“Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
(…)
Betrouwbaarheid verklaringen [benadeelde 1]
[benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) heeft diverse verklaringen afgelegd. In de eerste drie verklaringen ziet de vraagstelling van de politie op de rollen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij haar werkzaamheden als prostituee op de [a-straat 1] in [plaats] . [benadeelde 1] verklaart in haar eerste verhoor van 20 april 2018 ten aanzien van de rol van [verdachte] dat haar ‘ex’ [verdachte] ook verbleef op de [a-straat] . In het vierde verhoor van 10 juli 2018 wordt haar gevraagd hoe zij eigenlijk met [betrokkene 1] in contact is gekomen. Zij verklaart dan dat dit via haar ex [verdachte] is gegaan en zij vertelt meer over hoe dat is gegaan. Het hof ziet geen grond om te twijfelen aan hetgeen ze daar heeft verklaard. Dat geldt ook voor hetgeen zij in de aangifte mensenhandel, die zij uiteindelijk op 14 september 2018 tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft gedaan, over de rol van [verdachte] heeft verklaard en dat in lijn is met haar eerdere verklaring. Opvallend is dat zij de kwalijke rol van [verdachte] - waarover hierna meer - niet of maar met moeite lijkt te zien. In haar verhoor bij de raadsheer-commissaris van 9 november 2023 weet ze een aantal dingen niet meer en lijkt zij de rol van [verdachte] wat af te zwakken. Desalniettemin blijven haar eerdere verklaringen dat zij via en op initiatief van [verdachte] in de prostitutie is beland overeind.
Het hof volgt de raadsman niet in zijn betoog dat uit de verklaring van [benadeelde 1] bij de raadsheer-commissaris zou blijken dat het initiatief bij [betrokkene 1] lag en dat [verdachte] door zijn kortdurende detentie van 16 tot en met 19 januari 2017 niet de initiatiefnemer kan zijn geweest, al dan niet via Facebook Messenger. Ook de verklaring van [betrokkene 3] dat [betrokkene 1] contact heeft opgenomen doet niet af aan de consistente verklaring van [benadeelde 1] dat zij voor prostitutiewerk via [verdachte] met [betrokkene 1] in contact is gekomen. Het hof ziet in het hierna te bespreken Snapchatbericht van 4 juni 2017 voorts een belangrijke ondersteuning voor de verklaringen van [benadeelde 1] .
(…)
Feiten en omstandigheden
[benadeelde 1] , toen 18 jaar oud, heeft op 20 april 2018 bij de politie verklaard zij vanaf de periode rond februari 2017 prostitutiewerkzaamheden is gaan verrichten op de [a-straat 1] te [plaats] . [verdachte] verbleef daar toen ook. Zij is in die woning opgevangen door [betrokkene 1] en heeft daar verbleven tot december 2017/januari 2018. Ze had schulden van ongeveer € 6.000,00. Ze had een heftige situatie met haar moeder, waardoor zij niet thuis kon wonen. Er werden in de woning mensen opgevangen die in een slechte situatie zaten, alsmede de voetballers die deel uitmaakten van de voetbalschool van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] was de voetbaltrainer van [verdachte] .
Verder heeft [benadeelde 1] op 10 juli 2018 verklaard dat zij eind januari 2017 via haar ex [verdachte] met [betrokkene 1] in contact was gekomen. Ze had voordat ze op de [a-straat 1] prostitutiewerkzaamheden ging verrichten nooit eerder dat werk gedaan. [verdachte] had het bedacht en voorgesteld. Het ging toen over naar [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en die gingen het regelen. [benadeelde 1] en [verdachte] hadden op dat moment nog niet lang een relatie en [benadeelde 1] stemde er, na aandringen door [verdachte] , mee in om geld te verdienen met prostitutiewerkzaamheden. Ze had schulden. Ze vond het eigenlijk wel raar, maar onder [verdachte] kon ze wel van mening veranderen. Als zij bijvoorbeeld eerst ‘nee’ zei, dan zei zij later ‘ja’. [verdachte] en zij hadden het over snel geld verdienen en dat had haar wel overgehaald. Op de vraag of hij er voordeel van had dat zij dit werk deed, antwoordt zij dat zij zijn zorgverzekering en telefoonabonnement betaalde. Hij kon dat zelf niet betalen, want hij had geen werk en geen geld. Zij deed dit meerdere keren voor hem. [verdachte] maakte de relatie op een gegeven moment uit. Dit was eind mei, begin juni 2017. [benadeelde 1] weet niet waarom hij dit deed. Zij hield er dan ook liefdesverdriet aan over. Zij was heel erg verliefd op hem en had alles voor hem over. [verdachte] wist dat zij dusdanig verliefd op hem was. Op 14 september 2018 heeft [benadeelde 1] bij de politie nogmaals verklaard dat zij alles voor [verdachte] over had. Hij kon haar overtuigen, zij was heel erg verliefd op hem. Zij had met [verdachte] en [betrokkene 1] afgesproken bij [plaats] . [betrokkene 1] ging haar vertellen hoe alles werkte. Een paar weken later ging ze naar de [a-straat 1] in [plaats] , daar had [betrokkene 1] een plek voor haar.
In het dossier bevindt zich een Snapchatgesprek tussen [benadeelde 1] en [verdachte] van 4 juni 2017, waarin zij in reactie op een bericht van [verdachte] , inhoudende dat hij niet op haar kan bouwen, antwoordt: “Ga je dit echt tegen me zeggen dat je niet op me kan bouwen? Het gene wat ik nu doe ben ik voor jou begonnen denk dat ik zelf op dit idee zou komen en dat ik er trots op ben? Dan wil je nu zeggen je kan niet op me bouwen.. je bent gek je beseft niet hoeveel dingen ik heb laten liggen voor jou hoeveel ruzies en shit. Maar denk zo als ja zo over me wil denken vergeet niet wie al je dingen betaald heeft de afgelopen tijd.”
Middel
Naar het oordeel van het hof heeft [verdachte] misbruik gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op [benadeelde 1] . [benadeelde 1] was erg verliefd op hem, hetgeen [verdachte] wist. In haar beleving had zij een relatie met hem en zij had alles voor hem over. [verdachte] stelde haar voor om in de prostitutie te gaan werken om snel geld te verdienen; ze had schulden. Zij vond het een raar voorstel en wilde het aanvankelijk niet, maar hij overtuigde haar, want onder hem kon ze wel van mening veranderen. Ook uit het hiervoor genoemde Snapchatbericht van [benadeelde 1] aan [verdachte] blijk dat het zijn idee was en dat ze voor hem de prostitutie is ingegaan. Ondersteunend voor het oordeel dat [verdachte] de verliefdheid van [benadeelde 1] heeft misbruikt om haar de prostitutie in te krijgen, acht het hof de omstandigheid dat hij al kort na het ontstaan van de relatie het aan haar heeft voorgesteld. Nadat [verdachte] [benadeelde 1] zover had gekregen dat zij de prostitutie in wilde gaan, was hij degene die de veel oudere (toen 32-jarige) [betrokkene 1] heeft benaderd om de prostitutiewerkzaamheden van [benadeelde 1] samen met [betrokkene 2] verder te regelen. Bij [betrokkene 1] kreeg ze een plek om te wonen en kreeg zij werk als prostituee in het vooruitzicht. [benadeelde 1] had een heftige situatie met haar moeder en kon niet thuis wonen. Het hof acht het aannemelijk dat deze omstandigheid bij [verdachte] bekend was, gelet het contact dat zij hadden over werken in de prostitutie en het feit dat hij haar met [betrokkene 1] in contact bracht die haar huisvesting aanbood.”
De bespreking van het eerste middel
9. De eerste klacht van het middel, te weten dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, wordt niet toegelicht. Ik laat deze klacht om die reden buiten beschouwing.
10. De tweede klacht houdt in dat het hof ten onrechte niet inhoudelijk heeft gerespondeerd op het ter terechtzitting gevoerde verweer dat de verdachte op relevante momenten in detentie zat en derhalve niet de initiatiefnemer van het prostitutiewerk kan zijn geweest. Daarnaast had het hof inhoudelijk moeten reageren op het verweer over de inconsistenties in de verklaringen van [benadeelde 1] .
