RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-199885-26 (EAB I)
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 14 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 mei 2021 door the Circuit Court in Płock, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1976 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres 1],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 oktober 2021, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een enforceable final decision of the District Court in Żyrardów of November 18, 2020, court ref. no. Il Kp 388/20 on imposing preliminary arrest for 14 (fourteen) days since the arrestment date on [opgeëiste persoon], referentienummer PR Ds. 1113.2017.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Verzoek van de raadsman
De advocaat heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. Op die manier kan de opgeëiste persoon de straf in Nederland ondergaan als hij in Polen wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. Uit het bericht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 18 september 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland is geregistreerd als duurzaam verblijvend EU-burger en dat de beschreven strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat hij zijn verblijfsrecht verliest. Door de uitvaardigende justitiële autoriteit is een terugkeergarantie verstrekt.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, derde lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten:
De eerste voorwaarde
Uit een brief van de IND van 18 september 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 30 mei 2022 in Nederland is geregistreerd als duurzaam verblijvend EU-burger. Aan de eerste voorwaarde is voldaan.
De tweede voorwaarde
Uit de brief van de IND van 18 september 2026 volgt dat de strafrechtelijke antecedenten die zijn beschreven er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest. Dit betekent dat ook aan de tweede voorwaarde is voldaan.
Garantie
De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon naast de ononderbroken rechtmatige verblijfsduur zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Polen. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland.De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag uitzitten als hij na overlevering in Polen wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.
De District Court in Płock heeft op 28 september 2026 de volgende garantie gegeven ten aanzien van de opgeëiste persoon:
“You can submit a reservation/objection by regarding the execution of EAW, stating that you will transfer the wanted person provided that the prison sentence is carried out in your country. The Court in Poland will not initiate enforcement proceedings. In such case, the court immediately after the judgment becomes final, issues a decision to transfer the convicted person to the appropriate European Union member state to carry out the imposed sentence (Article 607j of the Polish Code of Criminal Procedure).
The court therefore gives an assurance that if a request for the surrender of the wanted person is granted with that reservation/objection mention above it will immediately transfer the wanted person back to the Kingdom of the Netherlands to carry out the imposed sentence.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6. Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden
Inleiding
In eerdere uitspraken heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt hierbij is dat slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) op
10 september 2026 de volgende vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten:
“1. In which remand prison will [opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender?
2. How much m2 personal space (excluding sanitary facilities) will [opgeëiste persoon] have in a multi-occupancy cell? In case [opgeëiste persoon] will be provided with an amount of personal space between 3 and 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell, could you please answer the following question(s):
3. Can you guarantee that the wanted person will be able to spend at least two hours per day outside of his cell?
4. If not, how many hours per day on average would [opgeëiste persoon], under normal
circumstances, be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all opportunities offered to him to leave his cell?
The Court requests information on:
Which activities the wanted person can participate in;
The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library,
common rooms, etc.);
The frequency of such activities and how much time the wanted person can access
the common areas outside of the cell;
Whether the permission to participate in activities or access to common areas is
dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case, which
conditions or procedural rules; and/or
Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general
risk of ill-treatment has been discounted.”
Op 28 september 2026 heeft een rechter van de District Court in Sieradz de volgende informatie verstrekt.
“1. In accordance with general rules regarding the allocation of detainees, men held at the disposal of the Regional Prosecutor's Office in Sieradz are placed in the Sieradz Penitentiary located at [adres 2].
2. Arrested persons are placed in multi-occupancy or single-occupancy cells. The living space per inmate in a cell is at least 3 square meters. The floor area of a living space does not include window or radiator recesses, areas located beyond internal security grilles, or partitioned sanitary corners,
3. A person held in pre-trial detention in a penitentiary facility is guaranteed the opportunity to spend at least two hours a day outside their cell, engaging in any forms of activity provided for by law (including, among others, participation in organized activities, outdoor exercise, and visits),
4. Upon potential placement in the Sieradz Penitentiary, [opgeëiste persoon] - as a person in pre-trial detention - will be able to participate in the following activities:
* outdoor exercise – daily, 1 hour
* educational talks - once a week, 1 hour
* day-room activities – daily - 1 hour 15 minutes
* outdoor activities - 4 times a week, 1 hour
* religious services - once a week, 45 minutes
* counseling and psychological sessions - approximately 20 minutes (depending on the needs of the detainees)
* concerts - once a quarter - 2 hours day-room activities - twice a week, 1 hour
* table tennis tournament - once a week, 2 hours
* interest groups - twice a week, 1 hour
Participation in activities and access to common areas take place according to a schedule and at the initiative of the arrested person (particularly regarding exhibitions, religious services, and interest groups), as well as
based on rights stemming directly from the Polish Code of Execution of Penalties (outdoor exercise).”
Op 28 september 2026 heeft het IRC de volgende aanvullende vraag gesteld:
“On 10 September we have requested additional information for both EAW’s with regards to his placement in a remand regime after surrender. On 22 September, we have requested, for both EAW’s, a guarantee of return, since [opgeëiste persoon] has the right of permanent residence in the Netherlands. We have received answers from the District Court in Sieradz (see attachments).
Can you please confirm that these answers also apply to the EAW of 31 May 2021, issued by the Regional Court in Plock, with reference II Kop 11/21?”
Op 6 oktober 2026 heeft een rechter van de District Court in Plock daarop het volgende geantwoord.
“In response to your inquiry (EAW of 31 May 2021, issued by the District Court in Płock, with reference II Kop 11/21, concerning [opgeëiste persoon]) the District Court in Płock kindly informs
- all the information contained in the letter presented by the District Court in Sieradz (EAW of 18 February 2020, issued by the District Court in Sieradz with reference II Kop 2/20) also relates to EAW of 31 May 2021, issued by the District Court in Płock, with reference II Kop 11/21,
- in accordance to general rules [opgeëiste persoon] after possibly handing him over to the territory of the Republic of Poland, will be placed in Sieradz Penitentiary located in Sieradz, because he is the first prosecutor at his disposal,
- confirms the previously given guarantee of return given to [opgeëiste persoon].”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om aanvullende vragen te stellen over de verstrekte detentiegarantie. Het bericht waarin de detentiegarantie wordt gegeven lijkt te zijn ondertekend door een rechter. Het is ongebruikelijk dat een magistraat een detentiegarantie verstrekt. Doorgaans wordt deze verstrekt door de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering geplaatst wordt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Aan de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt gevraagd te garanderen dat een vastgesteld algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. Wie of welke instantie vervolgens op deze vraag reageert is niet relevant. Het vertrouwensbeginsel brengt mee dat uitgegaan dient te worden van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Poolse autoriteiten, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon in het remand regime, waar hij na overlevering in zal worden geplaatst, geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. De rechtbank stelt vast dat uit de aanvullende informatie van 28 september 2026 en 6 oktober 2026 volgt dat de opgeëiste persoon een persoonlijke leefruimte van minimaal 3 m2 exclusief sanitair ter beschikking zal krijgen. Desgevraagd heeft de een rechter van de District Court in Sieradz bevestigd dat de opgeëiste persoon, als hij ervoor kiest om aan alle aangeboden activiteiten deel te nemen, elke dag meer dan twee uur buiten zijn cel kan doorbrengen. Deze geboden garantie is voldoende om voor de opgeëiste persoon het algemene gevaar, dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in het remand regime in Poolse penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, weg te nemen.
De informatie over de detentieomstandigheden is verstrekt door de Poolse autoriteiten, niet zijnde de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verstrekte informatie. Dat het bericht waarin de informatie is gegeven afkomstig is van een rechter, maakt dit niet anders. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen over de detentiegarantie en wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsman af.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Płock, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. L. Sanders en E. de Rooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.