ECLI:NL:RBAMS:2023:9095

ECLI:NL:RBAMS:2023:9095, Rechtbank Amsterdam, 24-05-2023, C/13/711377 / HA ZA 21-1089

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 24-05-2023
Datum publicatie 20-11-2025
Zaaknummer C/13/711377 / HA ZA 21-1089
Rechtsgebied Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001860

Samenvatting

uitleg summier vastgelegde overeenkomst jaren na dato, faillissement, artikel 29 Fw

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

2 [gedaagde 2] ,

vonnis

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/711377 / HA ZA 21-1089

Vonnis van 24 mei 2023

in de zaak van

de stichting

STICHTING CONTINUÏTEIT CITADEL GROEP,

gevestigd te Hilversum,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,

tegen

1. mr. [gedaagde 1] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gefailleerde] B.V

kantoorhoudend te [kantoorplaats] ,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M.H.J.A. Wesselink

en

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.C.J. Wouters te Hilversum.

Partijen zullen hierna Citadel, de curator respectievelijk [gefailleerde] en [gedaagde 2] worden genoemd. [gefailleerde] en [gedaagde 2] zullen samen worden aangeduid als [gedaagden]

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 3 april 2019, hersteld bij vonnis van 15 mei 2019 (hierna: Vonnis II),

het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 21 september 2021 (hierna: Arrest II),

de rolbeslissing van 5 januari 2022,

de akte ten behoeve van de comparitie van Citadel met producties 60 t/m 90,

de antwoordakte van [gedaagden] met producties 64 en 65,

de akte op voorhand van [gedaagden] met productie 66,

de rolbeslissing van 8 juni 2022, waarin is beslist om de akte op voorhand van [gedaagden] te weigeren en een deel van de antwoordakte van [gedaagden] buiten beschouwing te laten,

het proces-verbaal van comparitie van 7 juli 2022,

de rolbeslissing van 13 juli 2022, inhoudende een bevel ex artikel 22 Rv,

de akte na comparitie van [gefailleerde] met productie 67 en 68,

de (rol)beslissing van 8 september 2022 inhoudende dat de akte van [gefailleerde] buiten beschouwing wordt gelaten voor zover daarin wordt ingegaan op andere onderwerpen dan de in het geding gebrachte stukken,

de antwoordakte conform de rolbeslissing van 13 juli 2022 van Citadel van 21 december 2022, met producties 91 tot en met 94,

het rolbericht van 21 december 2022 waarin de procedure in conventie (van rechtswege) jegens [gefailleerde] is geschorst in verband met haar faillissement,

de rolberichten van 24 en 25 januari waarin mr. Wesselink zich stelt voor de curator van [gefailleerde] en het nadere rolbericht van mr. Wesselink van 2 februari 2023 waarin hij desgevraagd bevestigt dat de curator het geding in reconventie overneemt,

de akte houdende uitlating van 18 januari 2023 van [gedaagde 2] , met productie 69,

de brief van Citadel van 1 februari 2023 waarin zij bezwaar maakt tegen de akte uitlating van [gedaagde 2] van 18 januari 2023,

de brief van [gedaagde 2] van 2 februari 2023 waarin hij reageert op de brief van Citadel van 1 februari 2023,

de reactie van de rechtbank van 7 februari 2023 waarin zij partijen laat weten dat de discussie is gesloten en dat in het vonnis op de bezwaren van Citadel zal worden beslist.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

Vanwege het faillissement van [gefailleerde] , uitgesproken op 29 november 2022, is de procedure tegen haar in conventie van rechtswege geschorst. De curator heeft de procedure in reconventie overgenomen. Zodoende resteren op dit moment ter beoordeling de vorderingen in conventie tegen [gedaagde 2] en de vorderingen in reconventie. De grondslag van die vorderingen in conventie is onrechtmatig handelen, dat eruit bestaat dat [gedaagde 2] als bestuurder van [gefailleerde] onjuiste informatie heeft verstrekt of belangrijke informatie heeft achtergehouden, als gevolg waarvan hij Citadel een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven, terwijl Citadel bij een juiste voorstelling van zaken de transactie met [gefailleerde] niet zou zijn aangegaan. Citadel doelt hiermee met name op de informatie die [gedaagde 2] aan Citadel heeft verstrekt (althans voor haar heeft achtergehouden) over de financiële situatie van Shopex en daarmee over de waarde van de Shopex inbreng.

in conventie

In het Vonnis II is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“(…)

Nu Citadel in de bewijslevering is geslaagd en dus vaststaat dat de optieregeling is overeengekomen, dient de rechtbank te beoordelen of [gefailleerde] en/of [gedaagde 2] — zoals Citadel heeft gesteld en [gefailleerde] en [gedaagde 2] hebben betwist — onrechtmatig hebben gehandeld bij het aangaan van de gewijzigde transactie waarvan de optieregeling onderdeel uitmaakt en of [gefailleerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de gewijzigde transactie, een en ander zoals weergeven bij 3.5 e.v. van het tussenvonnis. Nu het debat tussen partijen zich tot op heden heeft toegespitst op de vraag of het onderhandelingsverslag bindende afspraken bevat voor [gefailleerde] en Citadel, is de rechtbank van oordeel dat het debat over de wederzijdse verplichtingen als deze afspraken bindend zijn tot op heden onvoldoende belicht is gebleven.

Citadel heeft geen nakoming van de optie maar vervangende schadevergoeding gevorderd en heeft tevens gesteld dat zij door onrechtmatig handelen van [gefailleerde] en/of [gedaagde 2] van een onjuiste waarde van Shopex is uitgegaan en dat ook na de transactie onrechtmatige onttrekkingen aan Shopex hebben plaatsgevonden. [gedaagden] stellen dat de waarde van Citechma en [naam BV 1] nihil was.

De rechtbank zal de gevorderde schadevergoeding als volgt berekenen. Uitgangspunt is de onder 2.14 weergegeven berekening [het handgeschreven onderhandelingsverslag, rb]. Deze geeft aan dat de waarde van het bij inroeping van het optierecht te leveren aandelenpakket € 9 miljoen was. Dit geldt als uitgangspunt, zij het met de volgende correcties:

• deze waarde gold ten tijde van de transactie, de verandering in de waarde van deze aandelen in de periode tussen de transactie en het inroepen van de optie komt ten laste van Citadel;

• indien de waarde van Shopex ten tijde van de transactie op onrechtmatige wijze hoger is voorgesteld dan de werkelijke waarde komt het verschil voor rekening van [gefailleerde] en/of [gedaagde 2] ;

• indien de waarde van Shopex in de periode tussen de transactie en het inroepen van de optie is verminderd door onrechtmatige onttrekkingen, komt dat ten laste van [gefailleerde] en/of [gedaagde 2] ;

• indien de waarde van Citechma en [naam BV 1] per 31 december 2010 afwijkt van de voorlopig vastgestelde € 3,9 miljoen, moet het verschil verrekend worden.

Hierbij geldt dat Citadel het gestelde onrechtmatig handelen zal moeten bewijzen, terwijl het op de weg van [gefailleerde] ligt te bewijzen dat de waarde van Citechma en [naam BV 1] per 31 december 2010 lager was dan € 3,9 miljoen, en het op de weg Citadel ligt om te bewijzen dat die waarde hoger was.

(…)

Nu de in dit vonnis genomen beslissing over de bewijslevering en de gekozen benadering van de wijze van schadebegroting van beslissend belang zijn voor het verdere procesverloop, ziet de rechtbank aanleiding tussentijds hoger beroep toe te staan.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

(…)”

[gedaagden] heeft vervolgens tussentijds hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 21 september 2021 is het tussenvonnis bekrachtigd. Tegen dat arrest is geen cassatie ingesteld, zodat in deze procedure vaststaat dat:

- niet kan worden aangenomen dat [naam 1] in privé op grond van de optieregeling een optierecht heeft verkregen (arrest II, r.o. 4.11-4.19);

- niet kan worden aangenomen dat met “Shopex” in de optieregeling Shopex Group BV. bedoeld werd (arrest II, r.o. 4.20-4.29).

- met ‘exit’ het moment van uittreden als aandeelhouder wordt bedoeld, dat het uitoefenen van de optie en daarmee het toetreden als aandeelhouder vooraf gaat aan de exit en dat dit betekent dat [gefailleerde] de aandelen bij het uitoefenen van de optie moet leveren, er op dat moment geen verrekening plaatsvindt en er voorlopig niets (bij)betaald hoeft te worden (arrest II, r.o. 4.30-4.37).

Over rechtsoverweging 2.19 van vonnis II heeft het hof (arrest II, r.o. 4.4) geoordeeld dat de rechtbank daar gegevens heeft vermeld, die zij zich voorstelt bij berekening van schade tot vertrekpunten te nemen. Daarmee heeft de rechtbank een kader gegeven voor discussie over de berekening van schade. Die discussie zal in eerste aanleg nog moeten worden voortgezet, aldus het hof.

Verder heeft [gedaagden] ter zitting haar bezwaar toegelicht tegen de vaststelling door het hof dat met de afspraken die zijn vastgelegd in het onderhandelingsverslag een optieregeling is beoogd (r.o. 4.10 van Arrest II). [gedaagden] wijst erop dat een optie tot verkrijging van 51% van de aandelen in Citechma door [naam 1] in privé, is achterhaald door of vanwege de Gewijzigde Transactie. Alleen de optie tot verkrijging van 45% van de aandelen in [naam BV 2] resteerde daarna. Citadel gaat daar ook van uit, althans heeft deze visie van [gedaagden] op de afspraken tussen partijen niet weersproken. Dat betekent dat partijen het erover eens zijn dat de optieregeling verkrijging door Citadel van 45% van de aandelen in [naam BV 2] inhoudt, zodat dat ook in deze procedure vaststaat.

Omdat de procedure in conventie tegen [gefailleerde] is geschorst, ligt in conventie alleen de vraag voor of [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld bij het aangaan van de gewijzigde transactie waarvan de optieregeling onderdeel uitmaakt.

Over het verwijt dat in de periode tussen de transactie en het inroepen van de optie onrechtmatige onttrekkingen hebben plaatsgevonden heeft de rechtbank in vonnis II (r.o. 2.20, tweede punt) geoordeeld dat Citadel zal moeten toelichten waaruit dat kan blijken. Aangezien Citadel hierop niet meer is teruggekomen is die toelichting niet gegeven. Voor de in dit vonnis te nemen beslissing is dat overigens niet van belang, omdat niet is gesteld dat [gedaagde 2] van de gestelde onttrekkingen een persoonlijk ernstig verwijt is te maken.

Ten aanzien van de bezwaren van Citadel tegen de akte houdende uitlating van 18 januari 2023 van [gedaagde 2] geldt dat de rechtbank haar hierna volgende oordeel niet op de inhoud van die akte baseert, zodat Citadel geen belang heeft bij een beslissing op dit punt.

Onrechtmatig handelen?

Citadel legt aan haar stelling dat [gedaagde 2] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld ten grondslag dat de informatie over de financiële positie van Shopex die [gedaagde 2] voorafgaand aan de gewijzigde transactie aan Citadel heeft verstrekt niet klopte of niet volledig was. De aandelen in Shopex en de vordering van [gefailleerde] op Shopex (hierna: de Shopex Inbreng) zouden samen € 13,2 miljoen waard zijn, maar volgens Citadel blijkt uit het rapport van Accuracy dat zij heeft laten opstellen, dat de werkelijke waarde van Shopex op het moment van inbreng (eind 2010) nihil was. [gedaagde 2] moet als (indirect) bestuurder van Shopex met de juiste financiële positie bekend zijn geweest. [gedaagde 2] heeft daarom Citadel vals voorgelicht en haar op onjuiste gronden bewogen tot het aangaan van de Gewijzigde Transactie. Citadel zou de transactie bij de juiste voorstelling van zaken niet zijn aangegaan. Door Citadel op deze manier te misleiden heeft [gedaagde 2] jegens haar onrechtmatig gehandeld, aldus Citadel.

[gedaagde 2] betwist dat de waarde van de Shopex Inbreng onjuist is voorgesteld en in werkelijkheid nihil was. Hij wijst erop dat Accuracy in haar waarderingsrapport uitgaat van onjuiste gegevens en wijsheid achteraf. Het klopt dat aan Salutary B.V., de moedermaatschappij van Shopex, naderhand, op 21 oktober 2011 voorlopige surseance van betaling is verleend en dat zij kort daarop failliet is verklaard, maar daaruit wordt ten onrechte geconcludeerd dat Shopex er ten tijde van de inbreng financieel slecht voor stond. Onder meer blijkt nergens uit dat Shopex aansprakelijk was voor de schulden van Salutary B.V., zoals Accuracy ten onrechte aanneemt. [naam 2] moet bovendien geacht worden op de hoogte te zijn geweest van de financiële situatie van Shopex, omdat hij jarenlang financieel adviseur is geweest van het Shopex concern, aldus [gedaagde 2] .

De stelling van Citadel dat sprake is van onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] hangt dus samen met de vraag of de Shopex Inbreng ten tijde van de gewijzigde transactie € 13,2 miljoen waard was. Het gaat daarbij om een ruwe schatting; partijen hebben er immers voor gekozen hun overeenkomst slechts vast te leggen in de handgeschreven aantekeningen van [naam 2] , hoewel daar nu vorderingen van enige miljoenen euro’s aan worden gekoppeld. Als het zo is dat deze aantekeningen niet de volledige afspraken tussen partijen behelzen, zijn partijen er in ieder geval niet in geslaagd een eenduidige of plausibele nadere uitleg aan die afspraken te geven. Voor zover de aantekeningen delen van de afspraken of uitleg daarvan onbeschreven laten, komt dit voor risico van partijen. Bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vorderingen over en weer zal de rechtbank dan ook louter acht slaan op hetgeen uit de aantekeningen van [naam 2] blijkt en hetgeen daarover eerder in deze procedure is vastgesteld en hiervoor onder 2.3 is samengevat.

Citadel onderbouwt haar stelling dat de waarde van de Shopex Inbreng in werkelijkheid nihil was met de conclusies uit het rapport van Accuracy. Daaruit volgt dat die lage waardering voor een belangrijk deel is gebaseerd op de aanname van Accuracy dat Shopex ten tijde van het aangaan van de gewijzigde transactie op 23 augustus 2010 zekerheid had verschaft althans hoofdelijk aansprakelijk was jegens ING voor de schulden van vennootschappen binnen de groep waarvan zij deel uitmaakte (hierna: het Shopex-concern).

Voorop staat dat de bewijslast met betrekking tot het bestaan van deze hoofdelijke aansprakelijkheid van Shopex op Citadel rust. Citadel beschikte niet over overeenkomst(en) die betrekking hebben op het financieringsarrangement tussen het Shopex-concern en ING, waardoor zij haar stelling niet nader heeft kunnen onderbouwen. [gedaagden] is daarom op grond van artikel 22 Rv opgedragen om de financieringsdocumentatie zoals die op 23 augustus 2010 tussen het Shopex-concern en ING gold in zijn geheel over te leggen, teneinde Citadel in staat te stellen aan haar stelplicht te voldoen, waarna de rechtbank de vorderingen van partijen over en weer zou kunnen beoordelen. [gedaagden] heeft vervolgens het standpunt ingenomen dat zij niet beschikt over de desbetreffende financieringsdocumentatie en dat zij die bij ING heeft opgevraagd. ING heeft geen financieringsdocumentatie willen verstrekken, omdat [gefailleerde] daar zelf geen partij bij was. [gedaagden] heeft de financieringsdocumentatie dus niet in het geding gebracht.

Uiteindelijk heeft Citadel de financieringsdocumentatie wel boven water gekregen en in het geding gebracht. Uit die financieringsdocumentatie blijkt dat Shopex zich hoofdelijk jegens ING heeft verbonden voor de nakoming van de gehele kredietfaciliteit van € 35 miljoen. [gedaagde 2] heeft aangevoerd dat Shopex ten tijde van het sluiten van de transactie al uit de hoofdelijkheid was ontslagen, maar onderbouwt dat niet. Of Shopex vanaf 1 november 2011 uit de hoofdelijkheid was ontslagen is voor de beoordeling ook niet relevant, omdat de rechtbank voorbij gaat aan hetgeen [gedaagde 2] stelt in zijn akte van 18 januari 2023, namelijk dat de overeenkomst van 23 augustus 2010 pas geldig werd nadat die uit de kluis werd gehaald in 2012. In de eerste plaats is er niets in het stuk zelf dat er op wijst dat de afspraken geen onmiddellijke werking hadden. Ook uit de door partijen over en weer gestelde gang van zaken rond de totstandkoming van de gemaakte afspraken en de bedoelingen van partijen daarbij is niet af te leiden dat was beoogd dat de afspraken die in het onderhandelingsverslag waren neergelegd niet direct van kracht zouden zijn. Bovendien is het standpunt dat de overeenkomst een kluisverklaring was die pas werking kreeg als deze uit de kluis kwam niet eerder in de procedure ingenomen en dus tardief aangedragen. De rechtbank gaat er dus vanuit dat Shopex ten tijde van het sluiten van de transactie, op 23 augustus 2010, hoofdelijk aansprakelijk was voor de kredietfaciliteit van het Shopex-concern bij ING. Deze conclusie strookt overigens ook met het standpunt van [gedaagden] zelf eerder in deze procedure (Verzoek om regie van [gedaagden] d.d. 27 augustus 2019, §3.54), het faillissementsverslag van de curator van Salutary B.V. en de door [gedaagden] overgelegde productie 66.

De vraag is vervolgens wat dit betekent voor de waarde van Shopex ten tijde van het sluiten van de transactie en de inbreng. Accuracy komt tot de conclusie dat de waarde van Shopex nihil was door kort gezegd te wijzen op de slechte financiële situatie van het Shopex-concern als geheel, die blijkt uit de zeer zorgelijke schuldpositie, de teruglopende omzet en winst en de reorganisatie die gaande was, de waarschuwing van materiële onzekerheid over de continuïteit van het concern bij de jaarrekening van 2009 en de verslechterende marktomstandigheden voor fysieke winkels en commercieel vastgoed omstreeks 2010, waardoor ernstig rekening moest worden gehouden met het risico dat Shopex zou worden aangesproken onder de kredietfaciliteit. Dat risico verwezenlijkte zich binnen een jaar na het sluiten van de transactie, toen de houdstermaatschappijen van Shopex failliet zijn verklaard.

Ofschoon op grond van het voorgaande kan worden gezegd dat de waarde van Shopex mede afhing van de toestand van het Shopex-concern als geheel en dat de risico’s die daaruit voortvloeiden van invloed zullen zijn geweest op de waarde die bij een normale bedrijfsovername aan Shopex zou zijn toegekend, rechtvaardigt dit nog niet de conclusie dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld. Uit het onderhandelingsverslag blijkt dat partijen ervoor hebben gekozen om op basis van de boekwaarde van de inbreng tot een transactie te komen. Men heeft over en weer kennelijk afgezien van enig onderzoek naar de mogelijk van de boekwaarde afwijkende werkelijke waarde van de inbreng en dus naar de daarop van invloed zijnde verhoudingen tussen groepsmaatschappijen, de financiële vooruitzichten van de groep als geheel en de gevolgen daarvan voor de waarde van Shopex. Slechts ten aanzien van de inbreng van Citechma en [naam BV 1] zijn (rudimentaire) afspraken opgetekend over eventuele afwijkingen van het eigen vermogen. Dat de boekwaarde van Shopex omstreeks de transactiedatum niet circa € 10 miljoen was is evenwel niet vast komen te staan.

Ook uit de continuïteitswaarschuwing bij de jaarrekening van 2009 kan niet worden afgeleid dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld door bij de onderhandelingen uit te gaan van de boekwaarde van Shopex, omdat die waarschuwing bij de jaarrekening over 2010 ontbreekt, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het lek toen weer boven was, voordat in 2011 alsnog het faillissement van (o.m.) Salutary B.V. volgde. Evenmin is vast komen te staan dat het faillissement van het Shopex-concern omstreeks het sluiten van de transactie voorzienbaar was. Citadel stelt dat niet en het blijkt ook niet uit het Accuracy-rapport.

Bij die stand van zaken kan weliswaar worden gesteld dat door de onderlinge afhankelijkheid van de groepsmaatschappijen binnen het Shopex-concern en de onzekere financiële positie van dat concern de boekwaarde van Shopex niet zonder meer als een juiste waarde kon worden gezien. Dat neemt echter niet weg dat partijen zijn uitgegaan van die boekwaarde en er dus kennelijk voor hebben gekozen de toekomstverwachtingen van de betrokken vennootschappen (inclusief de risico’s die voortvloeiden uit de onderlinge verbondenheid van groepsvennootschappen) niet in de waardering te betrekken. De vraag die dus gesteld moet worden is of het risico dat Salutary B.V. failliet zou gaan en dat vanwege de gevolgen daarvan Shopex waardeloos zou worden zo groot was dat [gedaagde 2] jegens Citadel onrechtmatig gehandeld heeft door aan Shopex de boekwaarde toe te kennen. Dat is niet het geval, omdat niet vast is komen te staan dat het faillissement van Salutary B.V. ten tijde van de transactie was te voorzien. Dus kan – mede gelet op de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid - niet worden gezegd dat [gedaagde 2] de waarde van Shopex ten tijde van de transactie op onrechtmatige wijze hoger heeft voorgesteld dan de werkelijke waarde. Het onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] als indirect bestuurder van Shopex en [gefailleerde] is daarmee onvoldoende komen vast te staan, zodat de vorderingen moeten worden afgewezen.

Deze uitkomst past bij het bijzondere karakter van de transactie tussen partijen, die immers gericht was op een voor de banken onzichtbare bevoordeling van Citadel, waarbij [naam 2] , die bekend was met de cijfers van het Shopex-concern en door beide partijen werd vertrouwd, een centrale rol speelde en van zijn berekeningen werd uitgegaan en waarbij geen plaats was voor de bij een normale bedrijfsovername gangbare due dilligence, zodat werd uitgegaan van boekwaarden. Bij dat bijzondere karakter past niet om achteraf de gangbare beoordelingsmaatstaven voor de waarde van ondernemingen te gaan toepassen en daarbij behorende spreekplichten en onderzoekplichten te hanteren.

In reconventie

Als tegenvordering vorderen [gedaagde 2] en de curator (i) een verklaring voor recht dat Citadel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gefailleerde] en [gedaagde 2] door diverse beslagen te leggen, (ii) veroordeling van Citadel tot vergoeding van de schade die [gefailleerde] en [gedaagde 2] daardoor hebben geleden en (iii) opheffing van de gelegde beslagen.

Op basis van het Vonnis II (aangehaald onder 2.2.) – zoals bekrachtigd door het hof – is het uitgangspunt dat [gefailleerde] een schadevergoeding aan Citadel is verschuldigd. De procedure in conventie over die vordering is in verband met het faillissement van [gefailleerde] geschorst om alleen dan te worden voortgezet indien de vordering ter verificatie wordt betwist. Het uitgangspunt dat [gefailleerde] een schadevergoeding aan Citadel is verschuldigd geldt vooralsnog. Daaruit vloeit voort dat de ten laste van [gefailleerde] gelegde beslagen, die door haar faillissement zijn komen te vervallen, niet onrechtmatig waren. Zodoende is er geen grond voor vergoeding van de als gevolg van die beslagen geleden schade.

Onder [gedaagde 2] zelf zijn geen beslagen gelegd.

De tegenvorderingen worden afgewezen.

kostenveroordelingen

in conventie

De vorderingen van Citadel op [gedaagde 2] worden afgewezen. Citadel zal daarom in de proceskosten van [gedaagde 2] worden veroordeeld. De proceskostenvergoeding zal echter worden gematigd vanwege de volgende omstandigheden.

De proceskosten van [gedaagde 2] zijn mede gemaakt ten behoeve van [gefailleerde] . Tot aan de schorsing van de procedure tegen [gefailleerde] lag het zwaartepunt van de procedure bij de vorderingen op [gefailleerde] (zie bijvoorbeeld Vonnis II, aangehaald onder 2.2). Omdat de procedure in conventie tegen [gefailleerde] is geschorst, komt een deel van de proceskosten (nu) niet voor vergoeding in aanmerking.

Verder heeft Citadel onnodig (uitgebreide) aktes moeten nemen vanwege de wijze van procederen door [gedaagde 2] , waarbij hij de rechtbank over cruciale onderwerpen onjuist heeft voorgelicht en in strijd met de waarheid heeft verklaard, niet heeft voldaan aan het bevel ex artikel 22 Rv (zie 2.13) en in zijn aktes verschillende keren uitgebreid is ingegaan op onderwerpen die nadrukkelijk buiten de orde waren. De kosten van die proceshandelingen komen voor rekening van [gedaagde 2] en strekken in mindering op de proceskostenvergoeding.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de proceskosten in afwijking van het Liquidatietarief begroot en de proceskostenvergoeding vaststelt op een bedrag van € 12.500,00.

in reconventie

De tegenvorderingen van [gedaagde 2] en de curator op Citadel worden eveneens afgewezen, zodat [gedaagde 2] en de curator in de proceskosten van de tegenvordering worden veroordeeld. Gelet op de samenhang van stellingen van partijen met die in conventie, worden de kosten aan de zijde van Citadel tot op heden begroot op nihil.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

- wijst de vorderingen tegen [gedaagde 2] af,

veroordeelt Citadel in de proceskosten van [gedaagde 2] , tot op heden begroot op € 12.500,00,

in reconventie

- wijst het gevorderde af,

- veroordeelt de curator en [gedaagde 2] in de proceskosten van Citadel, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. M. Wouters en mr. A.J. Beukenhorst, rechters in deze rechtbank, en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2023.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Wouters
  • mr. A.J. Beukenhorst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand