PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01095
Zitting 27 oktober 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 12 maart 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle (parketnr. 21-004101-23), wegens "mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot", veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N.J.H. Lina, advocaat in Groningen, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof niet ter terechtzitting heeft gereageerd op het voorafgaand aan de zitting gedane aanhoudingsverzoek. Het tweede middel komt op tegen de afwijzing van het aanhoudingsverzoek door het hof. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
2. Het procesverloop
De verdachte is door het hof bij verstek veroordeeld. Met betrekking tot de verstekverlening is in het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 februari 2025 het volgende opgenomen:
“De voorzitter deelt mede:
Het hof heeft voorafgaand aan de zitting een aantal e-mails van verdachte ontvangen, welke zijn gedateerd op 25 februari 2025. In de eerste e-mail heeft verdachte verzocht om aanhouding van de zaak. Dit aanhoudingsverzoek is door het hof afgewezen omdat het aanhoudingsverzoek onvoldoende is onderbouwd en de zaak eerder is aangehouden. Vervolgens heeft het hof een tweede e-mail van verdachte ontvangen, waarin ter onderbouwing wordt verwezen naar een door orthopedisch chirurg [naam 1] opgemaakte brief, gedateerd op 28 maart 2019. Daarop heeft het hof verdachte per e-mail laten weten dat de medische informatie uit 2019 niet kan leiden tot aanhouding van de zaak. Voorts heeft het hof een derde e-mail ontvangen waarin verdachte heeft verzocht om via videoverbinding aanwezig te zijn bij de behandeling van de zaak. Het hof heeft dit verzoek eveneens afgewezen. Tot slot heeft het hof een vierde e-mail van verdachte ontvangen waarin hij aangeeft dat hij nog een brief zal sturen van zijn huisarts, waar hij een dag na de zitting terecht kan.
De advocaat-generaal voert aan:
Ik handhaaf mijn per e-mail d.d. 25 februari 2025 ingenomen standpunt dat het aanhoudingsverzoek van verdachte dient te worden afgewezen omdat het onvoldoende is onderbouwd en de zaak eerder is aangehouden. Verder vorder ik dat tegen verdachte verstek wordt verleend en de zaak inhoudelijk af te doen.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich onder meer de volgende e-mailberichten:
- een e-mailbericht van – ik begrijp – de verdachte aan het hof van 25 februari 2025 (13:42u), inhoudende:
“hallo
ik kan morgen niet komen ivm er tussen mijn honden een aanvaring is geweest en ik er tussen moest daardoor ben ik door mijn knie gegaan en ontzettende pijn en kan niet lopen
Bij de huisarts en ziekenhuis ben ik er bekend mee,ik heb geen kruisbanden en knieband meer en miniskes helemaal stuk.
Graag zou ik een nieuwe datum voor de zitting willen want wil er wel graag bij zijn!!
Ik hoop op begrip,
[verdachte] ”
- een e-mailbericht namens het hof aan de verdachte van 25 februari 2025 (14:48u), inhoudende:
“Geachte [verdachte] ,
De zaak zal niet op voorhand worden aangehouden omdat het aanhoudingsverzoek onvoldoende onderbouwd is en er reeds eerder aanhouding is verleend.
Dit betekent voor u dat de zitting doorgaat.
Met vriendelijke groet,
[naam 2]
Senior administratief medewerker”
- een e-mailbericht van de verdachte aan het hof van 25 februari 2025 (15:44u), inhoudende:
“hallo
het bewijs heb ik net gestuurd en zal het hierbij nog een x sturen
zoals ik al aangaf wil ik er graag bij zijn maar kan onmogelijk lopen,hoop op u begrip hiervoor
Als ik kon lopen was ik zkr gekomen!!
grt [verdachte] ”
- een e-mailbericht van de verdachte aan het hof van 25 februari 2025 (15:53u), inhoudende:
“hallo
Mocht u besluit zijn om de zitting door te laten gaan zou ik er dan met videobellen bij kunnen zijn?
Mocht dit ook niet kunnen dan wil ik er wel op wijzen dat de brieven van de instanties nu wel worden gelezen door de rechter want daar had de rechter in Groningen geen zin in ,dit waren zijn letterlijke woorden maar word niet voor niets geschreven door instanties voor de rechtbank
hoop dat ik van u hoor
grt [verdachte] ”
- een e-mailbericht namens het hof aan de verdachte van 25 februari 2025 (16:15u), inhoudende:
“Geachte [verdachte] ,
De medische informatie uit 2019 kan niet leiden tot een aanhouding voor de zitting van morgen.
Met vriendelijke groet,
[naam 2]
Senior administratief medewerker”
- een e-mailbericht van de verdachte aan het hof van 25 februari 2025 (16:20u), inhoudende:
“hallo
dit heb ik al jaren en kan u morgen een brief sturen van mijn huisarts waar donderdag pas
terecht kan en zoals u kunt lezen kan ik in de toekomst alleen nog geopereerd worden voor
een kunstknie
graag hoor ik van u
grt [verdachte] ”
3. Het eerste en tweede middel
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof ter terechtzitting ten onrechte niet heeft gereageerd op het aanhoudingsverzoek van de verdachte. In de toelichting wordt naar voren gebracht dat de voorzitter voorafgaand aan de terechtzitting weliswaar een voorlopig oordeel omtrent het – voorafgaand aan de zitting gedane – verzoek aan de verdachte heeft medegedeeld, maar dat de uiteindelijke beslissing op dat verzoek steeds ter terechtzitting moet worden genomen en in het proces-verbaal moet worden vastgelegd, hetgeen niet is gebeurd.
Het tweede middel houdt in dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd nu het proces-verbaal niet de redenen vermeldt die tot afwijzing van het verzoek hebben geleid. Het proces-verbaal geeft geen blijk van een belangenafweging door het hof, en in het bijzonder niet van de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het verzoek niet werd vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman of raadsvrouw, aldus de steller van het middel.
Voor de beoordeling van de middelen is het volgende van belang. Een verdachte kan een verzoek doen om de behandeling van zijn zaak aan te houden, bijvoorbeeld omdat hij zijn aanwezigheidsrecht in de zin van art. 6 lid 3 onder c EVRM wil effectueren. Om praktische redenen kan (de voorzitter van) het gerecht voorafgaand aan de zitting kenbaar maken hoe het voorlopige oordeel op het verzoek om aanhouding luidt, maar de uiteindelijke beslissing dient ter terechtzitting te worden genomen en in het proces-verbaal van die terechtzitting te worden vastgelegd. Die beslissing moet uitdrukkelijk en gemotiveerd zijn.
Van de verdachte wordt verlangd dat hij zijn aanhoudingsverzoek staaft met de gegevens die de rechter daartoe noodzakelijk acht. De enkele vaststelling van het hof dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd is echter niet toereikend om de aangevoerde omstandigheden niet aannemelijk te achten. De aard van de aangevoerde reden is namelijk van belang voor de vraag of er – bijvoorbeeld in het geval van een onverwachte omstandigheid zoals ziekte – gelegenheid moet worden geboden om op een later moment (alsnog) bewijsstukken aan te leveren. Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds - dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna te noemen afweging van belangen wordt overgegaan - afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is.
Indien zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient het hof een afweging te maken tussen alle bij de aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen, te weten het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht en het belang van een spoedige en doeltreffende berechting voor zowel de verdachte als de samenleving. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.
Als de verdachte wegens ziekte verhinderd is op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee een aanhoudingsverzoek doet, is uitgangspunt dat de rechter aan dat verzoek voldoet zodat de verdachte alsnog zijn aanwezigheidsrecht kan effectueren. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat het belang van een behoorlijke strafvordering – waaronder de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn – ernstig in het gedrang zou komen indien de behandeling wordt geschorst en dat belang onder de gegevens omstandigheden zwaarden moet wegen dan het aanwezigheidsrecht van de verdachte. Dat een zaak eerder is aangehouden vormt op zichzelf niet een dergelijke bijzondere omstandigheid.
Ik keer terug naar (de bespreking van) de middelen. De verdachte heeft meerdere e-mailberichten aan het hof gestuurd waarin hij aangeeft gebruik te willen maken van zijn aanwezigheidsrecht, maar daartoe niet in staat te zijn omdat hij niet kan lopen. Om die reden verzoekt hij om aanhouding van de behandeling van zijn zaak. Kennelijk namens de voorzitter is hem voorafgaand aan de zitting per e-mail medegedeeld dat de behandeling van de zaak niet op voorhand zal worden aangehouden omdat het aanhoudingsverzoek onvoldoende is onderbouwd en er reeds eerder aanhouding is verleend. Nadat de verdachte kennelijk medische informatie heeft verstrekt, is hem medegedeeld dat medische informatie uit 2019 niet kan leiden tot aanhouding van de zaak. Het hof heeft ter terechtzitting deze e-mailcorrespondentie benoemd, waarna de advocaat-generaal heeft aangevoerd zijn eerder ingenomen standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen te handhaven. Daarop heeft het hof verstek verleend tegen de verdachte en bevolen dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan. Een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing op het aanhoudingsverzoek is in het proces-verbaal van de terechtzitting noch in de bestreden uitspraak terug te vinden. De verstekverlening kan mijns inziens niet gelden als een zodanige (impliciete) beslissing, zodat het eerste middel slaagt. Uit het proces-verbaal noch de bestreden uitspraak blijkt bovendien of naar het oordeel van het hof de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid (niet) aannemelijk is geoordeeld, terwijl het hof er evenmin blijk van heeft gegeven een belangenafweging te hebben gemaakt waarbij de omstandigheden van het geval zijn meegewogen. Daardoor is niet inzichtelijk geworden of, en zo ja welke, omstandigheden eraan in de weg staan om het onderzoek ter terechtzitting aan te houden zodat de verdachte zijn aanwezigheidsrecht op een later moment kan effectueren. Ook het tweede middel is aldus terecht voorgesteld.
4. Slotsom
De middelen slagen.
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG