PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03871
Zitting 27 oktober 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 7 oktober 2024 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (parketnr. 20-002896-20) wegens verschillende vormen van faillissementsfraude, te weten:
- onder 1 primair “het door een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldaan hebben of niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers als in dat artikel bedoeld, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging”;
- onder 3 primair “als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldaan hebben of niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers als in die artikelen bedoeld”;
- onder 4 “als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd”; en
- onder 5 “als bestuurder van een rechtspersoon, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden opzettelijk weigeren de vereiste inlichtingen te geven en opzettelijk verkeerde inlichtingen geven, meermalen gepleegd”
veroordeeld tot een geldboete van € 14.000,-, subsidiair 105 dagen hechtenis.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat M.D. Rijnsburger heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof een verzoek tot aanhouding van de behandeling ter terechtzitting heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen, althans dat de motivering onbegrijpelijk is.
Alvorens nader in te gaan op het gedane aanhoudingsverzoek, schets ik kort de chronologie:
- Bij uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 7 december 2020 is de verdachte ter zake de (vijf) hem tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
- Tegen dit vonnis heeft de verdachte op 21 december 2020 hoger beroep ingesteld.
- In de namens de verdachte ingediende appelmemorie d.d. 4 januari 2021 is verzocht om het horen van een aantal getuigen.
- Een eerste zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2023. Bij beslissing van 28 augustus 2023 heeft het hof een aantal van de door de verdediging verzochte getuigen toegewezen. Met het oog daarop is de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris, die de toegewezen getuigen in december 2023 heeft gehoord.
- De oproeping voor de zitting van 23 september 2024 is in persoon aan de verdachte betekend op 12 augustus 2024.
- Kennelijk op 23 augustus 2024 is de verdachte geëmigreerd naar Spanje, alwaar ook zijn dochter woonachtig is.
Ter terechtzitting in hoger beroep van 23 september 2024 is de verdachte niet verschenen. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden omdat de verdachte wil dat de zaak in zijn aanwezigheid wordt behandeld. Aan dat verzoek is ten grondslag gelegd dat de verdachte van plan was om vanuit Spanje naar de zitting te komen, maar dat zijn familie “aan de noodrem” heeft getrokken omdat het slecht gaat met de verdachte. Hij zou vergeetachtig zijn, last hebben van duizeligheid en slecht ter been zijn. Volgens de verdachte heeft zijn familie hem daarom verboden om naar Nederland te gaan.
Het proces-verbaal van de zitting van 23 september 2024 houdt – voor zover van belang – het volgende in:
“Op vragen van de voorzitter brengt de raadsman het volgende naar voren:
Cliënt is niet verschenen, maar het was eigenlijk de bedoeling dat hij wel zou verschijnen. Hij is onlangs naar Spanje geëmigreerd en is daar momenteel ook woonachtig. Ik had aanvankelijk met hem afgesproken dat hij hier vandaag zou zijn en hij was ook van plan om vanuit Spanje hiernaartoe te vertrekken. Cliënt weet van deze zitting. Eind vorige week heb ik van de familie van cliënt begrepen dat zijn reis naar Nederland toch niet doorging. Ik heb van de familie begrepen dat zij aan de noodrem hebben getrokken omdat het slecht met cliënt gaat. Hij kan wel denken dat hij het kan, maar de familie heeft gezien dat het slecht met hem gaat en dat hij vergeetachtig is. Ik heb ook begrepen dat cliënt last heeft van duizeligheid en niet goed ter been is. Afgelopen vrijdag heb ik contact met cliënt gehad en hij vertelde mij dat zijn familie hem heeft verboden om naar Nederland te gaan. Ik heb bij hem vervolgens de vraag neergelegd hoe hij de toekomst ziet en hem gevraagd of ik namens hem hier het woord zou voeren of dat hij toch gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht. Cliënt wil dat de zaak in zijn aanwezigheid wordt afgedaan en dus bij de behandeling van het hoger beroep aanwezig zijn.
U vraagt mij of ik de medische situatie van mijn cliënt kan onderbouwen met stukken. Ik heb nog wel een e-mailbericht gekregen van de dochter van cliënt en ik heb nog gebeld om meer informatie te krijgen. Ik heb van de dochter begrepen dat zij aan cliënt heeft gevraagd of hij naar Spanje wilde verhuizen. Cliënt heeft dat vervolgens gedaan en heeft daar een woning betrokken. Hij is nu 80 jaar oud en heeft last van een verminderde gezondheid en een aantal fysieke gebreken. Hij denkt zelf dat hij nog alles aan kan.
Ik hoor de jongste raadsheer opmerken dat de klachten van cliënt niet minder zullen worden in de toekomst. Dat kan zijn, maar het is toch de wens van cliënt om bij de behandeling van het hoger beroep aanwezig te zijn. Als er ouderdomsklachten zijn, zijn er weinig mensen die daar beter van worden. Het is de vraag of er ruimte is om een andere oplossing te bieden. Ik heb daar ook met de dochter van cliënt over gesproken. Cliënt heeft zijn eigen plan getrokken en de familie heeft aan de noodrem getrokken.
De voorzitter deelt het volgende mede.
Hetgeen de raadsman naar voren brengt, is al langer bekend. Het hele dossier ademt uitstel en beloftes. De verdachte weet al lange tijd dat hij vandaag hier moest verschijnen en er is voldoende tijd geweest om een doktersverklaring op te kunnen vragen. De raadsman kan aan deze gang van zaken niets doen. Een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf is voor niemand prettig. Het is de verdachte niet gelukt om naar Nederland te reizen. Het hof heeft de zaak voor vandaag voorbereid. Op een gegeven moment houdt het een keer op met het verlenen van aanhouding.
Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de raadsman als volgt.
De dochter van cliënt die ik heb gesproken, is inderdaad de dochter die het appel in haar zaak heeft ingetrokken. Ik zal uw hof uitleggen hoe de informatie over cliënt mij heeft bereikt. Ik word hier ook niet vrolijk van. Ik heb wel informatie bij de Nederlandse huisarts van cliënt opgevraagd. Ik heb tegen de huisarts gezegd dat ik graag een verklaring wil ontvangen over hoe het nu met cliënt gaat. Ik kreeg het antwoord dat het een zodanig zoekplaatje was dat dat niet ging lukken.
Ik merk bij cliënt dat hij graag naar de zitting wil komen, maar ik merk ook dat de communicatie met hem lastig gaat. Cliënt begrijpt het standpunt van uw hof. Ik heb ook geprobeerd om nog meer informatie te krijgen. Ik heb pas vanochtend het e-mailbericht gekregen waarin uitleg is gegeven waarom cliënt niet is afgereisd naar het hof.
De familieleden van cliënt konden ook niet samen met cliënt in het vliegtuig stappen vanwege verplichtingen met werk en kinderen.
Het is mij niet duidelijk of de familieleden van cliënt al maanden van deze zitting op de hoogte zijn, zoals u zegt. Volgens mij is dat pas eind vorige week aan de orde gekomen. Ik heb begrip voor het standpunt van uw hof. Ik heb ook in het dossier gezien hoe het verloop van de zaak is geweest. Ik had uw hof graag van concrete stukken voorzien ter onderbouwing van de situatie van cliënt. Ik vraag uw hof om er rekening mee te houden dat cliënt nu in Spanje woont. De dochter van cliënt woont al drie jaren in Spanje en cliënt is in afgelopen augustus die kant op gegaan. Hij zei toen dat hij terug naar Nederland zou komen voor deze zitting. De emigratie heeft echter een zware wissel op cliënt getrokken en daarom is aan de noodrem getrokken. Ik begrijp de weerstand van het hof die er bestaat tegen een nieuwe aanhouding. Uw hof heeft de zaak voorbereid en de zaak loopt al lang. Er is daarbij voor vandaag ook de nodige zittingsruimte gereserveerd. Dat zie ik en dat weet ik. Aan de andere kant heb ik te maken met de belangen van cliënt. Die belangen zijn concreet en door zijn familie onderbouwd met de berichten over de problemen met zijn gezondheid.
Door de raadsman wordt een e-mailbericht van de dochter van de verdachte d.d. 23 september 2024 10:05 met bijlage met als opschrift ‘Berichtgegevens OVD’ verstuurd.
De voorzitter deelt kort de inhoud mede van voornoemde documenten.
Op vragen van de advocaat-generaal brengt de raadsman het volgende naar voren:
Het klopt dat cliënt nog in Nederland was toen de oproeping voor de terechtzitting van heden aan hem werd uitgereikt. Hij is pas in augustus 2024 geëmigreerd en is toen ook uitgeschreven in Nederland.
De advocaat-generaal deelt mede dat zij een recente Informatiestaat SKDB-persoon van de verdachte heeft opgevraagd, welke naar het hof is verzonden.
De voorzitter deelt vervolgens mede de korte inhoud van de zojuist ontvangen nieuwe informatiestaat SKDB betreffende de verdachte, waaruit blijkt dat hij per 23 augustus 2024 is ingeschreven op het adres [a-straat 1] , [plaats] (Spanje).
De raadsman deelt als volgt mede:
Ik heb de informatiestaat die ik bij mijn stukken heb aan het hof gestuurd, zodat uw hof weet dat deze uitdraai uit het systeem loopt tot 2024.
De jongste raadsheer merkt op dat hij op de informatiestaat ziet dat deze is gedateerd op 28 maart 2024, waarop de raadsman naar voren brengt dat de informatie volgens zijn interpretatie doorloopt tot en met 2024.
De oudste raadsheer deelt mede dat het misschien niet zo slim is geweest dat de verdachte is geëmigreerd.
De raadsman verklaart als volgt.
Cliënt overschat zichzelf en denkt dat hij het allemaal wel aan kan. Voor een buitenstaander is het makkelijk om te zeggen dat het niet slim is geweest om te emigreren, maar de familie van cliënt ziet dat het hem momenteel niet lukt om naar Nederland te reizen.
De advocaat-generaal krijgt het woord en deelt het volgende mede.
We bevinden ons in een moeilijke situatie. Afgelopen maart is met de verdediging afgesproken dat de verdachte vandaag naar de zitting zou komen. De oproeping is aan hem in persoon betekend. Vandaag ontvangen wij berichten dat de verdachte niet in staat zou zijn om naar de zitting te komen. Daarbij valt op dat de medische informatie omtrent de verdachte is opgevraagd op 24 juli 2024 en dat hij een kleine maand voorafgaand aan de zitting verhuisd moet zijn. We horen vandaag dat de verdachte niet gezond is en dat het moeilijk wordt dat hij in deze staat aanwezig zal zijn. Ik denk dat het hof niets anders kan dan de behandeling van de zaak opnieuw aan te houden, maar ik heb daarbij wel een restrictie. De volgende keer dat een dergelijk verzoek wordt gedaan, is een duidelijke medische verklaring benodigd. De zaak moet een keer worden afgedaan.
De raadsman voert als volgt liet woord:
De medische stukken zijn opgevraagd in het kader van de emigratie van cliënt naar Spanje, met het oog op het feit dat een huisarts in Spanje hem als patiënt moest overnemen van zijn Nederlandse huisarts. Dat is moeilijk om direct te regelen, maar zijn medicatie is wel geregeld. Dat is de achtergrond van de datum van de stukken zoals door advocaat-generaal genoemd. Er is sprake van twee visies op de werkelijkheid: de visie van cliënt die graag naar de zitting wil komen en zijn familie die zegt dat hij zijn reis zelf zal moeten doen, maar die op de rem trapt. Ik sta hier ook met een vervelend gevoel. Ik zie dat er zittingsruimte is gereserveerd voor de behandeling van de zaak. Puur met het oog op het belang van het aanwezigheidsrecht ben ik het wel eens met de wens van cliënt om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde hem in de gelegenheid te stellen alsnog met een familielid naar Nederland te komen. Ik heb cliënt zelf afgelopen vrijdag nog over de aanhouding van de zaak gesproken. Vóór vrijdag dacht ik nog dat cliënt wel zou komen en dat hij afgelopen zondag in Nederland zou aankomen. Toen ik vorige week met cliënt over de zaak zelf sprak, dacht ik nog dat hij naar de zitting zou komen. Vervolgens komt dit bericht door en gaat het alsnog niet door. Vanuit mij kwam vervolgens de vraag of het dan wellicht niet verstandiger zou zijn dat cliënt zich zou laten vertegenwoordigen door mij, maar hij zegt zelf dat hij in persoon aanwezig wil zijn. Dat is een rechtens te respecteren belang.
Op verdere vragen van de voorzitter brengt de raadsman het volgende naar voren:
De dochter van cliënt wist dat cliënt vandaag voor het hof moest verschijnen. Aanvankelijk was alles in kannen en kruiken voor de reis naar Nederland. De reis naar Nederland zou geboekt zijn, maar volgens de dochter is de boeking niet doorgezet en heeft zij cliënt belet de reis te maken. Ik weet niet wanneer de reis geboekt zou zijn. Ik weet niet wanneer de beslissing is genomen in het huis van de dochter en schoonzoon om cliënt niet naar de zitting van vandaag te laten komen. Ik heb van cliënt begrepen dat hij afgelopen vrijdag daarmee werd geconfronteerd en vanmorgen heb ik het e-mailbericht van de dochter ontvangen dat hij dus niet zou komen.”
Het e-mailbericht van de dochter van de verdachte van 23 september 2024 (de dag van de terechtzitting in hoger beroep), waarnaar door de raadsman van de verdachte wordt verwezen en die vervolgens ook met het hof is gedeeld, luidt als volgt:
“Beste Mark,
Ik heb voor mijn vader [verdachte] even aan de noodrem moeten trekken.
Hij wil graag vanuit Spanje naar Nederland reizen om de rechtzaak in Den Bosch bij te wonen. Maar mijn vader is op dit moment fysiek en mentaal niet in staat om deze reis alleen uit te voeren.
[verdachte] is vaak plots erg duizelig. Loopt dan met zijn handen langs de muur. Hij vergeet veel. En is niet langer mobiel. In en uit de auto stappen vergt veel van hem. Autorijden doet hij niet meer en loopt alleen kleine afstanden, het liefst binnenshuis.
Hierdoor vind ik hem nu niet in staat om deze reis alleen te doen. Hij is er zelf trouwens van overtuigd dat hij het wel kan.
Hopelijk nemen zijn klachten af en kan hij over een aantal maanden wel reizen. Ik heb met [verdachte]
afgesproken dat een van ons dan met hem reist. Zodat hij niet alleen is en toch zelf zijn verhaal aan de rechter kan doen.
Excuses dat het allemaal last minute is.”
Bij deze e-mail van de dochter van de verdachte is een 178 pagina’s tellend document met medische informatie gevoegd dat op 24 juli 2024 is opgevraagd vanwege de emigratie van de verdachte naar Spanje.
Het hof heeft het aanhoudingsverzoek van de verdediging afgewezen en daartoe als volgt overwogen:
“De zitting van heden was ruim van tevoren bij de verdachte bekend, aangezien de betekening van de oproeping op 12 augustus 2024 nog op het Nederlandse adres van de verdachte in persoon heeft plaatsgevonden. De verdachte is vervolgens op 23 augustus 2024 uitgeschreven in Nederland en staat vanaf dat moment als woonachtig in Spanje geregistreerd. Het hof heeft de medisch informatie omtrent de verdachte gezien van 178 pagina’s die op 24 juli 2024 is opgevraagd in verband met het vertrek van de verdachte naar Spanje. In die informatie staat niets vermeld over klachten van vergeetachtigheid of beginnende dementie, maar wel dat er in 2021 en eerder klachten van duizeligheid zijn geweest. Na 2021 hebben dergelijke klachten kennelijk geen rol meer gespeeld. Indien bij de verdachte vóór 23 augustus 2024 sprake zou zijn geweest van vergeetachtigheid/beginnende dementie, dan gaat het hof ervan uit dat hij zich bij zijn arts zou hebben vervoegd, maar dat is in Nederland niet gebeurd. Vorige week heeft de verdachte gesproken met zijn raadsman, maar hij heeft daarbij niets gezegd over het bestaan van duizeligheid of vergeetachtigheid. Afgelopen vrijdag is vervolgens het bericht van de dochter van de verdachte gekomen dat de reis niet doorgaat en dat er geen vliegticket is geboekt. Vandaag om 10:05 uur is er een nieuw bericht van de dochter, die onherroepelijk is veroordeeld ter zake van feiten waarvoor ook de verdachte terechtstaat, ingekomen waarin staat dat de verdachte duizelig is, met zijn handen aan de muur loopt, veel vergeet en niet langer mobiel is. Al eerder is gezegd dat het hier in het algemeen niet om klachten gaat die van de ene op de andere dag ontstaan. De verdachte heeft zich vóór 23 augustus niet met dergelijke klachten bij zijn huisarts vervoegd en heeft deze evenmin afgelopen vrijdag tijdens de bespreking van zijn zaak met de raadsman benoemd. De raadsman heeft toen kennelijk ook niets gemerkt van vergeetachtigheid, anders zou de raadsman dit wel hebben benoemd.
De klachten van de verdachte die nu door de raadsman worden genoemd, zijn aldus niet aannemelijk geworden. Het hof ziet geen reden voor aanhouding van de behandeling van de zaak en wijst het verzoek van de raadsman daartoe af.”
Uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2018 volgen twee gronden waarop een verzoek van de verdediging tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan worden afgewezen. Ten eerste kan de rechter het verzoek afwijzen omdat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid naar het oordeel van de rechter niet aannemelijk is geworden. Als de rechter niet oordeelt dat die omstandigheid niet aannemelijk is, dient hij een afweging te maken tussen alle bij de aanhouding betrokken belangen. Die belangenafweging kan leiden tot het oordeel dat – en dit is de tweede grond voor afwijzing – het belang van voortzetting van de zaak zwaarder weegt dan het belang van de verdachte om bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn.
Het hof heeft het verzoek van de verdediging in deze zaak afgewezen op de eerste grond en geoordeeld dat de medische klachten van de verdachte die door de verdediging aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd, niet aannemelijk zijn geworden. Het beoordelingskader van de Hoge Raad houdt over deze eerste grond voor afwijzing in het bijzonder het volgende in:
“De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt. Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.
In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan.
Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte – of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd – als dat juist zou zijn – in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al – dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan – afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.”
De steller van het middel voert in de eerste plaats aan dat het hof heeft miskend dat het aanhoudingsverzoek op twee omstandigheden steunt, namelijk enerzijds op de aangevoerde medische klachten van de verdachte en anderzijds op de overmacht die is ontstaan door de keuze van de familie van de verdachte om hem niet (alleen) naar Nederland te laten afreizen. Nu het hof slechts heeft geoordeeld dat de medische klachten niet aannemelijk zijn geworden, is de afwijzing van het aanhoudingsverzoek volgens de steller van het middel onvoldoende gemotiveerd.
Deze klacht faalt. Uit de e-mail van de dochter van de verdachte (zie hiervoor onder randnr. 2.5) blijkt dat het volgens de dochter van de verdachte door de familie genomen besluit om de verdachte – kennelijk (minder dan) 30 dagen nadat de verdachte naar Spanje is geëmigreerd – niet te laten afreizen naar Nederland gebaseerd is op de in deze e-mail beschreven medische klachten. In het oordeel van het hof dat deze medische klachten niet aannemelijk zijn geworden, ligt aldus eveneens besloten dat het niet aannemelijk is geworden dat de familie van de verdachte hem niet heeft laten afreizen naar Nederland vanwege die (door het hof dus niet aannemelijk geachte) klachten. Het middel faalt in zoverre.
Voorts wordt geklaagd over de begrijpelijkheid van het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde klachten van de verdachte niet aannemelijk zijn geworden.
Allereerst komt bij mij – gelet op het hiervoor geciteerde toetsingskader van de Hoge Raad – de vraag op of het hof aan de verdachte de gelegenheid had moeten bieden om het verzoek van een nadere toelichting te voorzien, dan wel (nadere) bewijsstukken te overleggen. Ik meen van niet. Aan de e-mail van de dochter van de verdachte van 23 september 2024 (de dag van de terechtzitting in hoger beroep) is een 178 pagina’s tellend document met medische informatie gehecht, dat op 24 juli 2024 is opgevraagd in het kader van de emigratie van de verdachte naar Spanje. Bij die e-mail zijn kennelijk geen andere stukken als bijlage meegestuurd die de genoemde medische klachten van de verdachte ondersteunen, terwijl het hof – in cassatie onbestreden – heeft vastgesteld dat de medische klachten niet volgen uit de medische informatie van 24 juli 2024. De terechtzitting was op 23 september 2024, dus krap twee maanden nadat de medische informatie van de verdachte is opgevraagd. Tegen deze achtergrond is het naar mijn oordeel niet onbegrijpelijk dat het hof geen gelegenheid heeft geboden voor een nadere toelichting.
Bij het oordeel dat de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde medische klachten niet aannemelijk zijn geworden, heeft het hof – als opgemerkt – ten eerste in aanmerking genomen dat in de medische informatie niets is vermeld over de klachten die in de mail van de dochter van de verdachte worden genoemd, terwijl die klachten van de verdachte volgens het hof in het algemeen niet van de ene op de andere dag ontstaan. Ook heeft het hof vastgesteld dat de verdachte voor zijn emigratie op 23 augustus 2024 (kort voor de zitting) niet bij een arts is geweest in Nederland met dergelijke klachten. Daarnaast heeft het hof van belang geacht dat de verdachte de week voorafgaand aan de zitting van 23 september 2024 nog met zijn raadsman heeft gesproken, maar dat de verdachte daarbij (kennelijk) niets heeft gezegd over het bestaan van duizeligheid of vergeetachtigheid. In het licht van de opmerking van de raadsman ter terechtzitting dat hij vorige week nog dacht dat de verdachte naar de zitting zou komen en dat de raadsman er voor vrijdag (20 september) nog vanuit ging dat de verdachte afgelopen zondag in Nederland aan zou komen, is de gevolgtrekking van het hof dat de verdachte tijdens dat gesprek kennelijk niets heeft gezegd over de genoemde klachten, niet onbegrijpelijk. Tot slot heeft het hof in aanmerking genomen dat de dochter van de verdachte de vrijdag voorafgaand aan de zitting heeft bericht dat de reis niet doorgaat en er geen vliegticket is geboekt, terwijl pas op de ochtend van de terechtzitting het bericht is gekomen dat de verdachte duizelig is, met zijn handen aan de muur loopt, veel vergeet en niet langer mobiel zou zijn.
Het op deze overwegingen gebaseerde oordeel van het hof dat de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde medische klachten niet aannemelijk zijn geworden, is mijns inziens niet onbegrijpelijk en leent zich – verweven als dat oordeel is met waarderingen van feitelijke aard die zijn voorbehouden aan het hof – niet voor verdere toetsing in cassatie. De afwijzing van het aanhoudingsverzoek is daarmee niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Het eerste middel faalt.
3. Het tweede middel
Het tweede middel richt zich tegen de strafoplegging en bevat – blijkens de toelichting – in het bijzonder de klacht dat het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met hetgeen is aangevoerd over de draagkracht van de verdachte.
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 14.000,- en heeft die strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 weken waarvan 20 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – bepleit dat aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf dient te worden opgelegd. In dit verband heeft de raadsman in het bijzonder gewezen op de schending van de redelijke termijn, alsmede op de leeftijd en de gezondheidssituatie van de verdachte. Oplegging van een onvoorwaardelijke straf is gelet op die omstandigheden niet passend. Nu het financieel gewin minimaal is geweest, bestaat ook ruimte voor het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf.
Indien en voor zover het hof de raadsman in het voorgaande niet zou volgen, heeft de raadsman verzocht de behandeling van de zaak aan te houden voor het laten opmaken van een reclasseringsrapport. Gelet op het bijzondere tijdsverloop is het noodzakelijk om goed geïnformeerd te worden over de impact van een straf en verdachtes detentiegeschiktheid, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Bij het bepalen van de op te leggen sanctie neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich als feitelijk leidinggever schuldig heeft gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk gepleegd door [A] B.V. Hij heeft verzaakt ervoor te zorgen dat [A] B.V. voldeed aan de verplichting om een volledige en/of deugdelijke administratie te voeren en te bewaren en deze voor zover gevoerd en bewaard – ondanks herhaalde verzoeken – ter beschikking te stellen aan de curator. Voorts heeft de verdachte zich als bestuurder van [B] B.V. schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk. Ook in dit geval heeft de verdachte verzaakt er zorg voor te dragen dat [B] B.V. voldeed aan de verplichting om een (volledige) administratie te voeren, te bewaren en deze voor zover gevoerd en bewaard aan de curator ter beschikking te stellen.
Hij heeft door zijn handelswijze de taak van de curatoren om te zorgen voor een rechtvaardige afwikkeling van de faillissementen ernstig belemmerd en bemoeilijkt. De curatoren waren zonder deugdelijke administratie immers niet in staat de rechten en de verplichtingen van de ondernemingen vast te stellen en ervoor te zorgen dat schade voor de schuldeisers werd voorkomen althans beperkt. Het hof heeft bij de bepaling van de straf voor deze misdrijven gelet op het lichtere regime in de nieuwe strafbaarstellingen van 344a van het Wetboek van Strafrecht.
Ook heeft de verdachte in het zicht van het faillissement van [B] een geldbedrag onttrokken aan de boedel van [B] B.V. Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat het gaat om een totaalbedrag van € 14.731,10. Onder andere zijn geldbedragen overgemaakt naar bankrekeningen van hemzelf, zijn echtgenote en een relatie van [A] B.V.
Het hof rekent deze onttrekking aan de boedel van [B] B.V. de verdachte zwaar aan. Hij wist immers dat deze onderneming schulden had. Desalniettemin heeft hij op het moment dat er geld beschikbaar was op de rekening van [B] B.V. gelden naar zichzelf en naar zijn naasten overgemaakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte het faillissementstekort vergroot ten nadele van de faillissementsschuldeisers. Gelet op het bewezenverklaarde handelen heeft de verdachte kennelijk gehandeld ter veiligstelling van zijn eigen (financiële) belangen en heeft hij zich daarbij niet bekommerd om de (financiële) gevolgen voor andere schuldeisers die door het bewezenverklaarde handelen werden benadeeld.
Evenals de rechtbank weegt het hof bij het bepalen van de op te leggen straf in het nadeel van de verdachte mee dat is gebleken dat de verdachte optrad als adviseur van vennootschappen en zelf als bestuurder was betrokken bij ongeveer dertig besloten vennootschappen, waarvan er ongeveer tien failliet zijn gegaan. Dit impliceert dat hij als geen ander moet hebben geweten van het belang van (het voeren van) een deugdelijke administratie ten behoeve van een juiste en correctie afwikkeling van een faillissement.
Bij de bepaling van de op te leggen sancties heeft het hof voorts acht geslagen op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten met betrekking tot fraudedelicten, dienende als richtsnoer voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Het oriëntatiepunt dat ziet op fraude in algemene zin en waarbij sprake is van een benadelingsbedrag van € 10.000,00 tot € 70.000,00 geeft als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee tot vijf maanden/een taakstraf. Het kwalijke van de misdrijven van de feiten 1 en 3 is echter dat de financiële schade en eventuele andere frauduleuze gedragingen van de verdachte binnen deze vennootschappen daardoor niet meer kunnen worden vastgesteld. Vandaar dat op deze misdrijven een maximumstraf van vier jaren is gesteld (artikel 344a Sr nieuw).
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. In dit verband houdt het hof bij het bepalen van de op te leggen straf in het bijzonder rekening met de hoge leeftijd van de verdachte.
Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Deze termijn is in de onderhavige zaak aangevangen op 18 november 2014, de dag waarop de verdachte voor de eerste keer is gehoord. Aan die handeling kon de verdachte naar het oordeel van het hof immers in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank heeft eerst op 7 december 2020 vonnis gewezen, mede vanwege een verzoek om uitstel van de verdachte. De behandeling in eerste aanleg is desondanks niet tijdig met een eindvonnis afgerond.
Van de zijde van de verdachte is op 21 december 2020 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst liet onderhavige arrest op 7 oktober 2024. Het hof stelt vast dat het niet binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen. In hoger beroep is de redelijke termijn met een periode van een jaar en ruim negen maanden overschreden. In hoger beroep zijn door de raadsheer-commissaris nog verschillende getuigen gehoord en is (wederom) getracht [getuige] als getuige op te roepen, maar die omstandigheden vormen naar het oordeel van het hof geen rechtvaardiging voor de aanmerkelijke overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn hier dan ook geschonden.
Zonder deze schending zou een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf naar het oordeel van het hof passend zijn geweest. Rekening houdend met voornoemde schending, de ouderdom van de feiten en de hoge leeftijd van de verdachte zal het hof in plaats daarvan een onvoorwaardelijke geldboete opleggen van € 14.000.00 subsidiair 105 dagen hechtenis. Niet toevallig sluit het hof hierbij aan bij de benadeling die de verdachte door feit 4 heeft veroorzaakt. Een taakstraf acht het hof gezien de persoonlijke omstandigheden waaronder de hoge leeftijd van de verdachte niet aangewezen. Een geheel voorwaardelijke straf zoals door de verdediging bepleit doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte. Op basis van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken dat de verdachte nu en in de toekomst niet in staat zou zijn voornoemd geldbedrag te kunnen betalen.
Het (voorwaardelijk) verzoek van de raadsman strekkende tot het laten opmaken van een reclasseringsrapport wordt door het hof afgewezen, nu het hof zich voldoende voorgelicht acht over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het hof ziet dan ook – mede gelet op de onderbouwing van het verzoek – geen aanleiding om dit verzoek te honoreren.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte onder meer het volgende in:
“Cliënt is recentelijk naar Spanje geëmigreerd. Het is lastig om alle voorzieningen die hij in Nederland had. over te zetten naar de Spaanse instanties en om alles geregeld krijgen. Het is moeilijk om in Spanje een huisarts te krijgen en om de uitkeringen te regelen die er lopen. De inhoudingen die er op de AOW-uitkering van cliënt plaatsvinden, zijn volgens hem onterecht. Financieel gezien heeft hij het moeilijk. Hij moet in gesprek gaan met de belastingdienst om iets te regelen. Zijn financiële middelen zijn beperkt.”
In de ter terechtzitting overlegde pleitnota heeft de verdediging ten aanzien van de strafmaat opgemerkt de in eerste aanleg deels onvoorwaardelijk opgelegde straf “niet passend” is en aan het hof verzocht om – indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen – te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf. Voor het geval het hof daarin niet meegaat, is verzocht de behandeling van de zaak aan te houden voor het opmaken van een reclasseringsrapport, ten einde goed geïnformeerd te worden over de impact van een straf en de detentiegeschiktheid.
Vanwege de schending van de redelijke termijn en rekening houdend met de ouderdom van de feiten en de hoge leeftijd van de verdachte heeft het hof een onvoorwaardelijke geldboete opgelegd. Het hof heeft overwogen dat bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete is gelet op de financiële draagkracht van de verdachte en dat op basis van de terechtzitting in hoger beroep niet is gebleken dat de verdachte nu en in de toekomst niet in staat zou zijn om de geldboete te betalen. Ook in het licht van de verder niet met enig objectief stuk onderbouwde opmerkingen van de raadsman dat de verdachte het financieel gezien moeilijk heeft en dat zijn financiële middelen beperkt zijn, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
Het middel faalt.
4. Het derde middel
Het derde middel klaagt over de schending van de inzendtermijn in cassatie.
Op 18 oktober 2024 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 10 oktober 2024 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de in dit geval geldende inzendtermijn van acht maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.
Voorts merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat ook in dit opzicht inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht.
Het voorgaande dient te leiden tot strafvermindering.
5. Slotsom
Het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt.
Naast hetgeen ik hiervoor onder 4.3 heb opgemerkt over de overschrijding van de redelijke termijn, heb ik ambtshalve geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG