RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12250544 \ EA VERZ 26-643
Beschikking van 20 oktober 2026
in de zaak van
STICHTING PANTAR AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Pantar,
gemachtigden: mr. J.R. van Rij en mr. M. Hurks,
tegen
[verwerende partij] ,
wonende te [woonplaats],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verwerende partij],
procederend in persoon.
1. De procedure
Pantar heeft op 29 mei 2026 een verzoekschrift, met producties, ingediend. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft Pantar een deurwaardersexploot van betekening van het verzoekschrift en de dagbepalingsbrief overgelegd. [verwerende partij] heeft geen verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 september 2026. Namens Pantar is [naam coach] (coach) verschenen, bijgestaan door de gemachtigden. [verwerende partij] is niet verschenen.
Omdat [verwerende partij] niet op de zitting is verschenen en geen verweerschrift heeft ingediend, heeft de kantonrechter ter zitting onderzocht of [verwerende partij] op de juiste wijze is opgeroepen. De kantonrechter heeft vastgesteld dat Pantar het verzoekschrift en de dagbepalingsbrief per deurwaardersexploot van 16 juni 2026 aan [verwerende partij] heeft laten betekenen, door achterlating daarvan in een gesloten envelop. Daarnaast heeft de kantonrechter vastgesteld dat [verwerende partij] de door de rechtbank verstuurde brief, waarin is verzocht om opgave van verhinderdata, retour gestuurd heeft met daarop een (niet inhoudelijke) handgeschreven suggestie. Op basis daarvan, in samenhang met de betekening van het verzoekschrift en de dagbepalingsbrief, heeft de kantonrechter geconcludeerd dat het voldoende aannemelijk is dat Pantar bekend is geraakt met de procedure en de datum van de mondelinge behandeling. Om die reden is geen nieuwe datum voor de mondelinge behandeling bepaald.
Pantar is vervolgens gehoord en heeft vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De kern
[verwerende partij] is sinds 31 juli 2012 in dienst van Pantar, op basis van een indicatie op grond van de (voormalige) Wet sociale werkvoorziening (hierna: Wsw-indicatie). De beperkingen van [verwerende partij] zijn van psychische aard. [verwerende partij] is in mei 2025, zonder bericht, niet op het werk verschenen. Zij heeft ook daarna niet gewerkt en is, ondanks pogingen van Pantar om contact te krijgen, meerdere maanden onbereikbaar geweest. Pantar verzoekt daarom in deze procedure dat de arbeidsovereenkomst ontbonden wordt. De kantonrechter oordeelt dat [verwerende partij] verwijtbaar heeft gehandeld en ontbindt de arbeidsovereenkomst. Dat wordt hierna uitgelegd.
3. De beoordeling
De achtergrond
Pantar is een organisatie die personen met een afstand tot de arbeidsmarkt begeleidt. Zij biedt personen die niet in staat zijn om deel te nemen aan het reguliere arbeidsproces de kans om onder aangepaste omstandigheden te werken. Het gaat onder meer om personen die zijn ingestroomd in de (voormalige) Wet Sociale Werkvoorziening (Wsw).
[verwerende partij] heeft sinds 2011 een Wsw-indicatie. De beperkingen van [verwerende partij] zijn van psychische aard. Haar ziekte of handicap is door het UWV ingedeeld in de categorie ‘ernstig’. [verwerende partij] is, op basis van deze Wsw-indicatie, sinds 31 juli 2012 in dienst van Pantar, in de functie van (laatstelijk) medewerker productie en techniek. Zij heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het loon bedroeg laatstelijk € 626,41 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao voor Sociale Werkvoorziening van toepassing.
Verwijtbaar handelen
Pantar verzoekt dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Een arbeids-overeenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
Pantar heeft primair aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat [verwerende partij], door langdurig en zonder enige berichtgeving ongeoorloofd afwezig te zijn, (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld. Pantar wordt daarin gedeeltelijk gevolgd. Daarvoor is het volgende redengevend.
Als onweersproken staat vast dat [verwerende partij] op 27 mei 2025 onverwachts en zonder bericht niet op het werk is verschenen. Ondanks tussentijds telefonisch contact met haar werkbegeleider, heeft [verwerende partij] ook de eerstvolgende werkdag niet gewerkt, wederom zonder zich vooraf af te melden. Pantar heeft [verwerende partij] vervolgens meermaals en op diverse manieren geprobeerd te bereiken, maar zonder resultaat. Daarnaast heeft zij [verwerende partij] meerdere keren (bij brieven van 27 juni en 11 juli 2025) gewezen op het verzuimprotocol, haar gewaarschuwd dat uitblijven van contact zou kunnen leiden tot een loonstop en haar opgeroepen om te verschijnen op meerdere (zekerheidshalve) ingeplande afspraken bij de bedrijfsarts.
[verwerende partij] heeft daarop geen contact opgenomen en is niet verschenen op de aangekondigde afspraken bij de bedrijfsarts. Ook nadat Pantar, in een poging om [verwerende partij] ertoe te bewegen om contact op te nemen, het loon bij brief van 5 september 2025 had stop gezet, heeft [verwerende partij] geen contact opgenomen. Dat deed zij ook niet nadat Pantar in december 2025 en januari 2026 [verwerende partij] nogmaals heeft proberen te bereiken. Zij heeft daarmee verwijtbaar gehandeld.
Dat handelen is zodanig dat van Pantar in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. Van Pantar kan, als werkgever in een sociale werkomgeving, weliswaar worden verwacht dat zij in grotere mate onbehoorlijk gedrag kan verdragen. Maar van haar kan niet verwacht worden dat zij een werknemer die al meer dan een jaar onbereikbaar is en geen werkzaamheden heeft verricht, in dienst houdt. Daarnaast heeft Pantar niet direct naar het ‘laatste redmiddel’ van ontslag gegrepen, maar zich geduldig opgesteld. Zij heeft [verwerende partij] meerdere waarschuwingen geven en is pas na ruim drie maanden overgegaan tot een loonstop. Pantar heeft veelvuldig, niet alleen direct maar ook via andere kanalen, geprobeerd om in contact te komen met [verwerende partij]. Zij heeft hulp ingeschakeld van de politie – die op 14 juli 2025 (na forcering van de voordeur) [verwerende partij] in haar woning heeft aantroffen en haar verzocht heeft om contact op te nemen met Pantar –, een dossier laten aanmaken bij Meldpunt Zorg en Overlast Zuidoost en contact gehad met de klantmanager van de gemeente Amsterdam. Dit alles heeft niet geleid tot contact of verandering in het gedrag van [verwerende partij], terwijl voor haar duidelijk moet zijn geweest dat dit tot het eindigen van de arbeidsovereenkomst zou leiden.
De langdurige afwezigheid van [verwerende partij] in combinatie met de vergeefse inspanning van Pantar om het contact te herstellen, leveren naar het oordeel van de kantonrechter dan ook een voldragen grond op voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, namelijk de e-grond (verwijtbaar handelen). Dat sprake is van verwijtbaar handelen, maakt dat herplaatsing niet in de rede ligt.
Geen opzegverbod
De wet bepaalt dat voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, naast een voldragen grond, vereist is dat er geen opzegverboden gelden. Als er wel opzegverboden gelden kan de arbeidsovereenkomst niet ontbonden worden, tenzij het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben of het eindigen van de arbeidsovereenkomst in het belang van werknemer is.
Van een opzegverbod is onvoldoende gebleken. Hoewel [verwerende partij] psychische problematiek ervaart, is onvoldoende komen vast te staan dat zij wegens ziekte ongeschikt is om haar arbeid te verrichten. [verwerende partij] ervaart de problematiek al sinds de aanvang van de arbeidsovereenkomst en heeft haar werk gedurende grofweg de eerste dertien jaar van haar dienstverband naar tevredenheid van Pantar verricht (zoals blijkt uit overgelegde beoordelingsverslagen). Hoewel niet ondenkbaar is dat de plotselinge verandering in het gedrag van [verwerende partij] is veroorzaakt door (een verslechtering van) haar psychische gesteldheid, is dit niet als zodanig door [verwerende partij] – die geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd – aangevoerd of door een arts vastgesteld. De psychische problematiek van [verwerende partij] staat dan ook niet aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg.
Ontbinding 3.11. De conclusie is dus dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Pantar heeft verzocht daarvoor een zo kort mogelijke termijn te bepalen, omdat de ontbinding volgens haar het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verwerende partij]. De kantonrechter gaat daar niet in mee. Hoewel het handelen van [verwerende partij] zeer onwenselijk is, kan dit handelen haar niet ernstig verweten worden. De beperkingen van [verwerende partij] zijn van psychische aard en zijn door het UWV gekwalificeerd als ‘ernstig’. Dit maakt niet dat elk onwenselijk gedrag van [verwerende partij] daardoor gerechtvaardigd wordt, maar maakt wel dat haar handelen anders gewogen moet worden. Hoewel sprake is van hardnekkige werkweigering en [verwerende partij] stelselmatig contact heeft afgehouden, kan in het licht van haar psychische toestand niet worden vastgesteld dat zij daarbij welbewust, kwaadwillend of opzettelijk heeft gehandeld. Van ernstige verwijtbaarheid is naar het oordeel van de kantonrechter dus geen sprake.
Om die reden zal de kantonrechter niet een eerder tijdstip bepalen, maar uitgaan van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. De opzegtermijn bedraagt drie maanden. Het eindigen van de arbeidsovereenkomst is niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van Pantar, zodat de proceduretijd op die termijn in mindering wordt gebracht. Omdat altijd ten minste één maand over moet blijven, wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden op 20 november 2026.
Omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, blijft Pantar de transitievergoeding verschuldigd.
De proceskosten
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.
4. De beslissing
De kantonrechter
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 20 november 2026,
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
wijst het meer of anders verzochte af,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Wiltjer, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 20 oktober 2026.
64183