11. Het hof heeft de raadsman niet gevolgd in zijn standpunt dat uit de verklaring van [benadeelde 1] bij de raadsheer-commissaris van 9 november 2023 zou blijken dat de verdachte door zijn detentie niet de initiatiefnemer kan zijn geweest. Hoewel [benadeelde 1] in die laatste verklaring de rol van de verdachte leek af te zwakken en niet alles meer wist, heeft het hof de verklaringen van [benadeelde 1] consistent geacht. Uit die verklaringen heeft het hof afgeleid dat [benadeelde 1] via de verdachte in contact is gekomen met [betrokkene 1] en dat het de verdachte is geweest die het prostitutiewerk heeft geïnitieerd. Daarbij heeft het hof in een Snapchatbericht van 4 juni 2017 belangrijke ondersteuning voor die verklaringen gezien. Uit dat bericht heeft het hof onder meer geciteerd: “Ga je dit echt tegen me zeggen, dat je niet op me kan bouwen? Het gene wat ik nu doe ben ik voor jou begonnen denk je dat ik zelf op dit idee zou komen en dat ik er trots op ben?”
12. Voor zover het hof het verweer van de verdediging als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft opgevat, ligt de weerlegging daarvan in de bewijsvoering besloten. Daarnaast volg ik de steller van het middel niet in zijn standpunt dat het hof geen inhoudelijke reactie op (het verweer over) de inconsistenties in de verklaringen van [benadeelde 1] heeft gegeven, nu het hof heeft overwogen waarom het de verklaringen wel consistent acht.
13. Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
14. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof zonder motivering voorbij is gegaan aan de verweren over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 1] .
Het bestreden arrest
15. Het hof heeft het standpunt van de verdediging in zijn arrest als volgt samengevat (ik herhaal):
“De verdediging heeft verzocht om de verdachte (hierna: [verdachte] ) vrij te spreken van het onder 1 tenlastegelegde. Aangeefster [benadeelde 1] heeft [verdachte] in haar eerste drie verklaringen niet genoemd. Pas in haar verhoor van 10 juli 2018 en haar aangifte van 14 september 2018 verklaart zij over een rol van [verdachte] . Volgens de raadsman maakt de verklaring van [benadeelde 1] bij de raadsheer-commissaris in de zaak van [verdachte] van 9 november 2023 duidelijk dat het initiatief niet van [verdachte] kan zijn gekomen, omdat hij op de betreffende dag ( [geboortedatum] 2017) vast zat op het politiebureau, hetgeen ook blijkt uit een door de raadsman overgelegde productie. Ook uit de verklaring van [betrokkene 3] van [geboortedatum] 2018 blijkt dat [betrokkene 1] degene is geweest die contact met [benadeelde 1] heeft opgenomen en ervoor heeft gezorgd dat zij de prostitutie inging. Voorts blijkt uit de verklaring van [benadeelde 1] bij de raadsheer- commissaris dat [verdachte] niet op de [a-straat] woonde, maar er af en toe verbleef. Eveneens blijkt uit deze verklaring dat [verdachte] geen geld van haar heeft ontvangen uit haar prostitutiewerkzaamheden. Zij betaalde wel eens iets voor hem, maar dat deed zij al voordat zij de prostitutie inging. [verdachte] weet, net zomin als [benadeelde 1] , iets af van de overschrijving van € 270,00 van haar rekening naar zijn rekening. Er is te weinig steunbewijs voor de tenlastegelegde mensenhandel.”
16. Het arrest bevat bovendien de volgende overwegingen (ik herhaal wederom):
“Betrouwbaarheid verklaringen [benadeelde 1]
[benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) heeft diverse verklaringen afgelegd. In de eerste drie verklaringen ziet de vraagstelling van de politie op de rollen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij haar werkzaamheden als prostituee op de [a-straat 1] in [plaats] . [benadeelde 1] verklaart in haar eerste verhoor van 20 april 2018 ten aanzien van de rol van [verdachte] dat haar ‘ex’ [verdachte] ook verbleef op de [a-straat] . In het vierde verhoor van 10 juli 2018 wordt haar gevraagd hoe zij eigenlijk met [betrokkene 1] in contact is gekomen. Zij verklaart dan dat dit via haar ex [verdachte] is gegaan en zij vertelt meer over hoe dat is gegaan. Het hof ziet geen grond om te twijfelen aan hetgeen ze daar heeft verklaard. Dat geldt ook voor hetgeen zij in de aangifte mensenhandel, die zij uiteindelijk op 14 september 2018 tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft gedaan, over de rol van [verdachte] heeft verklaard en dat in lijn is met haar eerdere verklaring. Opvallend is dat zij de kwalijke rol van [verdachte] - waarover hierna meer - niet of maar met moeite lijkt te zien. In haar verhoor bij de raadsheer-commissaris van 9 november 2023 weet ze een aantal dingen niet meer en lijkt zij de rol van [verdachte] wat af te zwakken. Desalniettemin blijven haar eerdere verklaringen dat zij via en op initiatief van [verdachte] in de prostitutie is beland overeind.
Het hof volgt de raadsman niet in zijn betoog dat uit de verklaring van [benadeelde 1] bij de raadsheer-commissaris zou blijken dat het initiatief bij [betrokkene 1] lag en dat [verdachte] door zijn kortdurende detentie van 16 tot en met 19 januari 2017 niet de initiatiefnemer kan zijn geweest, al dan niet via Facebook Messenger. Ook de verklaring van [betrokkene 3] dat [betrokkene 1] contact heeft opgenomen doet niet af aan de consistente verklaring van [benadeelde 1] dat zij voor prostitutiewerk via [verdachte] met [betrokkene 1] in contact is gekomen. Het hof ziet in het hierna te bespreken Snapchatbericht van 4 juni 2017 voorts een belangrijke ondersteuning voor de verklaringen van [benadeelde 1] .”
De bespreking van het tweede middel
17. Hoewel in de schriftuur met weinig precisie wordt aangegeven welk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ter terechtzitting is ingenomen, leid ik uit het bestreden arrest en de argumenten in de toelichting op het middel het volgende af. De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 1] betwist, omdat (i) [benadeelde 1] aangifte heeft gedaan tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , (ii) tijdens de eerste verhoren voornamelijk de rol van deze twee medeverdachten is besproken en de rol van de verdachte pas in een vierde verhoor aan bod kwam, (iii) [benadeelde 1] in het verhoor van 9 november 2023 de verdachte niet langer een (duidelijk) verwijt maakte, terwijl (iv) de verdachte op “cruciale momenten” niet aanwezig was, zoals tijdens het “oefenen voor klanten”.
18. De als (i), (ii) en (iv) genoemde argumenten kunnen m.i. bezwaarlijk worden beschouwd als indringende argumenten over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 1] waarop het hof meer uitgebreid had moeten responderen. Het hof heeft, als gezegd, overwogen waarom het de verklaringen over de rol van de verdachte (van 10 juli 2018 en 14 september 2018) consistent en betrouwbaar acht. Daaraan staat de afwezigheid van de verdachte op bepaalde momenten, zoals bij het ‘oefenen voor klanten’, niet in de weg. Het hof heeft vastgesteld dat het de verdachte is geweest die het prostitutiewerk heeft geïnitieerd en daartoe contact heeft opgenomen met [betrokkene 1] . Ten slotte heeft het hof uiteengezet waarom de verklaringen van 9 november 2023 niet aan de betrouwbaarheid van de eerder afgelegde verklaringen afdoen. In de bewijsvoering ligt de weerlegging van het onder (iii) genoemde argument dan ook voldoende besloten.
19. Het tweede middel faalt.
Het derde middel
20. Met het derde middel wordt opgekomen tegen het oordeel dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht.
21. Daartoe wordt aangevoerd dat ’s hofs vaststellingen, te weten dat de verdachte wist dat [benadeelde 1] erg verliefd op hem was, in haar beleving een relatie met hem had en (daarom) alles voor hem over had, geen omstandigheid opleveren waardoor [benadeelde 1] in een van de verdachte afhankelijke positie verkeerde of geen keuzevrijheid had. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte een romantische relatie had met [benadeelde 1] . Ten slotte wijst de steller van het middel op de verklaring van [benadeelde 1] dat zij uit eigen beweging sekswerk is gaan verrichten.
De bespreking van het derde middel
22. Het hof heeft (onder meer) twee verklaringen van [benadeelde 1] , afgelegd op 10 juli 2018 en op 14 september 2018, en een Snapchatbericht van 4 juni 2017 voor het bewijs gebruikt. De verklaring van [benadeelde 1] waarop de steller van het middel doelt, heeft het hof niet voor het bewijs gebruikt. Uit deze bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [benadeelde 1] niet uit eigen beweging, maar op initiatief van de verdachte, is begonnen met prostitutiewerk en dat – in ieder geval in de beleving van [benadeelde 1] – sprake was van een liefdesrelatie tussen haar en de verdachte.
23. Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht evenwel niet enkel op deze vaststellingen gebaseerd. Het hof heeft bij dat oordeel eveneens betrokken dat [benadeelde 1] schulden had en de verdachte haar ervan heeft overtuigd dat zij met prostitutiewerk snel geld kon verdienen. Daarnaast kreeg [benadeelde 1] huisvesting aangeboden bij [betrokkene 1] , die door de verdachte was benaderd, terwijl [benadeelde 1] op dat moment vanwege een heftige situatie met haar moeder niet (langer) thuis kon wonen. Deze vaststellingen worden in cassatie niet bestreden.
24. Gelet op het voorgaande meen ik dat de steller van het middel is uitgegaan van een te beperkte lezing van het arrest. ’s Hofs oordeel dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, omdat de verdachte [benadeelde 1] heeft overgehaald om prostitutiewerk te verrichten, terwijl hij wist dat [benadeelde 1] verliefd op hem was, alles voor hem over had en in een slechte financiële situatie alsmede in een onhoudbare thuissituatie verkeerde, is m.i. niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.
25. Het derde middel faalt.
Het vierde middel
26. Dit middel bestrijdt het oordeel dat de verdachte handelde met het oogmerk van uitbuiting.
Het bestreden oordeel
27. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen (ik herhaal ten dele):
“Middel
Naar het oordeel van het hof heeft [verdachte] misbruik gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op [benadeelde 1] . [benadeelde 1] was erg verliefd op hem, hetgeen [verdachte] wist. In haar beleving had zij een relatie met hem en zij had alles voor hem over. [verdachte] stelde haar voor om in de prostitutie te gaan werken om snel geld te verdienen; ze had schulden. Zij vond het een raar voorstel en wilde het aanvankelijk niet, maar hij overtuigde haar, want onder hem kon ze wel van mening veranderen. Ook uit het hiervoor genoemde Snapchatbericht van [benadeelde 1] aan [verdachte] blijk dat het zijn idee was en dat ze voor hem de prostitutie is ingegaan. Ondersteunend voor het oordeel dat [verdachte] de verliefdheid van [benadeelde 1] heeft misbruikt om haar de prostitutie in te krijgen, acht het hof de omstandigheid dat hij al kort na het ontstaan van de relatie het aan haar heeft voorgesteld. Nadat [verdachte] [benadeelde 1] zover had gekregen dat zij de prostitutie in wilde gaan, was hij degene die de veel oudere (toen 32-jarige) [betrokkene 1] heeft benaderd om de prostitutiewerkzaamheden van [benadeelde 1] samen met [betrokkene 2] verder te regelen. Bij [betrokkene 1] kreeg ze een plek om te wonen en kreeg zij werk als prostituee in het vooruitzicht. [benadeelde 1] had een heftige situatie met haar moeder en kon niet thuis wonen. Het hof acht het aannemelijk dat deze omstandigheid bij [verdachte] bekend was, gelet het contact dat zij hadden over werken in de prostitutie en het feit dat hij haar met [betrokkene 1] in contact bracht die haar huisvesting aanbood.
Oogmerk van uitbuiting
Het gebruik van genoemd middel ten behoeve van seksuele dienstverlening levert omstandigheden op waaronder het oogmerk van uitbuiting kan worden verondersteld. Het hof betrekt hierbij dat [benadeelde 1] heeft verklaard dat zij het telefoonabonnement en de zorgverzekering van [verdachte] betaalde en dat blijkens genoemd Snapchatbericht zij het prostitutiewerk voor hem is gaan verrichten en ‘al zijn dingen’ voor hem betaalde. [verdachte] had zelf geen werk en geld.”
De bespreking van het vierde middel
28. Voor het bewijs van het ‘oogmerk van uitbuiting’ is vereist dat het handelen van de verdachte, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebracht dat de ander door hem werd of zou kunnen worden uitgebuit. De vraag of en, zo ja, wanneer in het concrete geval sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van die bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Voor de vervulling van de delictsomschrijving is het niet noodzakelijk dat het slachtoffer daadwerkelijk wordt uitgebuit.
29. Bij de bespreking van het derde middel heb ik uiteengezet dat het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, op de grond dat de verdachte [benadeelde 1] heeft overgehaald om prostitutiewerk te verrichten, terwijl hij wist dat [benadeelde 1] verliefd op hem was, alles voor hem over had en in een slechte financiële situatie alsmede in een onhoudbare thuissituatie verkeerde. Aan de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen heeft het hof vervolgens toegevoegd dat [benadeelde 1] het telefoonabonnement en de zorgverzekering van de verdachte betaalde, die zelf geen werk en/of geld had.
30. In de bewijsvoering ligt m.i. als oordeel besloten dat de verdachte op zodanige wijze heeft gehandeld, dat, naar hij moet hebben beseft, de mogelijke uitbuiting van [benadeelde 1] als een noodzakelijk gevolg daarvan kan worden beschouwd. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. De in de toelichting op het middel aangevoerde, maar niet onderbouwde omstandigheid dat [benadeelde 1] reeds voordat zij in de prostitutie werkte “bepaalde dingen” voor de verdachte betaalde, doet aan het voorgaande niet af. De vaststelling dat [benadeelde 1] zich door de verdachte heeft laten overhalen om prostitutiewerk te verrichten, terwijl zij uit de opbrengsten daarvan abonnementen en verzekeringen van de verdachte bekostigde, impliceert dat de verdachte door zijn handelen de situatie heeft doen ontstaan waarin [benadeelde 1] op z’n minst uitgebuit zou kunnen worden.
31. Het vierde middel faalt.
Het vijfde middel
32. Het middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
33. In de schriftuur wordt niet toegelicht wat precies door de verdediging ter terechtzitting als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is aangevoerd. Daarnaast gaat de steller van het middel kennelijk, maar ten onrechte, ervan uit dat een tekstbericht van de verdachte op 4 juni 2017, in antwoord op het als bewijsmiddel 4 opgenomen Snapchatbericht van [benadeelde 1] , als een expliciete betwisting heeft te gelden waarop het hof dient te responderen.
34. Het vijfde middel faalt.
Het zesde middel
35. Het zesde middel behelst de klacht dat het onder 2 bewezen verklaarde medeplegen niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Aangevoerd wordt dat concrete, objectieve feiten ontbreken voor de vaststelling van een nauwe en bewuste samenwerking.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
36. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 28 maart 2018 tot en met 24 april 2018 te [plaats] , in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, [benadeelde 2] , door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht
1) heeft geworven met het oogmerk van uitbuiting en
2) heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard”.
37. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“8. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 8 augustus 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s B1.40 tot en met B1.51.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 augustus 2018 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1] , geboren op [benadeelde 2] 1984 :
[verdachte] was een speler van mij. Op een fotocamera die bij jullie thuis is inbeslaggenomen, stonden allerlei geposeerde foto's van [benadeelde 2] [het hof begrijpt: [benadeelde 2] ]. Dat was omdat zij in de prostitutie zou gaan werken.
9. Een proces-verbaal van bevindingen van 28 mei 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s E152 en E153 .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
Teneinde de identiteit van [benadeelde 2] te achterhalen heb ik gezocht in de Basis Registratie Personen. Uit deze bevraging kwam: [benadeelde 2] , [benadeelde 2] geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] .
10. Een proces-verbaal van bevindingen van 1 mei 2018, met documentcode 180501.1514.5118 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s J273 tot en met J280 .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant :
Op 17 april 2018 heeft er naar aanleiding van het onderzoek Sirung een doorzoeking plaatsgevonden in [plaats] . Tijdens deze doorzoeking zijn diverse gegevensdragers in beslaggenomen, waaronder een Apple iPhone 8 plus. De gebruiker van voornoemd toestel gebruikt de profielnaam: [profielnaam 1] . De aan dit toestel gekoppelde Apple-ID betreft: [e-mailadres 1] Binnen het onderzoek Sirung is gebleken dat dit de verdachte [betrokkene 2] , [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] betreft.
In de data van voornoemd toestel zag ik een WhatsAppgesprek, gevoerd tussen de gebruiker van voornoemd toestel en een contact, genaamd [betrokkene 1] . In het gesprek op 28 maart 2018 te 12.22 uur is onder andere te lezen dat [betrokkene 1] zegt dat ' [gebruikersnaam 2] ' een nieuwe 'Kip' heeft, dat deze start op vrijdag en dat er 'picca’s' gemaakt moeten worden. Binnen de opgeslagen afbeeldingen van het voornoemde toestel zijn foto's aangetroffen van een poserende vrouw. Deze foto's zijn eveneens gemaakt op 28 maart 2018. Ik zag dat de vrouw op diverse erotische manieren werd gefotografeerd.
11. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 mei 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s E137 en E138 .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant :
Ik las een WhatsAppgesprek gevoerd op 28 maart 2018 om 12.22 uur, tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . In dit gesprek is onder andere te lezen dat [betrokkene 1] zegt dat ' [gebruikersnaam 2] ' een nieuwe 'Kip' heeft, dat deze start op vrijdag en dat er 'picca's' gemaakt moeten worden.
Bij het zoeken naar de identiteit van [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , is mij gebleken dat hij de bijnaam ' [gebruikersnaam 2] ' draagt. Ik heb hierop verder gezocht in de politiesystemen met de vrije tekst: [verdachte] AND [gebruikersnaam 2] . Hierop kwam ik onder andere op een mutatie met betrekking tot straatroof waaraan [verdachte] als verdachte werd gekoppeld. In de vrije tekst van deze mutatie staat: “Een van de personen die ken ik als [gebruikersnaam 2] .” Ook zag ik een mutatie met betrekking tot een verkrachting waaraan [verdachte] als getuige werd gekoppeld. In de vrije tekst van deze mutatie staat: “Wat is zijn naam? [gebruikersnaam 2] .” Hierop heb ik op het internet gezocht op de website van Facebook op de naam [gebruikersnaam 2] . Ik zag dat er drie accounts naar voren kwamen, waarvan ik er een herkende als het account van [verdachte] . Dit account als naam: [gebruikersnaam 2] Verder heb ik gezocht op de website van Instagram op de naam [gebruikersnaam 2] . Ik zag dat er een account naar voren kwam, met de naam [gebruikersnaam 2] . Ik herkende dit account als het account van [verdachte] .
12. Een proces-verbaal bevindingen van 26 juni 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s J438 tot en met J441 .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten (of een van hen) :
Door mij is de onder de verdachte [verdachte] inbeslaggenomen smartphone J.01 uitgelezen. Dit spraakbericht wordt op 3 april 2018 om 19.21 uur ingesproken op de telefoon van [verdachte] en verstuurd naar [betrokkene 1] .
“He bro, je weet toch, kan gewoon mijn mening geven. Je weet toch wat ik denk. Ik denk, het toch beter is als je [benadeelde 1] gewoon [plaats] pleurt, tenzij ze opeens nu, je weet toch, topper draait maar, en waarom, je weet toch, broer als, als deze nieuwe gewoon hier in [plaats] kan draaien dan kan ze alsnog die huur een beetje daar fixen, begrijp je wat ik bedoel. Kan ze het alsnog regelen. Dit lijkt mij beter he. Ik weet niet he, ik denk er net over na, je weet toch. Alsnog, als ze nou daar is of hier is dat maakt niet uit werk is werk, begrijp je beter gewoon [plaats] . […] draait ze, kan ze die huur van […] regelen ook een beetje. Wat [benadeelde 1] , je weet toch ook […] samen en dan je weet toch, gaat makkelijker. Dat is wat ik denk he. Nou je moet even zelf zeggen gewoon, wat jij denkt.”
13. Een proces-verbaal bevindingen van 17 mei 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s E150 en E151.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
Ik heb een opgenomen telefoongesprek uitgeluisterd en zo letterlijk mogelijk uitgewerkt. De beller was [telefoonnummer 1] (ten name van [benadeelde 2] ). De gebelde was [telefoonnummer 2] (ten name van [betrokkene 1] ). Het gesprek vond plaats op 3 april 2018 om 21.21 uur.
NN [het hof begrijpt hier en hierna: [benadeelde 2] ]: Ik moest je met spoed bellen. Kan ik jou over 10 minuutjes even bellen?
[profielnaam 2] [het hof begrijpt hier en hierna: [betrokkene 1] ]: Ja, maar waar ben je nu? Ik ben nu in west.
NN: [plaats] .
[profielnaam 2] : Okee, maar wat is de planning dan schat. Ik ben nu hier he?
[…]
NN: Okee, ik ben nog even bij m'n moeder. Ik ben even aan het afwachten wat er allemaal gebeurd, maar ik weet niet of u [verdachte] heeft gesproken?
[profielnaam 2] : Nee niet echt, wat dan? Ja hij zei me wel dingen over die telefoon. Dat je een beetje moeilijk deed ofzo?
[…]
[profielnaam 2] : Ja, hij was heel erg boos, maar ik word niet snel boos, maar ik rij nu wel vanuit Antwerpen voor Jan lul speciaal voor jou...”
38. Verder bevat het arrest de volgende bewijsoverwegingen:
“Feiten en omstandigheden
Op 28 maart 2018 om 12.22 uur stuurt [betrokkene 1] een WhatsAppbericht naar [betrokkene 2] dat “ [gebruikersnaam 2] ' [het hof begrijpt: [verdachte] ] een nieuwe ‘Kip’ heeft, dat deze start op vrijdag en dat er ‘picca’s’ [het hof begrijpt: foto’s] gemaakt moeten worden. In de telefoon van [betrokkene 2] zijn foto’s van een vrouw in erotische poses van diezelfde dag aangetroffen.
In een WhatsAppgesprek tussen [verdachte] en [betrokkene 1] van 28 maart 2018, ongeveer twee uur later, vraagt [betrokkene 1] : ‘kent ze […] of […] , of alleen […] ’, waarop [verdachte] antwoordt: ‘ […] ’. Het hof begrijpt dat het hier gaat om voetballers die [betrokkene 1] op de [a-straat] huisvest. [betrokkene 1] reageert: ‘Maar [benadeelde 1] moet eruit man en […] moeten niet te veel lullen man, of jij moet daar kort zitten’. Weer ongeveer twee uur later stuurt [verdachte] een WhatsAppbericht aan [betrokkene 1] : ‘Gap breng me gwn morgen regel ik die tel met d’r’. Op 30 maart 2018 appt [verdachte] aan [betrokkene 1] : ‘Ze weet van me vrouwtje man’. [betrokkene 1] reageert dat hij een gesprek heeft gezien in WhatsApp, dat ‘zij’ [het hof begrijpt: [benadeelde 2] ] met ‘hem’ wou praten en ‘zeiken bij […] over t feit dat je over toekomst praat met haar maar je wijf hebt’. Verder appt [betrokkene 1] : ‘nu is t […] , die kennen we, maar zo lult ze waarschijnlijk ook met 1000 andere snap ke (je)’. [verdachte] reageert met ‘Gwn alles eraf kankeren, Snap’ [het hof begrijpt: wachtwoord laten afgeven/zorgen dat zij geen sociale media kan gebruiken], waarop [betrokkene 1] reageert: ‘ja dat is jou taak bro’ en ‘Nieuw nr’, waarop [verdachte] reageert: ‘Geregeld’. [betrokkene 1] vervolgt: ‘Per direct, Snap ww pakken, alles, desnoods een KK nokia gebruiken en gebruiken we haar tel voor djunta man’. Verder vervolgt [betrokkene 1] : ‘Desnoods start ze ff [plaats] [het hof begrijpt: [plaats] ] gewoon’, waarop [verdachte] reageert: ‘kan ook’. [betrokkene 1] vervolgt: ‘Als de (ze) het daar goed doet mag ze promoveren naar [plaats] ’.
Op 3 april 2018 om 13.41 uur appt [benadeelde 2] (toen 18 jaar, hierna: [benadeelde 2] ) aan [verdachte] : ‘ [verdachte] , me ma ligt in het ziekenhuis’ en om 14.37 uur antwoordt ze op de vraag van [verdachte] wat haar moeder heeft: ‘Kanker, Ze moest vandaag weer een operatie maar ze is nog steeds niet wakker geworden’. Vanaf 14.39 uur appt [verdachte] aan [benadeelde 2] : ‘heb je al bankpas, wanneer komt ie, ergste geval media markt tel op afbetaling, werk tel s echt belangrijk’. Om 19.06 uur appt [benadeelde 2] dat zij in het ziekenhuis bij haar moeder is. Om 19.08 uur vraagt [verdachte] : ‘en hoe zit t met die tel, hij komt helemaal uit Antwerpen zo he’. [benadeelde 2] reageert dat hij niet van haar kan verwachten dat zij haar telefoon gaat afgeven omdat ze bereikbaar moet blijven, geen vervangende telefoon heeft en dat het slecht met haar moeder gaat. [verdachte] reageert: ‘ik zoek ook ff oplossing, want hij [het hof begrijpt: [betrokkene 1] ] gaat boos worden’. [benadeelde 2] appt dat ze bij haar moeder in de kamer is waarop [verdachte] reageert: ‘is goed mop. alleen, ik heb [profielnaam 2] [het hof begrijpt: [betrokkene 1] ] ook gemeld, moet wel jou tel hebben heb je tijdelijk een voor bereikbaar zijn, is een Samsung je kan er alles mee (...)*. [benadeelde 2] reageert dat ze haar telefoon wil houden, geen twee telefoons op haar naam kan krijgen en het gaat ‘fixen' voor vrijdag. [verdachte] reageert dat ze er sowieso een mee krijgt bij de MediaMarkt, waarop [benadeelde 2] , die kennelijk nog in het ziekenhuis is, appt: ‘Wacht ff er wordt aan alle kanten tegen me gepraat wacht ff.’ Hierop reageert [verdachte] : ‘Ik loop te rennen en te vliegen, terwijl je zelf niks voor over heb’, waarop [benadeelde 2] reageert: ‘Dit moet je echt niet tegen me zeggen want ik ben nu bezig met alles te laten vallen voor ons’. [verdachte] antwoordt: ‘Alles? Je kan niet eens je tel afstaan’ en ‘Gaat ie [het hof begrijpt: [betrokkene 1] ] je toekomst fixxen’. Als [benadeelde 2] appt dat ze niet kan wachten totdat ze haar bankpas heeft en dat ze dan de werktelefoon gaat regelen, dat ze waarschijnlijk zaterdag ongesteld wordt en dan geen seks kan hebben, appt [verdachte] om 20.28 uur: ‘Als t vandaag niet word geregeld dan trekt ie [het hof begrijpt: [betrokkene 1] ] z’n handen er van af, zijn kinder dingen dit’. Om 20.32 uur appt [benadeelde 2] aan [verdachte] : ‘nee maar sorry hoor je kan toch ook wel begrijpen. Ik ga al in [plaats] blijven en vervolgens na een maand verhuizen naar [plaats] . Ik verwijder me social media. Ik ga er 100% voor ik twijfel zeker niet’ en om 20.26 uur: ‘Het is niet niks wat jullie me vragen’.
Tijdens dit gesprek met [benadeelde 2] stuurt [verdachte] om 19.21 uur een spraakbericht naar [betrokkene 1] , inhoudende:
‘He bro, je weet toch, kan gewoon mijn mening geven. Je weet toch wat ik denk. Ik denk, het toch beter is als je [benadeelde 1] gewoon [plaats] pleurt, tenzij ze opeens nu, je weet toch, topper draait maar, en waarom, je weet toch, broer als, als deze nieuwe gewoon hier in [plaats] kan draaien dan kan ze alsnog die huur een beetje daar fixen, begrijp je wat ik bedoel. Kan ze het alsnog regelen. Dit lijkt mij beter he. Ik weet niet he, ik denk er net over na, je weet toch. Alsnog, als ze nou daar is of hier is dat maakt niet uit werk is werk, begrijp je beter gewoon [plaats] . […] draait ze, kan ze die huur van […] regelen ook een beetje. Wat [benadeelde 1] , je weet toch ook […] samen en dan je weet toch, gaat makkelijker. Dat is wat ik denk he. Nou je moet even zelf zeggen gewoon, wat jij denkt’.
Hierna en ook in de tussentijd appt [betrokkene 1] aan [verdachte] vanaf 19.22 uur: ‘Sturen haar [plaats] met […] , [plaats] is heet beetje, maar daarom moet die snol wel meeten straks’, waarop [verdachte] reageert: ‘Jaa komt goed half 10 he'. Om 20.30 uur appt [verdachte] aan [betrokkene 1] : ‘Ze maakt me mad, Kk hoer, ik heb gezegd dat als t zo gaat jij je handen er af frekt, je bent niet op kinderdingetjes’.
Om 21.21 uur belt [benadeelde 2] [betrokkene 1] en zegt: ‘ik moest je moet spoed bellen. Kan ik jou over 10 minuutjes even bellen?*, waarop [betrokkene 1] zegt: ‘ja, maar waar ben je nu? Ik ben in west’, waarop [benadeelde 2] antwoordt: ‘ [plaats] ’. [betrokkene 1] reageert: ‘Okee, maar wat is de planning dan schat. Ik ben nu hier he?’. [benadeelde 2] reageert dat ze nog even bij haar moeder is en afwacht wat er allemaal gebeurt en vraagt of [betrokkene 1] [verdachte] heeft gesproken, waarop [betrokkene 1] zegt: ‘Nee, niet echt, wat dan? Ja hij zei me wel dingen over die telefoon. Dat je een beetje moeilijk deed ofzo?’ en ‘Ja, hij was heel boos, maar ik word niet snel boos, maar ik rij nu wel vanuit Antwerpen voor Jan lui speciaal voor jou...’
Op 6 april 2018 appt [verdachte] aan [benadeelde 2] : ‘Augustus moet ik 19 ruggen [het hof begrijpt: € 19.000,00] hebben om spanje te regelen, ik heb er echt weinig tot geen vertrouwen in als ik eerlijk moet zijn, ik weet 1000% dat die tel vandaag niet gefixt is’. [benadeelde 2] appt dat ze wil doen wat ze kan en het voor hem wil doen maar nu in een vervelende periode met haar moeder zit. Verder appt ze: ‘ik wil een toekomst met jou ik wil dit allemaal meer dan graag zelfs. Maar ik wil ook er zijn voor me broertjes en zusjes, m’n moeder kunnen zien zolang nog mogelijk is’ en ‘je wilt dat ik al die dingen ga regelen en ga lopen naaien zodat die 19 ruggen in augustus dr zijn’.
Op 7 april 2018 vraagt [verdachte] of [benadeelde 2] haar telefoon al heeft geregeld en reageert zij dat zij haar pas al binnen heeft.
Op 8 april 2018 vraagt [benadeelde 2] aan [verdachte] of ze aankomende dinsdag de telefoon gaan regelen. [verdachte] vraagt: ‘Dus we gaan t doorzetten?’ waarop [benadeelde 2] bevestigend reageert.
Uit een WhatsAppgesprek van 12 april 2018 blijkt dat [benadeelde 2] online een telefoon heeft besteld.
Op 13 april 2018 appt [benadeelde 2] aan [verdachte] : ‘Ga je mee vandaag naar daar', waarop [verdachte] reageert dat hij haar brengt maar niet blijft. [benadeelde 2] reageert: ‘Ik ben wel een beetje zenuwachtig man’ en ‘Oh kan je [profielnaam 2] [het hof begrijpt: [betrokkene 1] ] vragen of ik moet zoenen’. Op 16 april 2018 appt [benadeelde 2] aan [verdachte] : ‘Ik weet niet of ik dit kan, ik blijf herinnert aan jou en […] heel de dag vraag je al een tijdje me te komen opzoeken. Gebeurt steeds niet maar daar kan je wel gaan snap je niet man, duurt wel erg lang afsluiten met haar, heb ook echt niet het idee dat dat gebeurt, aangezien ze helemaal in love met je is’.
Op donderdag 19 april 2018 appt [verdachte] aan [benadeelde 2] : ‘hoe gaan we doen met werk?', waarop [benadeelde 2] reageert: ‘Gaat het werk nog door? [profielnaam 2] is er toch niet’. [verdachte] reageert: ‘Dat maakt niet uit, ik ben er toch’ en ‘ik vraag je alleen of je vandaar die spa kan halen, dan gaan we morgen of overmorgen [plaats] al', waarop [benadeelde 2] reageert: ‘Overmorgen als het kan’. Later die dag appt [benadeelde 2] aan [verdachte] : ‘Gaan we zaterdag nog naar [plaats]’, waarop [verdachte] ‘Jaa’ antwoordt. [benadeelde 2] vraagt: 'Blijf je, is me eerste dag zou het fijn vinden als je blijft’.
Op (zaterdag) 21 april 2018 appt [verdachte] aan [benadeelde 2] : 'Uhm ik was vergeten dat alleen [profielnaam 2] vrouwtje fie pikkas had’ en vraag of ze zelf foto’s kan maken ‘en je mond vol spuiten maja, ik ben geil ook’. Als [benadeelde 2] hem appt dat ze hem wil zien reageert hij: ‘Maak jij goeie foto’s dan kan ik alles rond maken, daarna kan ik je wel ff komen checken’. [verdachte] appt: ‘Gezicht word zoizo goed bedekt daar zorg ik voor' en ‘Stuur me 10 dan kies ik de beste uit ja'. Als [benadeelde 2] appt dat ze nog even gaat liggen, omdat zij zich ziek voelt, reageert [verdachte] : ‘Schat komop, ff doorbijten toch’, waarop [benadeelde 2] zegt dat ze aan het overgeven is en dat zij echt niet zomaar op haar telefoon zit. [verdachte] reageert: ‘Oke geen probleem, maar dan meeten we andere dag ja want word ook laat anders’ en ‘als je me vandaag ook teleursteld ga ik t laten voor wat t is oke dan weetje dat’.
Op 24 april 2018 appt [benadeelde 2] aan [verdachte] : ‘Het voelt alsof ik hier alleen goed ben voor het geld’ en ook dat het haar irriteert dat ‘ […] ’ er nog is en ‘Ik wil al die dingen voor je doen maar krijg er niks voor terug, het enige wat ik wil is dat […] daar niet meer is en dat is ze wel’. [verdachte] reageert: ‘Snap ik maar ik heb al uitgeled dat t avontuur in Spanje zou beginnen ging je ook akkoord mee dus is niet mijn fout maar je denkt toch niet dat ik der ga laten voor al dit gebluf want vanaf jou kant is er nog helemaal niks gekomen terwijl ik wel druk bezig ben geweest om dingen te regelen’.
Op 28 april 2018 appt [benadeelde 2] aan [verdachte] : ‘Focus je gwoon op […] verwijder me nummer ook of blokkeer me desnoods’ en ‘Want we weten allebei dat dit gewoon een show was, en ik niet me je mee zou gaan naar Spanje’. [verdachte] reageert: ‘Kijk wij zouden samen knallen en daar iets beginnen wat denk je als ik gevoelens voor je krijg dat ik t prima vind met werk enzo??’ en ‘Daarom zei ik, focus hier, genieten daar’. [benadeelde 2] reageert: ‘Ja maar dat betekemt dat ik niet meer ben dan iemand die loopt te naaien voor jou zodat je naar spanje kan gaan’ en ‘En daar is het fout gegaan want ik kreeg die gevoelens wel voor jou’. Ze appt ook: ‘Zelfs nadat ik de eerste keer te horen kreeg dat je iets met […] had zelfs toen dacht ik nog van ik ga dr 100% voor’ en uiteindelijk ‘zodra je bereid bent […] te laten mag jr bij me terugkomen’.
Uit het voorgaande blijkt dat [verdachte] aan [benadeelde 2] in strijd met de waarheid heeft voorgehouden dat zij samen een toekomst hadden en naar Spanje zouden gaan. Zij zouden daar samen gaan genieten en iets opbouwen. Er moest een bedrag van € 19.000,00 geregeld worden. [benadeelde 2] zou als prostituee gaan werken om het geld voor hun gezamenlijke toekomst te verdienen. Zij geloofde - aanvankelijk - in die gezamenlijke toekomst en had gevoelens voor [verdachte] ontwikkeld. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt echter dat [verdachte] nooit het plan had om een gezamenlijke toekomst met haar op te bouwen, maar geld aan haar wilde verdienen. Tekenend is dat [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] bericht dat [verdachte] een ‘nieuwe kip’ heeft en dat er foto’s moeten worden gemaakt. [verdachte] had al een vriendin en [betrokkene 1] en [verdachte] maken zich zorgen dat [benadeelde 2] daar achter is gekomen en bespreken dat voorkomen moet worden dat zij met mensen gaat praten die zij niet kennen, haar Snapchatwachtwoord, telefoon en alles moet per direct worden afgepakt.
Als [benadeelde 2] aan [verdachte] laat weten dat haar moeder, die kanker heeft, na een operatie nog steeds niet wakker is geworden, informeert [verdachte] twee minuten daarna of zij haar bankpas al heeft en voert hij de druk op [benadeelde 2] op om haar eigen telefoon af te staan en een werktelefoon te regelen. Als [benadeelde 2] aan [verdachte] laat weten dat zij in het ziekenhuis bij haar moeder is, blijft hij doorgaan met druk zetten en geeft hierbij aan dat [betrokkene 1] boos wordt. Tegelijkertijd onderhoudt [verdachte] contact met [betrokkene 1] , adviseert hem om [benadeelde 1] in [plaats] ‘te pleuren’ zodat ‘deze’ in [plaats] kan beginnen en daar aan de huur kan meebetalen en vertelt aan [betrokkene 1] hoe hij [benadeelde 2] onder druk zet, namelijk door tegen haar te zeggen dat [betrokkene 1] zijn handen ervan aftrekt als het zo gaat. [verdachte] is boos op [benadeelde 2] , die haar telefoon niet wil afgegeven om bereikbaar te zijn voor haar familie, en vindt dat zij moeilijk doet. [betrokkene 1] , die [benadeelde 2] die dag wilde ontmoeten, zegt tegen haar, als blijkt dat ze nog in [plaats] en niet in [plaats] is in strijd met de waarheid dat hij speciaal voor haar uit Antwerpen is gekomen. De leugen dat [betrokkene 1] speciaal voor [benadeelde 2] uit Antwerpen zou komen, had [verdachte] ook al aan haar verteld.
Nadat [betrokkene 1] heeft besloten dat [benadeelde 2] naar [plaats] gaat, gaat [verdachte] met haar daar naartoe. Als [benadeelde 2] in [plaats] zit, vraagt [verdachte] haar om geile foto’s van zichzelf te maken, nu eerder van haar gemaakte foto's op het toestel van [betrokkene 2] staan, hij kan dan alles in orde maken. Als [benadeelde 2] zegt dat zij zich ziek voelt, zegt [verdachte] dat ze even moet doorbijten en dat hij ermee ophoudt als zij hem vandaag weer teleurstelt. Ondanks haar verzoek en ondanks dat zij zich ziek voelt, komt hij niet langs.
In latere berichten is te lezen dat [benadeelde 2] zich beklaagt dat [verdachte] haar niet komt opzoeken, dat ze alles voor hem wil doen maar er niets voor terugkrijgt en dat het haar dwars zit dat hij bij zijn vriendin blijft. Zij begint te twijfelen aan zijn intenties. [verdachte] blijft de leugen echter volhouden: hier ‘samen knallen’ en in Spanje gaan ze samen iets opbouwen en genieten. [benadeelde 2] gelooft er echter niet meer in, nu [verdachte] bij zijn vriendin blijft. Evenwel zijn haar gevoelens voor [verdachte] nog steeds dusdanig dat ze zegt dat als hij zijn vriendin laat gaan, hij bij haar mag terugkomen.
(…)
Medeplegen
Het hof is van oordeel dat [verdachte] de feiten in een nauwe en bewuste samenwerking met [betrokkene 1] heeft gepleegd. [betrokkene 1] meldt aan [betrokkene 2] dat [verdachte] 'een nieuwe kip’ heeft en dat er foto’s moeten worden gemaakt. Kennelijk had [verdachte] [betrokkene 1] over [benadeelde 2] verteld. [verdachte] onderhoudt nauw contact met [betrokkene 1] over [benadeelde 2] , zet haar samen met hem onder druk, hetgeen [betrokkene 1] bevestigt en daarmee versterkt in een rechtstreeks gesprek met [benadeelde 2] . [betrokkene 1] en [verdachte] bespreken gezamenlijk waar [benadeelde 2] gaat worden geplaatst.”
De bespreking van het zesde middel
39. Aan het middel liggen de volgende argumenten ten grondslag. In de eerste plaats is ’s hofs vaststelling dat de verdachte nauw contact had met [betrokkene 1] zonder nadere motivering onvoldoende voor het bewijs van medeplegen. In de tweede plaats kan de veronderstelling dat de verdachte [betrokkene 1] over [benadeelde 2] zou hebben geïnformeerd niet uit de bewijsmiddelen volgen en biedt dit ‘vermeende’ contact geen relevante omstandigheid voor het bewijs van medeplegen.
40. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 1] in een chatgesprek aan [betrokkene 2] op 28 maart 2018 heeft gestuurd dat ‘ [gebruikersnaam 2] ’ (de verdachte) een “nieuwe kip” heeft, dat deze op vrijdag start en dat er foto’s gemaakt moeten worden. Verder volgt uit een uitgelezen spraakbericht van 3 april 2018 dat de verdachte contact onderhoudt met [betrokkene 1] over de werkzaamheden van [benadeelde 2] (en [benadeelde 1] ). Zo blijkt daaruit dat de verdachte [betrokkene 1] van advies voorziet over (onder andere) ‘de plaatsing’ van [benadeelde 2] (en [benadeelde 1] ). Voor zover wordt geklaagd dat het contact tussen de verdachte en [betrokkene 1] slechts op een veronderstelling berust, kan ik de steller van het middel reeds gelet op het voorgaande niet volgen.
41. Uit de bewijsmiddelen heeft het hof, niet onbegrijpelijk, afgeleid dat de verdachte [benadeelde 2] als nieuw slachtoffer had geregeld, dat hij nauw contact onderhield met [betrokkene 1] over de werkzaamheden van die [benadeelde 2] alsmede de plaats waar deze zouden worden verricht en dat de verdachte tezamen met [betrokkene 1] [benadeelde 2] onder druk zette. Hoewel het hof niet met zoveel woorden heeft overwogen dat de verdachte een wezenlijke bijdrage aan (de uitvoering van) het delict heeft geleverd, dan wel dat zijn rol voldoende significant is geweest, ligt dit oordeel m.i. wel in de bewijsmotivering besloten.
42. Het zesde middel faalt.
Het zevende middel
43. Het zevende middel komt met een motiveringsklacht op tegen de bewezen verklaarde misleiding. De belofte van een gezamenlijke toekomst, die de verdachte aan [benadeelde 2] deed, is niet zonder meer aan te merken als ‘misleiding’, nu het hof niet heeft onderbouwd waaruit volgt dat de verdachte deze belofte in strijd met de waarheid deed. Daarnaast wordt aangevoerd dat een causaal verband tussen de belofte en de prostitutiewerkzaamheden ontbreekt.
Het bestreden oordeel
44. Kortheidshalve verwijs ik voor de door het hof uiteengezette feiten en omstandigheden naar randnummer 38. Het arrest bevat verder, en voor zover van belang voor de beoordeling van het zevende middel, de volgende bewijsoverwegingen:
“Middelen
Het hof is van oordeel dat [verdachte] gebruik heeft gemaakt van de middelen misleiding en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. [verdachte] heeft [benadeelde 2] in strijd met de waarheid voorgehouden dat zij een gezamenlijke toekomst hadden. [benadeelde 2] geloofde hier in, zelfs toen zij erachter kwam dat [verdachte] een vriendin had, en wilde er ‘100% voor gaan’. Verder was [verdachte] degene die de aanzienlijk oudere (toen 33 jaar) [betrokkene 1] kende, met wie hij haar in contact bracht in verband met prostitutiewerkzaamheden. [betrokkene 1] zou ‘haar toekomst fixen’. [verdachte] zette haar samen met [betrokkene 1] onder druk, dit alles terwijl haar moeder op dat moment ernstig ziek was, hetgeen [verdachte] wist.
(…)
Gedragingen
Sub 1°
[verdachte] heeft [benadeelde 2] met genoemde middelen geworven.
Sub 4°
[verdachte] heeft met genoemde middelen [benadeelde 2] bewogen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden. [betrokkene 2] heeft foto’s in lingerie van haar gemaakt, [benadeelde 2] heeft ten behoeve van het werk een bankpas en een telefoon geregeld en zij is in verband met prostitutiewerk gaan verblijven in [plaats] . Ook heeft [verdachte] [benadeelde 2] aangezet meer foto’s van zichzelf te maken zodat hij die kon gebruiken in het kader van het regelen van de prostitutiewerkzaamheden. [betrokkene 1] heeft ook verklaard dat zij zou gaan werken als prostituee.”
De bespreking van het zevende middel
45. Het bestanddeel ‘misleiding’ (van artikel 248a (oud) Sr) kan volgens Machielse worden uitgelegd als: het door woord of gedrag voorspiegelen van een onware stand van zaken, waardoor de ander over de streep wordt getrokken. Tussen het dwangmiddel en de gedraging(en) van het slachtoffer wordt een causaal verband vereist. Toegespitst op de zaak wil dat zeggen: door de misleiding is het slachtoffer bewogen tot het zich beschikbaar stellen voor en het verrichten van prostitutiewerkzaamheden. Dat verband pleegt de Hoge Raad niet strikt uit te leggen. Andere factoren hoeven niet aan het causale verband in de weg te staan, zelfs niet als die andere factoren het slachtoffer in overwegende mate hebben bewogen tot de gedraging. In dat geval kan nog altijd worden bewezen dat de verdachte door misleiding aan de gedraging van het slachtoffer heeft bijgedragen.
46. Het hof heeft onder “Feiten en omstandigheden” geciteerd uit berichtenverkeer tussen de verdachte en [betrokkene 1] en uit het berichtenverkeer tussen de verdachte en [benadeelde 2] . Het hof heeft op basis van die berichten vastgesteld dat de verdachte [benadeelde 2] voorhield dat zij samen een toekomst tegemoetgingen in Spanje, waarvoor € 19.000,- benodigd was en geregeld moest worden, hetgeen [benadeelde 2] bij elkaar moest verdienen met prostitutiewerkzaamheden. Toen [benadeelde 2] erachter kwam dat de verdachte een vriendin had en zijn belofte niet zou nakomen, heeft zij zich bij een ander daarover beklaagd. Daarop bespraken [betrokkene 1] en de verdachte dat [benadeelde 2] moest worden afgesloten van alle sociale media, haar wachtwoorden moesten worden veranderd en dat zij een nieuw telefoonnummer moest krijgen. Het hof heeft verder vastgesteld dat de verdachte de druk op [benadeelde 2] heeft opgevoerd, vooral op de momenten waarop zij niet kon werken, bijvoorbeeld omdat zij bij haar (zieke) moeder was. Het hof heeft overwogen dat het de verdachte om het geld uit de prostitutiewerkzaamheden te doen was. In dat verband is het volgens het hof tekenend dat de verdachte over [benadeelde 2] sprak als de ‘nieuwe kip’ die hij had geregeld.
47. Daarmee heeft het hof m.i. voldoende onderbouwd dat de door de verdachte gemaakte belofte in strijd met de waarheid was. Daarnaast volgt uit de vaststellingen dat de verdachte aan [benadeelde 2] heeft voorgehouden dat zij geld moest verdienen, zodat hij met [benadeelde 2] “een avontuur in Spanje” kon beginnen. Dat het hof daaruit heeft afgeleid dat deze (valse) belofte [benadeelde 2] ertoe heeft bewogen om de prostitutiewerkzaamheden te verrichten, dan wel dat die belofte ten minste in enige mate heeft bijgedragen aan de beslissing om prostitutiewerkzaamheden te verrichten, acht ik niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.
48. Het zevende middel faalt.
Het achtste middel
49. Ten slotte wordt in het achtste middel geklaagd dat de strafoplegging onbegrijpelijk is, althans dat de strafmotivering niet voldoet aan de eisen van artikel 359 lid 5 en 6 Sv, omdat het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In het bijzonder had het hof in zijn motivering moeten betrekken dat de verdachte in een zekere gezagsverhouding tot de hoofdverdachte stond en dat die relatie impact heeft gehad op het gedrag van de verdachte.
De strafoplegging en de motivering
50. Het hof heeft een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden opgelegd. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd:
“Oplegging van straffen
(…)
De raadsman heef verzocht bij oplegging van een straf rekening te houden met de persoon van de verdachte. Hij heeft gewezen op de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van de feiten, zijn moeilijke jeugd, zijn kwetsbaarheid, het feit dat hij erg opkeek tegen [betrokkene 1] en de omstandigheid dat de verdachte sinds kort over een eigen huurwoning beschikt.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het werven voor de prostitutie met het oogmerk van uitbuiting van twee vrouwen van 18 jaar oud. Hij heeft een van hen misleid en bij beide slachtoffers misbruik gemaakt van het uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Het ene slachtoffer was smoorverliefd op hem en bereid om alles voor hem te doen. Ze had schulden en kon niet thuis wonen. Het andere slachtoffer heeft de verdachte tezamen met zijn medeverdachte onder druk gezet. Ook zij had gevoelens voor hem en hij wist dat. Het is stuitend om in het dossier te lezen hoe dit slachtoffer door de verdachten, terwijl zij bij haar ernstig zieke moeder in het ziekenhuis verblijft, onder druk wordt gezet om toch vooral zo snel mogelijk een bankpas te regelen, haar telefoon af te staan en een werktelefoon te regelen. De druk vanuit de kant van de verdachte blijft ook daarna doorgaan. Verder is stuitend om te lezen hoe de verdachte en zijn medeverdachte bespreken dat het slachtoffer erachter is gekomen dat de verdachte al een vriendin heeft en daarover met mensen wil praten. Ze bespreken dat alles van haar moet worden afgepakt (‘per direct, Snap ww pakken, alles’) teneinde te voorkomen dat zij contact met de buitenwereld heeft. Tekenend is dat de verdachte tegen de medeverdachte zegt dat ‘deze’ in [plaats] kan draaien zodat ze daar de huur kan betalen. De door de verdachte aangewende middelen hebben ertoe geleid dat slachtoffers zich beschikbaar hebben gesteld voor prostitutie. Bij het eerste slachtoffer heeft de verdachte op haar zak geteerd. Desondanks heeft zij ook verklaard dat zij niet vindt dat de verdachte echt iets heeft gedaan. Wat betreft het andere slachtoffer geldt dat het niet aan de verdachte is te danken dat zij zich maar kortdurend beschikbaar heeft gesteld voor prostitutie. Het is het slachtoffer dat niet kan verkroppen dat de verdachte bij zijn vriendin blijft en ze vanwege de manier waarop hij haar behandelt niet meer gelooft in een gezamenlijke toekomst. Zij geeft wel nog aan dat de verdachte bij haar terug kan komen zodra hij weggaat bij zijn vriendin. Het is illustratief voor de mate van misleiding en misbruik dat de twee slachtoffers de kwalijke rol van de verdachte niet of nauwelijks lijken in te zien.
De verdachte heeft zich bij dit alles puur door financieel gewin laten leiden. Het tweede slachtoffer was ‘een nieuwe kip’.
Door te handelen als bewezenverklaard heeft de verdachte op indringende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers en voorts op de vrijheid die zij zou moeten hebben om hun eigen leven vorm te geven. De verdachte heeft de belangen van de slachtoffers bij het behoud van hun waardigheid en recht op zelfbeschikking volledig ondergeschikt gemaakt aan zijn zucht naar financieel gewin. Daarnaast heeft de verdachte er op geen enkele wijze blijk van gegeven zich bewust te zijn van de ernst van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan. Bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij er niets mee te maken heeft. Op de terechtzittingen van het hof is hij niet verschenen. Het hof ziet in de door zijn raadsman gestelde omstandigheden dat de verdachte een moeilijke jeugd heeft gehad, onder invloed van de medeverdachte zou hebben gestaan en thans een eigen huurwoning heeft, geen grond voor strafmatiging.
De ervaring leert dat slachtoffers van mensenhandel hier gedurende lange tijd nog psychische en emotionele schade van kunnen ondervinden.
Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 31 december 2024 is hij niet eerder veroordeeld en is hij na het plegen van het onderhavige feit veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor twee gekwalificeerde diefstallen (waarvan een met geweld) en vuurwapenbezit. Verder bevat het uittreksel strafbeschikkingen en veroordelingen door de kantonrechter voor verkeersfeiten in de periode tussen 2019 en 2023 en staat er nog een dergelijke zaak open. Het hof dient rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 Sr.
Het hof houdt voorts rekening met de straffen die in vergelijkbare gevallen van seksuele uitbuiting worden opgelegd, zoals die blijken uit de daarop van toepassing zijnde oriëntatiepunten van het LOVS. In strafvermeerderende zin houdt het hof rekening met het feit dat er in het onderhavige geval sprake is van misleiding door een liefdesrelatie, meerdere slachtoffers en dat er in een geval sprake is van medeplegen.
Naar het oordeel van het hof is, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend. De omstandigheid dat het feiten van langer geleden zijn, doet hier niet aan af.
Vervolgens staat het hof stil bij de vraag of de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is in eerste aanleg met de inverzekeringstelling van de verdachte aangevangen op 19 juni 2018 (heenzending 22 juni 2018) en het vonnis is gewezen op 24 december 2021. Aldus is de te hanteren redelijke termijn van twee jaar met een jaar en ruim 6 maanden overschreden. Het hoger beroep is namens de verdachte op 27 december 2021 ingesteld, terwijl het hof heden arrest wijst. Dit betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden met iets meer dan 13 maanden.
Het hof acht, gelet op genoemde overschrijdingen van de redelijke termijn die niet aan de verdachte zijn toe te rekenen, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden passend en geboden.”
De bespreking van het achtste middel
51. De steller van het middel legt de strafoplegging en -motivering langs de lat van artikel 359 lid 5 en 6 Sv. Over de responsieplicht van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv wordt niet geklaagd. Voor de beantwoording van de vraag in hoeverre de ambtshalve motiveringsvoorschriften van lid 5 en 6 dwingen tot een nadrukkelijke(re) afweging van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte moet het volgende worden vooropgesteld.
52. De feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Vanwege de veelheid aan factoren die van belang kunnen zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf, kan de feitenrechter evenwel slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing. Ten aanzien van de in cassatie te beantwoorden vraag of de feitenrechter de straftoemetingsbeslissing toereikend heeft gemotiveerd, stelt de Hoge Raad zich terughoudend op, nu de verantwoordelijkheid voor die beslissing primair bij de feitenrechter ligt.
53. De motiveringseisen van artikel 359 lid 5 en 6 Sv dwingen de feitenrechter ertoe in het bijzonder redenen op te geven voor de op te leggen sanctie, temeer als dit een vrijheidsbenemende sanctie betreft. In dat laatste geval kan de feitenrechter niet volstaan met een kale verwijzing naar de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de persoon van de verdachte. Dat neemt evenwel niet weg dat op grond van lid 6 en indachtig de terughoudende opstelling van de Hoge Raad geen al te hoge eisen aan de strafmotivering worden gesteld. Als de verdediging een uitgebreide motivering wenst, zal zij een daartoe strekkend verweer moeten voeren waarop de rechter ingevolge artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv dient te responderen.
54. In deze zaak heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van de verdachte. Met een enkele verwijzing heeft het hof allerminst volstaan. Het hof heeft onderbouwd overwogen dat het om een ernstig feit gaat en dat de verdachte, die zich door financieel gewin heeft laten leiden, op een kwalijke manier misbruik heeft gemaakt van de slachtoffers. Daarnaast heeft het hof bij de strafoplegging betrokken dat de verdachte op geen enkele wijze blijk heeft gegeven zich bewust te zijn van de ernst van zijn gedragingen. Het hof heeft verder rekening gehouden met de straffen die in vergelijkbare zaken van seksuele uitbuiting zijn opgelegd, alsmede met het bepaalde in artikel 63 Sr. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de verdediging ter terechtzitting zijn voorgehouden, heeft het hof evenwel geen grond voor strafmatiging gezien.
55. Zodoende heeft het hof m.i. blijk gegeven van de redenen die tot de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf hebben geleid. Ik acht de strafoplegging dan ook niet onbegrijpelijk en in het licht van de eisen die artikel 359 lid 5 en lid 6 Sv aan de motivering stelt toereikend gemotiveerd.
56. Ook het achtste middel faalt.
Slotsom
57. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
58. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
59. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG