RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12206308 \ CV EXPL 26-6137
Vonnis van 16 oktober 2026
in de zaak van
DE PUBLIEKRECHTELIJKE RECHTSPERSOON GEMEENTE AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Gemeente Amsterdam,
gemachtigde: van Twuijver Incasso B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 april 2026, met producties,
- het proces-verbaal van het mondeling antwoord.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 september 2026. Namens de gemachtigde van Gemeente Amsterdam is verschenen mevrouw [naam]. [gedaagde] is in persoon verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Gemeente Amsterdam verhuurt sinds 1 augustus 2013 aan [gedaagde] een perceel van 264 m2, gelegen aan [adres], bestemd om te worden gebruikt als tuin/erf behorende bij de ligplaats aan dit adres (hierna: het gehuurde).
Bij vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam van 5 maart 2024 (zaaknummer 10639923 CV EXPL 23-10657) is [gedaagde] veroordeeld tot betaling aan Gemeente Amsterdam van een bedrag van € 2.674,74 aan huurachterstand over de periode 1 oktober 2017 tot en met februari 2020, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2023 tot aan de voldoening.
De gemachtigde van Gemeente Amsterdam heeft [gedaagde] bij brief van 3 september 2025 laten weten dat sprake is van een betalingsachterstand met betrekking tot verzonden nota’s over de periode van 1 maart 2020 tot 1 maart 2024 van € 6.524,43.
3. Het geschil
Gemeente Amsterdam vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.542,43 aan huurachterstand, € 1.448,27 aan vervallen wettelijke rente en € 1.720,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en vermeerderd met de wettelijke rente.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Ambtshalve toetsing consumentenrecht
De huurovereenkomst die in deze procedure centraal staat is gesloten met een consument ([gedaagde]), zodat ambtshalve toetsing aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht moet plaatsvinden, in het bijzonder aan de Richtlijn 93/13 EG (Richtlijn oneerlijke bedingen).
Het huurprijsbeding (artikel 3.1 van de huurovereenkomst) is transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
Artikel 6.1 (huurprijswijziging) en artikel 16.1 (rente) van de huurovereenkomst worden niet oneerlijk bevonden.
Artikel 17.1 luidt, voor zover hier van belang:
“17.1 Indien Huurder in gebreke blijft in enige verplichting, zijn alle kosten voortvloeiende uit gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen, die door Verhuurder moeten worden genomen, voor rekening van Huurder.”
In het vonnis van 5 maart 2024 (10639923 CV EXPL 23-10657) is dit beding oneerlijk bevonden. De kantonrechter is ook in deze procedure van oordeel dat het beding oneerlijk is. Er wordt van uitgegaan dat de huurder (in beginsel) verplicht is om alle kosten te betalen die door Gemeente Amsterdam zijn gemaakt door het niet nakomen van de huurovereenkomst. Dit kan ertoe leiden dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument komen en dit kan meer zijn dan wettelijk is toegestaan. In het beding staat bovendien niet (voldoende duidelijk) dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast.
Als een beding oneerlijk is, moet de kantonrechter dat beding vernietigen. Gemeente Amsterdam mag die bepaling dan niet meer gebruiken en zij mag, kort gezegd, niet terugvallen op de Nederlandse wet- en regelgeving (zie ECLI:EU:C:2021:68, Dexia). De huurovereenkomst is niet (door Gemeente Amsterdam, met instemming van [gedaagde]) gewijzigd en bevat nog steeds het betreffende beding. Er mag op grond van voornoemd Dexia-arrest dus nog steeds niet worden teruggevallen op de Nederlandse regelgeving. Het eerdere vonnis zet die regel niet opzij.
De conclusie uit het voorgaande is dat het beding oneerlijk is en wordt vernietigd. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.
Artikel 17.1 is bovendien oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten mogen niet lager worden vastgesteld dan het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet passend. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
De huurachterstand en de wettelijke rente
[gedaagde] erkent dat er een huurachterstand is ontstaan. Zijn stelling dat de hoogte van de gevorderde huurachterstand niet klopt heeft hij geenszins onderbouwd, zodat aan die stelling voorbij wordt gegaan. Het gevorderde bedrag van € 6.542,43 wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet ook de wettelijke rente over de huurachterstand betalen. Tot de datum dagvaarding bedraagt de reeds verschenen rente € 1.448,27. Dit bedrag wordt toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente over de reeds verschenen rente overweegt de kantonrechter dat deze rente niet reeds over een vol jaar verschuldigd is. Daarom wordt de wettelijke rente slechts toegewezen over de huurachterstand vanaf de datum dagvaarding.
Proceskosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gemeente Amsterdam worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
126,46
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.549,46
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Gemeente Amsterdam te betalen:- € 6.542,43 aan huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 23 april 2026, tot de dag van volledige betaling,
- € 1.448,27 aan verschenen wettelijke rente.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.549,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.
64443