezelfde informatie is ingevuld als in het formulier van 11 augustus 2025, maar de zin “De vennootschap hield uitsluitend nog wat liquiditeit over; dit geld is uitgekeerd aan de aandeelhouder” is geschrapt.

[verzoekers] hebben bij dagvaarding van 8 augustus 2025 een procedure bij de rechtbank Noord-Nederland aanhangig gemaakt, waarin zij van [bedrijven] en [verweerder 1] betaling van een bedrag van € 297.026,- vorderen. [verzoekers] onderbouwen hun vordering aan de hand van het rapport van bevindingen van mr. [naam 2] . [bedrijven] hebben in die procedure als verweer gevoerd dat zij op het moment van dagvaarden al niet meer bestonden en [verzoekers] om die reden in hun vordering tegen hen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 26 augustus 2026 een tussenvonnis gewezen (ECLI:NL:RBNNE:2026:3585). Zij heeft [verzoekers] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tegen [bedrijven] , omdat de vennootschapen op het moment van dagvaarden al ontbonden waren en haar in die procedure niet is gebleken van ten tijde van de ontbinding nog aanwezige activa. Haar beslissingen over de vorderingen tegen Verkuisen heeft zij aangehouden, in afwachting van de uitkomst van deze procedure.

4. Het verzoek en het verweer

[verzoekers] verzoeken om heropening van de vereffening van [bedrijven] en benoeming van een vereffenaar als bedoeld in artikel 2:23c BW. Zij leggen aan dit verzoek – samengevat – het volgende ten grondslag. [verweerder 1] en [belanghebbende] . hebben gebruik gemaakt van turboliquidaties, met als doel om het verhaal van [verzoekers] te frustreren. Hoewel [verzoekers] hun gestelde vordering op [bedrijven] bij brieven van 7 januari en 22 mei 2025 nog hadden gestuit, is [bedrijf 2] B.V. op 14 juni 2025 ontbonden, [bedrijf 3] B.V. op 17 juni 2025 ontbonden en [verweerder 1] Advocaten Beheer B.V. op 31 juli 2025 ontbonden. Bij gebrek aan baten, is ieder van de vennootschappen meteen opgehouden te bestaan. Uit de respectievelijke jaarrekeningen van [bedrijven] over 2024 blijkt echter dat de vennootschappen eind 2024 nog over baten beschikten, zodat de vermogens van de vennootschappen blijkbaar vóór de turboliquidaties zijn weggemaakt. [verweerder 1] en [belanghebbende] . hebben daarbij ten onrechte geen rekening gehouden met de reële vordering van [verzoekers] Hieruit volgt voor ieder van de vennootschapen een bate, omdat [bedrijven] door voorgaande gang van zaken aansprakelijkheidsvorderingen hebben op [verweerder 1] en [belanghebbende] . wegens het door hen als (indirect) bestuurders gevoerde wanbeleid. Ook is op zitting gebleken dat er in de aanloop naar de turboliquidaties namens [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 2] B.V. vorderingen op [bedrijf 1] B.V. zijn kwijtgescholden en dat er vanuit [bedrijf 1] B.V. ten onrechte een resterend liquiditeitssaldo is uitgekeerd aan [verweerder 1] als aandeelhouder. Een vereffenaar zal deze bedragen kunnen terugvorderen, zodat ook om die reden sprake is van nagekomen baten, aldus steeds [verzoekers]

[verweerders] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe – samengevat – het volgende aan. [verzoekers] zijn niet-ontvankelijk in hun verzoek, omdat zij stellen op te treden in de hoedanigheid van erfgenamen van [naam 1] , terwijl de vereffening van de nalatenschap van [naam 1] al geruime tijd is geëindigd dan wel niet is gebleken dat zij de vereffenaren van de niet-verdeelde nalatenschap zijn. [verzoekers] kunnen daarom niet (meer) namens de nalatenschap van [naam 1] optreden. [verzoekers] hebben in persoon geen belang bij hun verzoek, omdat zij niet hebben gesteld dat zij zelf een vordering op [bedrijven] hebben. [verzoekers] zijn ook niet-ontvankelijk in hun verzoek, omdat deze rechtbank (2018), het gerechtshof Amsterdam (2021) en daarna nog een keer deze rechtbank (2024) de gestelde vorderingen van [verzoekers] tegen [bedrijven] al hebben afgewezen en deze beslissingen tussen partijen gezag van gewijsde hebben. Voor zover [verzoekers] menen dat het rapport van mr. [naam 2] moet worden beschouwd als relevante informatie waarmee zij ná het vonnis van 28 februari 2024 bekend zijn geworden, hadden zij het rechtsmiddel van herroeping kunnen instellen. De daarvoor geldende termijn is reeds verstreken, zodat [verzoekers] ook om deze reden geen belang hebben bij hun verzoek en misbruik van bevoegdheid maken. Voor het geval de rechtbank [verzoekers] toch ontvankelijk verklaart in hun verzoek, moet het verzoek worden afgewezen, omdat tussen partijen in meerdere uitspraken onherroepelijk is vastgesteld dat [verzoekers] geen vordering op [bedrijven] hebben. Het nadien uitgebrachte rapport van bevindingen van mr. [naam 2] werpt ook geen ander licht op de zaak. Van een bate is niet gebleken, omdat [verweerder 1] en [belanghebbende] . zich als (indirect) bestuurders niet schuldig hebben gemaakt aan wanbeleid en geen sprake is van verhaalsfrustratie. De ontbinding van [bedrijven] staat los van de gestelde vordering van [verzoekers] Ook hebben [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 2] B.V. geen leningen aan [verweerder 1] Advocaten Beheer B.V. kwijtgescholden en heeft [bedrijf 1] B.V. geen resterend saldo aan [verweerder 1] uitgekeerd. Er kan dus ook niets worden teruggevorderd door een vereffenaar, aldus steeds [verweerders]

5. De beoordeling

De rechtbank zal hierna eerst beoordelen of [verzoekers] in hun verzoek ontvankelijk zijn. De inhoudelijke behandeling van het verzoek volgt daarna.

Zijn [verzoekers] ontvankelijk in hun verzoek?

Ten eerste stellen [verweerders] dat [verzoekers] niet namens de nalatenschap van [naam 1] kunnen optreden, omdat de vereffening daarvan al is geëindigd dan wel niet is gesteld dat zij de vereffenaren van de niet-verdeelde nalatenschap zijn. [verzoekers] betwisten dat de vereffening reeds is geëindigd en wijzen op een verklaring van erfrecht om te onderbouwen dat zij vereffenaar zijn. De rechtbank stelt op basis van deze verklaring van erfrecht vast dat [verzoekers] de erfenis van [naam 1] beneficiair hebben aanvaard en daarom van rechtswege bevoegd zijn om de nalatenschap te beheren en te vereffenen. Daartoe behoort de bevoegdheid om namens de nalatenschap gerechtelijke procedures te voeren. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de vereffening van de nalatenschap van [naam 1] is geëindigd. [verweerders] stellen weliswaar dat er in 2013 een boedelnotaris is benoemd die de nalatenschap in de jaren daarna heeft afgewikkeld, maar onderbouwen dit verder niet. Zij hebben in dit kader alleen een afschrift uit het boedelregister van [naam 1] overgelegd, maar daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de vereffening van zijn nalatenschap is geëindigd. [verweerders] hebben dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Dit niet-ontvankelijkheidsverweer slaagt dus niet. Omdat [verzoekers] in deze hoedanigheid ontvankelijk zijn in hun verzoeken, gaat de rechtbank niet in op het subsidiaire verweer dat zij niet in persoon ontvankelijk zouden zijn in hun verzoeken.

[verweerders] voeren verder aan dat uit de uitspraken van deze rechtbank en het gerechtshof Amsterdam uit 2018, 2021 en 2024 volgt dat tussen partijen onherroepelijk vaststaat dat [verzoekers] geen vordering op [bedrijven] hebben en dat zij daarom geen belang bij hun verzoek hebben, zodat sprake is van misbruik van bevoegdheid. [verzoekers] betwisten dat tussen partijen onherroepelijk vaststaat dat zij geen vordering op [bedrijven] hebben. Het vonnis van deze rechtbank uit 2018 en het arrest van het gerechtshof uit 2021 gaan namelijk over (inzage)vorderingen tegen [verweerder 1] en zijn voormalig kantoorgenoten. [bedrijven] waren zelf geen partij bij deze procedure. Voor het vonnis van deze rechtbank uit 2024 geldt dat het rapport van bevindingen van mr. [naam 2] naar aanleiding van dat vonnis is opgesteld en dus sprake is van nieuwe relevante omstandigheden. Het gezag van gewijsde van dat vonnis staat daarom niet in de weg aan de gestelde vordering van [verzoekers] in deze procedure, aldus [verzoekers] Ook hier volgt de rechtbank het standpunt van [verzoekers] Het is juist dat deze rechtbank en het gerechtshof Amsterdam in hun uitspraken uit 2018 en 2021 niet hebben geoordeeld over een vordering van [verzoekers] tegen [bedrijven] , zodat aan die uitspraken reeds daarom geen conclusies kunnen worden verbonden over een inmiddels vaststaande rechtsverhouding tussen [verzoekers] en [bedrijven] Een van de vorderingen van [verzoekers] tegen [bedrijven] in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van deze rechtbank van 18 februari 2024, gaat wel over dezelfde aansprakelijkheidsgrond van [bedrijven] als de gestelde vordering die [verzoekers] aan het heropeningsverzoek ten grondslag leggen. De rechtbank heeft in dat vonnis echter uitdrukkelijk rekening gehouden met het scenario dat uit de exercitie van de Deken (uiteindelijk mr. [naam 2] ) zou blijken dat [bedrijven] nog een bedrag aan [verzoekers] verschuldigd zouden zijn en [verzoekers] daarover (indien nodig) nog een procedure tegen hen aanhangig zouden moeten maken (zo leidt de rechtbank af uit de overwegingen in dat vonnis, zie 3.6 hiervoor). Het gezag van gewijsde van de eindbeslissingen in het vonnis van 18 februari 2024 staat dan ook niet in de weg aan het instellen van een vordering gebaseerd op het rapport van bevindingen van mr. [naam 2] . [verzoekers] kunnen deze vordering dus aanvoeren in het kader van dit verzoek. Het standpunt van [verweerders] dat [verzoekers] alleen het rechtsmiddel van herroeping tegen het vonnis van 18 februari 2024 hadden kunnen instellen, wordt niet gevolgd, omdat er geen rechtsregel is die daartoe verplicht. Dit niet-ontvankelijkheidsverweer slaagt dus ook niet.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de niet-ontvankelijkheidsverweren van [verweerders] niet slagen en [verzoekers] in hun verzoek ontvankelijk zijn. De rechtbank zal het verzoek van [verzoekers] hierna dus inhoudelijk behandelen.

Is voldaan aan de vereisten voor heropening van de vereffening?

Artikel 2:23c lid 1 BW bepaalt dat als na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen en zo nodig een vereffenaar kan benoemen. Van ‘heropening’ kan ook sprake zijn als er nog niet eerder vereffend is doordat bij de ontbinding geen bekende baten aanwezig waren, zoals bij turboliquidatie het geval is. Voor toewijzing van een verzoek tot heropening van een vereffening is voldoende dat de door de verzoeker gestelde vordering en/of bate voldoende aannemelijk is om toewijzing van het verzoek te rechtvaardigen. De rechtbank dient met terughoudendheid te toetsen of aan dit vereiste is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben [verzoekers] zowel hun vordering tegen [bedrijven] als het bestaan van baten in het kader van deze procedure voldoende aannemelijk gemaakt. Aan de vereisten van artikel 2:23c lid 1 BW is dus voldaan. Dit wordt hierna toegelicht.

De vordering van [verzoekers] tegen [bedrijven] is voldoende aannemelijk

[verzoekers] stellen dat uit het rapport van mr. [naam 2] blijkt dat zij omvangrijke vorderingen op [bedrijven] (en [verweerder 1] ) hebben. Het bedrag dat [verzoekers] in de procedure bij de rechtbank Noord-Nederland van hen hebben gevorderd bedraagt € 297.026. [verweerders] betwisten dat [bedrijven] nog enig bedrag aan [verzoekers] verschuldigd zijn. Enerzijds zeggen zij dat [bedrijven] niet de opdrachtgevers van [naam 1] zijn geweest en [verzoekers] om die reden geen betaling van [bedrijven] kunnen vorderen. Anderzijds betwisten zij dat uit het rapport van mr. [naam 2] blijkt dat [bedrijven] nog een bedrag aan [verzoekers] verschuldigd zijn. [verweerders] voeren ook in dit verband aan dat door de uitspraken van deze rechtbank en het gerechtshof uit 2018, 2021 en 2024 al onherroepelijk vaststaat dat [verzoekers] geen vordering op [bedrijven] hebben. De rechtbank heeft hiervoor al geoordeeld dat dit verweer van [verweerders] niet opgaat, voor zover [verzoekers] hun gestelde vordering baseren op het rapport van bevindingen van mr. [naam 2] (zie 5.3 hiervoor). De rechtbank zal dit argument van [verweerders] verder dan ook onbesproken laten. De rechtbank zal hierna eerst stilstaan bij de rechtsverhoudingen die tussen [bedrijven] en [naam 1] hebben bestaan en vervolgens bij (de inhoud van) het rapport van bevindingen van mr. [naam 2] .

Partijen hebben wat betreft de rechtsverhoudingen tussen [bedrijven] en [naam 1] ieder verwezen naar rechtsoverweging 3.18 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 juni 2021. Daarin is het volgende overwogen:

“[verweerders] hebben omschreven welke vormen van samenwerking er volgens hen hebben bestaan tussen [bedrijf 1] [ [bedrijven] , rb] en [naam 1] . Ten eerste verstrekte [naam 1] medisch advies aan cliënten van [bedrijf 1] . Wanneer een aansprakelijke verzekeraar of iemand anders in verband daarmee een nota ten behoeve van [naam 1] betaalde op een van de kantoorrekeningen van [bedrijf 1] , ontstond voor [bedrijf 1] de verplichting om het ontvangen bedrag door te betalen aan [naam 1] . Ten tweede gold tussen [naam 1] en bepaalde procesfinanciers de afspraak dat [naam 1] in bepaalde zaken onder bepaalde omstandigheden een bonus zou ontvangen. In die zaken had [bedrijf 1] de taak om schadevergoedingen die binnenkwamen op de derdengeldenrekening van [bedrijf 1] , overeenkomstig die afspraken door te betalen, onder meer aan [naam 1] . Verder hebben de boekhouders van [bedrijf 1] geregeld bij leven van [naam 1] uitgezocht hoe het precies zat en daarvan overzichtjes en vastleggingen gemaakt, aldus [verweerders]”

Aangezien zowel [verzoekers] als [verweerders] zich in hun processtukken op deze rechtsoverweging van het gerechtshof Amsterdam beroepen en tijdens de zitting ook hebben bevestigd dat deze rechtsoverweging de rechtsverhoudingen juist omschrijft, zal de rechtbank hier ook bij aansluiten. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat aansprakelijke verzekeraars en anderen in het verleden schadevergoedingen ten behoeve van cliënten van [bedrijven] op de derdengeldenrekening van [bedrijven] hebben gestort en op [bedrijven] vervolgens de verplichting kwam te rusten om een deel van die bedragen – afhankelijk van de afspraken in de betreffende zaak – door te betalen aan [naam 1] . Voor de gestelde vorderingen van [verzoekers] tegen [bedrijven] is dus relevant of [bedrijven] in de betreffende zaken aan de op hen rustende doorbetalingsverplichting hebben voldaan. Het gegeven dat [bedrijven] nooit de opdrachtgevers van [naam 1] zijn geweest, is in dit licht niet relevant. Dat deze doorbetalingsplicht op ieder van [bedrijven] rust, is verder niet in geschil tussen partijen.

De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of uit het rapport van bevindingen van mr. [naam 2] volgt dat [bedrijven] uit hoofde van die doorbetalingsplicht nog een bedrag aan [verzoekers] verschuldigd zijn. De rechtbank licht hierna slechts één onderdeel van dit rapport uit, omdat daaruit – gelet op de terughoudende toets die de rechtbank moet aanleggen – reeds volgt dat [verzoekers] hun gestelde vordering op [bedrijven] voldoende aannemelijk hebben gemaakt.

Op de vierde pagina, derde alinea, van het rapport van bevindingen staat dat zich tussen de inbeslaggenomen bescheiden een e-mail bevindt van ‘Accounting and Office Support’ aan [verweerder 1] van 7 november 2013 (tien dagen vóór het overlijden van [naam 1] ), waarin staat dat er in totaal door [naam 1] in “erkende zaken [d.w.z. zaken waarin aansprakelijkheid is erkend en dus ook de in redelijkheid gemaakte kosten van rechtsbijstand moeten worden vergoed, RvdB [mr. [naam 2] , rb]] voor een bedrag van € 99.568,01 is gedeclareerd, maar dit nog niet door ons (lees: door het kantoor van [verweerder 1] ) is gedeclareerd en/of ontvangen en doorbetaald”. [verzoekers] stellen op basis van deze passage dat zij als erfgenamen in ieder geval recht hebben op een bedrag van € 99.568,01. [verweerders] hebben hiertegen in het kader van deze procedure slechts aangevoerd dat dit standpunt al is weerlegd in de processtukken in de procedure bij de rechtbank Noord-Nederland. In die processtukken staat onder meer dat het bedrag niet klopt en dat het overzicht zou zijn gebaseerd op conceptnota’s die nooit het stadium van definitieve nota’s hebben bereikt. [verweerders] hebben in die processtukken verder aangevoerd dat uit het rapport van bevindingen van mr. [naam 2] blijkt dat [naam 1] nog een bedrag aan [bedrijven] verschuldigd was van ongeveer € 4.000,-. De rechtbank kan voor deze laatste stelling echter geen steun vinden in het rapport van mr. [naam 2] . [verweerders] hebben ook geen nadere onderbouwing gegeven aan hun stelling dat het slechts om conceptnota’s zou gaan en hebben verder niet laten zien welke bedragen uiteindelijk (wel) zijn betaald op de derdengeldenrekening. Dit had wel op hun weg gelegen, nu niet in geschil is dat [verweerder 2] de administratie van [bedrijven] onder zich houdt. [verweerders] hebben hierover opgemerkt

dat deze informatie niet meer voorhanden is. Dit moet voor hun rekening en risico blijven, omdat deze discussie al sinds het overlijden van [naam 1] in 2013 speelt en de wettelijke bewaartermijn van zeven jaar op dat moment nog niet was verstreken (artikel 2:10 lid 3 BW). Gelet op de tussen partijen gevoerde procedures hierna, is (het mogen inzien van) deze informatie ook steeds onderwerp van geschil gebleven en komt het voor het risico van [verweerders] dat deze informatie niet bewaard is gebleven.

De rechtbank oordeelt op basis van het voorgaande dat in het kader van deze heropeningsprocedure voldoende aannemelijk is geworden dat [bedrijven] nog een bedrag aan [verzoekers] moeten doorbetalen en [verzoekers] dus nog een vordering op [bedrijven] hebben.

Het bestaan van een bate is voldoende aannemelijk

[verzoekers] onderbouwen hun standpunt dat verder sprake is van een of meer baten, als volgt. [verweerder 1] en [belanghebbende] . hebben zich als (indirect) bestuurders schuldig gemaakt aan wanbeleid en zijn in dat verband schadeplichtig tegenover [bedrijven] Zij hebben de mogelijkheid van turboliquidatie namelijk misbruikt om het verhaal van [verzoekers] op [bedrijven] te frustreren en hen zonder verhaalsmogelijkheden achter te laten. Uit de respectievelijke jaarrekeningen van [bedrijven] over 2024 blijkt dat zij ieder eind 2024 nog over baten beschikten. [verweerder 1] en [belanghebbende] . hebben de vermogensbestanddelen van deze vennootschappen dus blijkbaar vóór de turboliquidaties weggemaakt. [verweerder 1] en [belanghebbende] . hebben daarbij ten onrechte geen rekening gehouden met de reële vorderingen van [verzoekers] Bovendien hebben zij bij de KvK onjuiste informatie gedeponeerd over het wegmaken van de vermogensbestandsdelen. In het formulier dat [belanghebbende] . op 11 augustus 2025 bij de KvK heeft gedeponeerd voor de turbo-liquidatie van [verweerder 1] Advocaten Beheer B.V. staat de zin “De vennootschap hield uitsluitend nog wat liquiditeit over; dit geld is uitgekeerd aan de aandeelhouder”, terwijl deze zin is geschrapt in het op 16 september 2025 bij de KvK gedeponeerde formulier. Het wanbeleid van [verweerder 1] en [belanghebbende] . levert een vordering van [bedrijven] uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid op en deze vordering kwalificeert als een bate. Verder hebben [verzoekers] op zitting aangevoerd dat [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. allebei ten onrechte een lening van € 18.000 aan [bedrijf 1] B.V. hebben kwijtgescholden en een te benoemen vereffenaar deze bedragen als onverschuldigd betaald moet terugvorderen. Deze vorderingen kwalificeren ook als baten. [bedrijf 1] B.V. heeft in het licht van de turboliquidatie bovendien een uitkering gedaan aan [verweerder 1] die ook door de vereffenaar teruggevorderd moet worden, aldus steeds [verzoekers]

[verweerders] betwisten ten aanzien van iedere vennootschap dat sprake is van een bate en leggen daaraan het volgende ten grondslag. Zij voeren aan dat de rechtbank Noord-Nederland al heeft bepaald dat ten tijde van de ontbinding geen activa meer aanwezig waren (zie 3.15), zodat deze vraag niet opnieuw voorligt in deze procedure. [verweerder 1] en [belanghebbende] . hebben zich als (indirect) bestuurders van [bedrijven] verder niet schuldig gemaakt aan wanbeleid, zodat van een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid geen sprake is. Zij hoefden bij de vereffening vóór de turboliquidaties ook geen rekening te houden met de gestelde vordering van [verzoekers] , omdat op dat moment al onherroepelijk tussen partijen vaststond dat deze vordering niet bestond. Het rapport van bevindingen van mr. [naam 2] wierp geen ander licht op de zaak. [verweerder 1] en [belanghebbende] . hebben het instrument van turboliquidatie dus niet misbruikt en het verhaal van [verzoekers] daarmee niet gefrustreerd. Het formulier dat [belanghebbende] . op 11 augustus 2025 bij de KvK heeft gedeponeerd, berust op een vergissing en heeft hij later gecorrigeerd met een aanvullende deponering bij de KvK. Het resterende liquiditeitssaldo van [bedrijf 1] B.V. is gebruikt om een factuur van een externe jurist te voldoen. [verweerder 1] en [belanghebbende] . hebben als (indirect) bestuurders namens [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 2] B.V. ook geen vorderingen op [bedrijf 1] B.V. kwijtgescholden, aldus steeds [verweerders]

De rechtbank is van oordeel dat [verzoekers] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat is gebleken van een of meer baten bij ieder van de vennootschapen. Voor [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. is daarvoor van belang dat uit hun jaarrekeningen over 2024 blijkt dat zij op 31 december 2024 ieder een eigen vermogen hadden van € 18.000,-. Op het moment van ontbinding waren die activa er niet meer. In de formulieren die [verweerder 1] en [belanghebbende] . bij de KvK hebben gedeponeerd is over deze bedragen niets vermeld, maar staat dat de vennootschappen al geruime tijd geen bezittingen meer hadden. Op zitting heeft [verweerder 1] over deze gang van zaken voor het eerst verklaard dat deze bedragen betrekking hadden op de bij de oprichting van beide vennootschapen door [bedrijf 1] B.V. als aandeelhouder te storten bedragen op de aandelen waartegenover op de balansen van [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 2] B.V. altijd een vordering op [bedrijf 1] B.V. van € 18.000 heeft gestaan, omdat die storting verschuldigd is gebleven. Deze twee posten konden volgens hem vóórafgaand aan de turboliquidaties tegen elkaar worden weggestreept. [verzoekers] hebben dit gemotiveerd weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze – verder niet met stukken onderbouwde – toelichting van [verweerder 1] op zitting onvoldoende duidelijk geworden wat er is gebeurd met het bedrag van € 18.000,- op de balansen van [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 2] B.V., terwijl het wel op zijn weg (en die van [belanghebbende] .) als toenmalig bestuurder(s) had gelegen om dit met stukken nader te onderbouwen. De rechtbank kan uit de gegeven toelichting niet opmaken waarom de vennootschappen de vorderingen op hun enig aandeelhouder in verband met de nog verschuldigde storting op de aandelen konden wegstrepen. Voor zover [verweerder 1] heeft willen betogen dat de aandelen waren “afgestempeld” (i.e. de nominale waarde is verlaagd) en storting (voor het volledige bedrag) niet meer nodig was, is niet gebleken van de hiervoor benodigde statutenwijziging. [verweerder 1] en [belanghebbende] . hadden over dit alles bovendien duidelijkheid moeten verschaffen in de wettelijk verplichte deponeringen bij het handelsregister. De rechtbank kan niet anders constateren dan dat deze deponeringen niet voldoen aan de eisen die de wet daaraan stelt. Uit artikel 2:19b lid 1 sub b BW volgt namelijk dat het bestuur ingeval van een turboliquidatie onder meer de volgende informatie moet deponeren: “een beschrijving van de wijze waarop de baten van de rechtspersoon te gelde zijn gemaakt en de opbrengsten zijn verdeeld”. Omdat de ‘weggestreepte’ vorderingen van [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 2] B.V. op [bedrijf 1] B.V. in beginsel als baten kunnen worden aangemerkt en [verweerders] onvoldoende duidelijk hebben gemaakt waarom deze vorderingen mochten worden ‘weggestreept’, hebben [verzoekers] naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat hiervoor een rechtsgrond ontbrak zodat bij [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 2] B.V. is gebleken van een bate in de vorm van door een vereffenaar terug te vorderen bedragen.

Zij hebben naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende aannemelijk gemaakt dat bij [bedrijf 1] B.V. is gebleken van een bate. Hiervoor is van belang dat [belanghebbende] . in eerste instantie, op 11 augustus 2025, een formulier bij de KvK heeft gedeponeerd, waarin hij schreef dat de vennootschap “uitsluitend nog wat liquiditeit overhield” en “dit geld is uitgekeerd aan de aandeelhouder”. Hij heeft op 16 september 2025 een aanvullend formulier bij de KvK gedeponeerd met dezelfde tekst behoudens deze bewuste passage. [belanghebbende] . heeft op zitting geen duidelijkheid over deze gang van zaken kunnen verschaffen, maar verwezen naar [verweerder 1] . [verweerder 1] heeft daarop verklaard dat [belanghebbende] . van de boekhouder had begrepen dat dit bedrag was uitgekeerd aan [verweerder 1] , maar dat dat uiteindelijk toch niet het geval bleek, omdat met dat bedrag een factuur van een externe jurist was voldaan. [verweerders] hebben deze stelling niet met stukken onderbouwd, terwijl dat wel op hun weg had gelegen. [belanghebbende] . zou als toenmalig bestuurder van [bedrijf 1] B.V. immers over deze stukken moeten beschikken. De verklaring van [verweerder 1] op zitting vindt ook geen steun in het door [belanghebbende] . op 16 september 2025 bij de KvK gedeponeerde (aangepaste) formulier. Daarin is immers niet te lezen dat een resterend saldo is aangewend voor de betaling van een factuur. Bij deze stand van zaken volgt de rechtbank [verzoekers] in hun standpunt dat het ervoor moet worden gehouden dat dit bedrag aan [verweerder 1] als aandeelhouder is uitgekeerd, terwijl [belanghebbende] . als enig bestuurder en [verweerder 1] als enig aandeelhouder wisten dat de vordering van [verzoekers] – bij gebrek aan baten – hierna niet meer zou kunnen worden voldaan. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een bate, omdat een vereffenaar het aan [verweerder 1] uitgekeerde bedrag van hem zou kunnen terugvorderen.

Bij ieder van de vennootschappen is daarmee gebleken van een bate. Aan dit oordeel doet niet af dat de rechtbank Noord-Nederland in het kader van de daar gevoerde procedure niet heeft kunnen vaststellen dat ten tijde van de ontbinding nog activa aanwezig waren. De rechtbank begrijpt het zo, dat in die procedure het standpunt van de (oud-)bestuurder(s) van de betreffende rechtspersonen dat ten tijde van de ontbinding geen baten meer aanwezig waren op juistheid is onderzocht. Het gaat om een vaststelling op basis van het in die procedure gevoerde partijdebat ten aanzien van de ontvankelijkheid van [verzoekers] in hun vorderingen tegen [verweerders] , waarin de heropening van de vereffening als zodanig niet voorlag. In deze procedure ligt die heropening wel voor en moet de vraag beantwoord worden of de door [verzoekers] gestelde baten voldoende aannemelijk zijn, waaronder overigens ook potentiële baten vallen. Anders dan [verweerders] aanvoeren, heeft de rechtbank Noord-Nederland haar beslissingen ten aanzien van de vorderingen tegen Verkuisen dan ook nadrukkelijk aangehouden in afwachting van de heropeningsbeslissingen in deze zaak.

De rechtbank constateert verder met [verzoekers] dat [verweerder 1] en [belanghebbende] . mogelijk de nodige verwijten kunnen worden gemaakt van de gang van zaken rondom de turboliquidaties van [bedrijven] In deze zaak ligt echter niet voor of hen daarvan als bestuurders persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en zij op grond daarvan aansprakelijk zijn tegenover [verzoekers] Het gaat erom of één en ander grond is voor een vordering van deze vennootschappen zelf op haar voormalig bestuurders (interne bestuurdersaansprakelijkheid) en daarmee mogelijk sprake is van een bate. De rechtbank zal hier echter niet nader op ingaan, omdat op grond van het voorgaande al voldoende is gebleken van het bestaan van overige baten.

Heropening vereffening en benoeming vereffenaar

De rechtbank concludeert dat de door [verzoekers] gestelde vordering en baten voldoende aannemelijk zijn om hun verzoek te rechtvaardigen. De rechtbank zal de vereffening van ieder van [bedrijven] dus heropenen. Gelet op de hiervoor besproken aanleiding tot heropening van de vereffening en de geconstateerde onregelmatigheden rondom de turboliquidaties, ziet de rechtbank aanleiding om zelf een onafhankelijke vereffenaar te benoemen. Deze vereffenaar zal de rechtbank voor ieder van de vennootschappen benoemen.

De rechtbank heeft hiertoe mr. [naam 3] bereid gevonden. De rechtbank zal de vereffenaar een beloning toekennen (artikel 2:23 lid 2 BW) en bepaalt dat deze naar rato van de voor iedere vennootschap verrichte werkzaamheden ten laste van [bedrijven] gebracht kunnen worden. De beloning kan worden vastgesteld overeenkomstig de Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling.

Proceskosten

[verweerders] zijn in het ongelijk gesteld en moeten de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoekers] worden begroot op:

- griffierecht

€

341,00

- salaris advocaat

€

1.306,00

(2 punten × € 653,00)

- nakosten

€

189,00

Totaal

€

1.836,00

De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6. De beslissing

De rechtbank

heropent de vereffening van het vermogen van [bedrijf 1] B.V., voorheen gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,

heropent de vereffening van het vermogen van [bedrijf 2] B.V., voorheen gevestigd in [vestigingsplaats 3] ,

heropent de vereffening van het vermogen van [bedrijf 3] B.V., voorheen gevestigd in [vestigingsplaats 4] ,

benoemt tot vereffenaar van ieder van voornoemde vennootschappen mr. [naam 3] , kantoorhoudende te Amsterdam, en bepaalt dat zijn loon op de wijze zoals in nummer 5.20 omschreven, ten laste van [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. komt;

bepaalt dat de griffier van deze benoeming terstond aan de vereffenaar mededeling doet,

bepaalt dat de vereffenaar ervoor zorg dient te dragen dat zijn optreden als vereffenaar wordt ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel,

veroordeelt [verweerder 1] en [verweerder 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.836,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en de beschikking daarna wordt betekend,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.F. de Groot, rechter, bijgestaan door mr. W.B. Fonville, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.P.F. de Groot

Griffier

  • mr. W.B. Fonville

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand