Nummer 25/00454 P
Zitting 27 oktober 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de betrokkene
Inleiding
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 31 januari 2025 (parketnr. 23-000051-22) het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 december 2021 bevestigd. Bij dat vonnis is het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 36.312,54 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00355, 25/00356, 25/00506 en 25/00452. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. De beide middelen betreffen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het vonnis van de rechtbank
5. Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank houdt over (de gronden voor) de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende in:
“5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Grondslag van de vordering
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar de vordering verwijst, alsmede de ter zitting door de officier van justitie gegeven toelichting, stelt de rechtbank vast dat het een vordering betreft die is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid. Sr.
Op grond hiervan kan aan de veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van een door hem gepleegd strafbaar feit en door andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
Bij gelijktijdig gewezen vonnis van deze rechtbank van 24 december 2021 is [medebetrokkene] onder meer veroordeeld voor - kort gezegd -:
1. mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
2. mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
3. mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
De pleegperiode van de bewezenverklaarde feiten bestrijkt de periode 1 februari 2017 tot en met 17 april 2018 en de bewezenverklaarde feiten hebben betrekking op drie vrouwen.
De ontnemingsrapportage
Op 22 maart 2019 heeft verbalisant [verbalisant 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar bij de politie Eenheid Noord-Holland, een rapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage.
Bij het rapport zijn drie bijlagen gevoegd. inhoudende gegevens ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde. De rechtbank heeft bovendien de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak.
Bij het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebruik gemaakt van de concrete methode, gebaseerd op het transactieresultaat, dat wil zeggen dat per feit waarvoor is veroordeeld de opbrengsten zijn bepaald, onder aftrek van de eventuele kosten die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict, welke kosten de veroordeelde zich bespaard zou hebben als zij de strafbare feiten niet had gepleegd.
Ook is er in de ontnemingsrapportage van uitgegaan dat [betrokkene] de strafbare feiten in de onderliggende strafzaak heeft gepleegd tezamen en in vereniging met haar levenspartner [medebetrokkene] en dat zij en [medebetrokkene] een economische eenheid vormen. De ontnemingsrapportage gaat er daarom vanuit dat [betrokkene] en [medebetrokkene] het wederrechtelijk voordeel tezamen hebben genoten, zodat dit voordeel aan elk van hen (hoofdelijk) dient te worden toegerekend.
De beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat naar aanleiding van de vordering en het onderzoek ter terechtzitting voldoende aannemelijk is dat [betrokkene] wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen uit de baten van het hiervoor genoemde onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten. Dit voordeel moet haar worden ontnomen.
De rechtbank grondt haar oordeel op de feilen en omstandigheden die in de ontnemingsrapportage zijn opgenomen en neemt deze rapportage bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot uitgangspunt.
Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
In de ontnemingsrapportage wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel bepaald aan de hand van een schatting van de opbrengsten die [betrokkene] en [medebetrokkene] hebben genoten uit de door de aangeefsters uitgevoerde prostitutiewerkzaamheden. Daarnaast is een schatting gemaakt van het geldbedrag dat [betrokkene] en [medebetrokkene] zich hebben toegeëigend doordat zij de beschikking hadden over een bankrekening op naam van [aangeefster 1] , terwijl die [aangeefster 1] daarover niet de beschikking had. Deze bedragen tezamen vormen het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bij het berekenen van dit wederrechtelijk verkregen voordeel is als uitgangspunt genomen de periode van 1 februari 2017 tol en met 17 april 2018. Deze periode is bepaald aan de hand van de verklaringen van de aangeefsters. [aangeefster 1] heeft verklaard prostitutiewerkzaamheden te hebben uitgevoerd van februari maart 2017 tot januari 2018. [aangeefster 2] heeft verklaard prostitutiewerkzaamheden te hebben uitgevoerd van 27 juli 2017 tot 30 september 2017. [aangeefster 3] heeft verklaard prostitutiewerkzaamheden te hebben uitgevoerd van september 2017 tot en met april 2018.
De hoogte van de verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden is telkens geschat op grond van de verklaringen van de aangeefsters in combinatie met afspraakgegevens ontleend aan de berichten van de whatsappgroepen [appgroep 1] of [appgroep 2] die werden gebruikt om prostitutieafspraken te maken.
Opbrengst [aangeefster 2]
Op grond van de verklaringen van [aangeefster 2] is er in de ontnemingsrapportage van uit gegaan dat zij vijf dagen per week, gedurende een periode van negen weken prostitutiewerkzaamheden heeft moeten uitvoeren. Dit komt neer op 45 gewerkte dagen. Op grond van de gegevens ontleend aan de whatsappgroepen [appgroep 1] en [appgroep 2] wordt op basis van 22 gewerkte dagen een gemiddelde dagopbrengst berekend van € 196,-. De totale opbrengst van [aangeefster 2] is aldus vastgesteld op 45 dagen x € 196,- = € 8.820,-. [aangeefster 2] heeft verklaard dat zij daarvan € 170,- heeft gehouden en het overige heeft moeten afstaan. De totale door [aangeefster 2] afgestane opbrengst wordt geschat op € 8.650,-. De rechtbank acht het aannemelijk dat [betrokkene] dit bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Opbrengst [aangeefster 1]
Op grond van de verklaringen van [aangeefster 1] is er in de ontnemingsrapportage van uit gegaan dat zij vier dagen per week, gedurende een periode van tien maanden prostitutiewerkzaamheden heeft moeten uitvoeren. Dit komt neer op 160 gewerkte dagen. Op grond van de gegevens ontleend aan de whatsappgroepen [appgroep 1] en [appgroep 2] wordt op basis van 22 gewerkte dagen een gemiddelde dagopbrengst berekend van € 145,-. De totale opbrengst van [aangeefster 1] is aldus vastgesteld op 160 dagen x € 145,- = € 23.200,-. [aangeefster 1] heeft verklaard dat zij 50% van haar inkomsten heeft moeten afstaan zodat de totale door [aangeefster 1] afgestane opbrengst wordt geschat op € 11.600.-. Deze schatting is aan de voorzichtige kant en in het voordeel van de veroordeelde omdat [aangeefster 1] tevens heeft verklaard dat er na 21 juli 2017, het moment dat haar werd meegedeeld dat zij een schuld aan de veroordeelde had, er geen afspraken meer waren over de verdeling van de opbrengsten uit prostitutiewerk en het aannemelijk is dat zij vanaf die datum een groter deel van haar verdiensten heeft moeten afstaan. De rechtbank acht het aannemelijk dat [medebetrokkene] in ieder geval het bedrag van € 11.600.- als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Opbrengst [aangeefster 3]
Op grond van de verklaringen van [aangeefster 3] is er in de ontnemingsrapportage van uit gegaan dat zij gemiddeld per maand € 2.000,- verdiende met de prostitutiewerkzaamheden en hiervan 50% heeft moeten afstaan. Dit alles gedurende een periode van acht maanden. [aangeefster 3] heeft daarbij nog verklaard dat zij een bedrag van € 1.000.- heeft teruggekregen. Het totale bedrag dat [aangeefster 3] heeft afgestaan wordt aldus vastgesteld op 8 maanden x € 1.000,- minus € 1.000,- = € 7.000,-. Dit bedrag is tevens in lijn met bestendige jurisprudentie, waaruit volgt dat voor een gemiddelde omzet van een prostituee een dagopbrengst van € 200 gangbaar is. De totale door [aangeefster 3] afgestane opbrengst wordt geschat op € 7.000,-. De rechtbank acht het aannemelijk dat [betrokkene] dit bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Toegeëigende geldbedragen
Daarnaast wordt er in de ontnemingsrapportage vanuit gegaan dat door [betrokkene] en [medebetrokkene] geldbedragen zijn toegeëigend afkomstig van bankrekeningen ten name van [aangeefster 1] .
Ten eerste is op 3 april 2017 door [aangeefster 1] bij de ABN Amro een bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] geopend. Op deze bankrekening is in de onderzoeksperiode door de vader van [aangeefster 1] een bedrag van € 3.969,56 aan alimentatie overgeboekt en een bedrag van € 155,-. Daarnaast is op deze bankrekening in de onderzoeksperiode per saldo een bedrag van € 2.195,82 overgeboekt vanaf de bankrekening [rekeningnummer 2] ten name van [aangeefster 1] .
[aangeefster 1] heeft verklaard dat zij zelf niet over deze bankrekening [rekeningnummer 1] kon beschikken. Onder zowel [betrokkene] als [medebetrokkene] is een bankpas van deze bankrekening in beslag genomen en zij hadden ten aanzien van deze bankrekening toegang tot internetbankieren. In de ontnemingsrapportage wordt er daarom vanuit gegaan dat deze bedragen zich door [betrokkene] en [medebetrokkene] zijn toegeëigend.
Ten tweede zijn er door [aangeefster 1] geldbedragen overgemaakt naar de bankrekeningen van [betrokkene] en [medebetrokkene] . Van de bankrekening [rekeningnummer 2] ten name van [aangeefster 1] is in totaal een geldbedrag van € 2.801,16 overgeboekt naar de bankrekening [rekeningnummer 3] ten name van [medebetrokkene] en een bedrag van € 200,- naar de bankrekening [rekeningnummer 4] ten name van [betrokkene] , terwijl een bedrag van € 259,- is overgeboekt van de bankrekening [rekeningnummer 5] ten name van [betrokkene] naar voornoemde ING-bankrekening van [aangeefster 1] .
Een en ander komt neer op de volgende bedragen:
Alimentatie van [betrokkene 1]
€
3.969,56
Overboekingen [betrokkene 1]
€
155,00
Afkomstig van ING rekening [rekeningnummer 2] t.n.v. [aangeefster 1]
€
2.195,82
[rekeningnummer 4] t.n.v. [betrokkene]
€
200.00
[rekeningnummer 5] t.n.v. [betrokkene]
−
€
259.00
[rekeningnummer 3] t.n.v. [medebetrokkene]
€
2.801,16
Totaal
€
9.062,54
De rechtbank acht het aannemelijk dat [betrokkene] dit totaalbedrag als wederrechtelijk voordeel heeft genoten.
Verweer en de beoordeling daarvan
De raadsman heeft ten aanzien van de berekening van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel nog aangevoerd dat met betrekking tot feit 3 als het gaat om de verdiensten van [aangeefster 3] niet kan worden vastgesteld dat en zo ja hoeveel er aan wederrechtelijk voordeel zou zijn genoten. De rechtbank is van oordeel dat het ten aanzien van [aangeefster 3] , mede op basis van haar verklaring, aannemelijk is geworden dat [betrokkene] wederrechtelijk voordeel heeft genoten en verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen onder de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De enkele door de raadsman verder niet onderbouwde algemene stelling dat een schatting van de verdiensten niet mogelijk is, stelt de rechtbank dan ook ter zijde.
(…)
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de volgende schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Opbrengst [aangeefster 2]
€
8.650,00
Opbrengst [aangeefster 1]
€
11.600,00
Opbrengst [aangeefster 3]
€
7.000,00
Toegeëigende geldbedragen
€
9.062,54
Wederrechtelijk verkregen voordeel:
€
36.312,54”
Het eerste middel en de toelichting daarop
6. Het eerste middel behelst de klacht dat de rechtbank – in het door het hof bevestigde vonnis – de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
7. In het vonnis wordt niet voldoende nauwkeurig verwezen naar (de vindplaatsen van) de onderdelen van de ontnemingsrapportage waarop de schattig van het voordeel is gebaseerd. Daarbij heeft de rechtbank, in reactie op het namens de betrokkene gevoerde verweer over de verdiensten van [aangeefster 3] , ten onrechte volstaan met een verwijzing naar de ontnemingsrapportage, terwijl niet is vastgesteld of de aan die ontnemingsrapportage ontleende gevolgtrekkingen door of namens de betrokkene niet of onvoldoende zijn betwist, aldus de stellers van het middel.
De bespreking van het eerste middel
8. Op grond van artikel 359 lid 3 Sv, in verbinding met artikel 511e lid 1 en 511g lid 2 Sv, dient de uitspraak van de rechter op een vordering als bedoeld in artikel 36e Sr op straffe van nietigheid (de inhoud van) de bewijsmiddelen te bevatten waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend. Een ontnemingsrapportage kan als wettig bewijsmiddel (artikel 344 lid 1 onder 5 Sv) dienen. De rechter kan bij de opgave van de bewijsmiddelen volstaan met een vermelding van (het onderdeel van) de ontnemingsrapportage en het weergeven van de gevolgtrekking uit de rapportage, maar alleen als die gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van één of meer wettige, voldoende nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen en blijkens vaststelling door de rechter door of namens de betrokkene niet of onvoldoende is betwist. In het geval dat de gevolgtrekking wel voldoende gemotiveerd is betwist, zal de rechter moeten motiveren waarom hij, ondanks het door of namens de betrokkene aangevoerde, de gevolgtrekking niettemin aanvaardt.
9. De rechtbank heeft in de voorliggende zaak bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel de ontnemingsrapportage tot uitgangspunt genomen en haar oordeel op de daarin opgenomen feiten en omstandigheden gebaseerd. De hoogte van de opbrengsten van [aangeefster 3] zijn door de rechtbank berekend aan de hand van wat in de rapportage, op grond van de verklaringen van [aangeefster 3] in de strafzaak, is opgenomen. Vervolgens heeft de rechtbank de (op die bewijsmiddelen gebaseerde) berekening van de verdiensten van [aangeefster 3] weergegeven. Op deze wijze heeft de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt hoe zij tot het eindbedrag van de betalingsverplichting is gekomen.
10. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de raadsman van de betrokkene slechts een algemene, niet onderbouwde stelling heeft ingenomen ten aanzien van de berekening van de verdiensten van [aangeefster 3] . In die overwegingen ligt m.i. de vaststelling besloten dat de gevolgtrekking in de ontnemingsrapportage onvoldoende is betwist. Om die reden was de rechtbank dan wel het hof op grond van artikel 359 lid 3 Sv niet tot een nadere motivering gehouden.
11. Het middel faalt.
Het tweede middel en de toelichting daarop
12. Het tweede middel behelst de klacht dat het oordeel dat verscheidene geldbedragen afkomstig van de bankrekening van [aangeefster 1] als wederrechtelijk verkregen voordeel zijn aan te merken niet zonder meer begrijpelijk is.
13. Daartoe wordt aangevoerd dat niet is vastgesteld uit welke strafbare feiten de geldbedragen als wederrechtelijk verkregen voordeel zijn genoten. Voor zover de rechtbank dan wel het hof de geldbedragen als voordeel uit de prostitutiewerkzaamheden heeft aangemerkt, blijkt dat niet uit het bevestigde vonnis. Voor zover de rechtbank dan wel het hof de geldbedragen heeft aangemerkt als voordeel uit andere strafbare feiten, waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan, blijkt evenmin uit het vonnis om welke strafbare feiten het gaat.
De bespreking van het tweede middel
14. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich het vonnis in de strafzaak. De betrokkene is in de strafzaak onder meer veroordeeld voor het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van [aangeefster 1] door het verdiende geld in te nemen door de beschikking te hebben over de bankrekening, de bankpas en de inloggegevens van de bankrekening van [aangeefster 1] (artikel 273f lid 1 sub 6 Sr). De rechtbank heeft in het ontnemingsvonnis geoordeeld dat de geldbedragen die op deze rekening zijn gestort en waarover de betrokkene en [medebetrokkene] de beschikking hadden, alsmede de geldbedragen die vanaf deze rekening zijn overgeboekt naar de bankrekeningen van de betrokkene en [medebetrokkene] als wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden aangemerkt. Daarin ligt besloten dat de geldbedragen als wederrechtelijk verkregen voordeel zijn verkregen uit de in de strafzaak bewezen verklaarde mensenhandel.
15. Voor zover in de toelichting op het middel wordt betoogd dat de rechtbank, in het door het hof bevestigde vonnis, deze geldbedragen als voordeel uit de prostitutiewerkzaamheden dan wel uit andere strafbare feiten, waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan, heeft aangemerkt, mist de klacht feitelijke grondslag.
16. Het middel faalt.
Slotsom
17. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG