Nummer 24/04512
Zitting 27 oktober 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 26 november 2024 (parketnr. 23-000699-24) door het gerechtshof Amsterdam
wegens het bewezen verklaarde in de zaak met parketnummer 13-122895-23 onder
1. “mishandeling”,
2. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” en
wegens het bewezen verklaarde in de zaak met parketnummer 13-018742-24 onder
1. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd”;
2. “overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994”;
3. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken” en
4. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Ten slotte heeft het hof de vordering tot (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden afgewezen en in plaats daarvan de proeftijd met één jaar verlengd en de voorwaarden gewijzigd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper en Th.O.M. Dieben, beiden advocaat in Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het eerste middel behelst de klacht dat de bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 14c lid 2 onder 6 Sr onvoldoende precies is geformuleerd. Het hof heeft op een plattegrond door middel van een cirkel aangegeven in welk gebied de verdachte zich gedurende de proeftijd niet mag bevinden. De stellers van het middel betogen dat het verboden gebied onvoldoende precies is afgebakend, omdat de grenzen van het verboden gebied niet uit de afbeelding kunnen worden afgeleid, terwijl het hof in zijn arrest geen nadere overwegingen heeft opgenomen.
De omschrijving van de bijzondere voorwaarde
4. Het hof heeft op de vordering tot (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf als volgt beslist:
“Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Op grond van hetgeen ter terechtzitting is gebleken en, zoals hiervoor al aan de orde kwam, acht het hof het evenwel van groot belang dat de verdachte de kans krijgt en neemt om een delictvrij bestaan op te bouwen en de voorzichtig positieve ontwikkelingen in zijn leven door te zetten. Een (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging zou die ontwikkelingen doorkruisen. Het hof zal daarom geen (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging gelasten maar de proeftijd met één jaar verlengen en daarbij strikte voorwaarden stellen. Die voorwaarden dienen er toe om de verdachte een kans te bieden en tegelijkertijd duidelijke kaders te scheppen: als hij zich niet aan de voorwaarden houdt zal dat er in beginsel toe leiden dat hij de gevangenisstraf alsnog uit moet zitten. Het hof ziet in behandeling van de problematiek van de verdachte de belangrijkste waarborg en grootste winst voor beperking van het recidiverisico. Een dergelijke behandeling is daarmee niet alleen in het belang van de verdachte, maar ook in het belang van de samenleving.
(…)
Het hof:
(…)
Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2023, parketnummer 13-151503-21, met een termijn van 1 (één) jaar.
Wijzigt de in genoemd vonnis gestelde bijzondere voorwaarden in dier voege, dat deze als volgt komen te luiden:
- Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden in het verboden gebied (zie aangehechte afbeelding bijlage III van het extract vonnis van 4 januari 2023), zo lang als de reclassering dat nodig vindt;
(…)”.
5. Aan het arrest is een afbeelding gehecht waarop het hof het verboden gebied door middel van een cirkel heeft aangegeven:
De bespreking van het eerste middel
6. Een locatieverbod als bedoeld in artikel 14c lid 2 sub 6 Sr houdt in dat het voor de veroordeelde verboden is zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden. Het verbod heeft tot doel te voorkomen dat de veroordeelde zich naar locaties begeeft waar het risico bestaat dat opnieuw strafbare feiten worden gepleegd. Omwille van de rechtszekerheid en teneinde de naleving van de voorwaarde te bevorderen, moet de voorwaarde voldoende precies worden geformuleerd. De veroordeelde moet immers kunnen begrijpen waar hij zich wel en niet mag bevinden. In dat verband is het aan de rechter om deze voorwaarde in het vonnis dan wel arrest nader te specificeren, in die zin dat wordt geëxpliciteerd om welke locatie(s) het gaat en welk gebied als de ‘directe omgeving’ van die locatie(s) wordt aangemerkt.
7. Het hof heeft volstaan met een verwijzing naar de aangehechte plattegrond. De daarop weergegeven cirkel maakt weliswaar duidelijk dat het verboden gebied zich over een (aanzienlijk) deel van Amsterdam uitstrijkt, maar biedt m.i. onvoldoende houvast voor de verdachte om zijn gedrag daarop af te stemmen. Onduidelijk is thans of – bijvoorbeeld – de gehele stad Amsterdam tot het verboden verbied behoort of dat het hof voor ogen heeft gehad een deel van (en eventueel rondom) de stad als verboden gebied aan te wijzen. Het lag op de weg van het hof om deze plattegrond van een nadere toelichting te voorzien.
8. Het middel slaagt. Tot terugwijzing hoeft dat niet te leiden. De Hoge Raad kan de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen door de betreffende voorwaarde te vernietigen.
Het tweede middel
9. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat het hof de stukken van het geding niet binnen de voorgeschreven inzendtermijn aan de Hoge Raad heeft toegezonden.
10. Het cassatieberoep is namens de verdachte op 2 december 2024 ingesteld. De stukken van het geding zijn op 9 december 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Gelet op de beperkte duur van de opgelegde gevangenisstraf kan worden volstaan met de constatering dat de inzendtermijn is overschreden.
11. Het middel slaagt, maar behoeft niet tot cassatie te leiden.
Slotsom
12. Het eerste middel slaagt, maar kan door de Hoge Raad zelf worden afgedaan. Het tweede middel slaagt eveneens, maar behoeft niet tot cassatie te leiden.
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de bijzondere voorwaarde dat “het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden in het verboden gebied (zie aangehechte afbeelding bijlage III van het extract vonnis van 4 januari 2023), zo lang als de reclassering dat nodig vindt”, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG