PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01511
Zitting 27 oktober 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 8 april 2025 (parketnr. 23-001579-24) door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2024, waarbij hij wegens “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.G. van Wijk, advocaat, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in deze zaak over gaat
Het gaat in deze zaak, zoals ook in de zaak met nr. ECLI:NL:PHR:2026:1005 waarin ik vandaag eveneens concludeer, om de betekening van een gerechtelijke mededeling door middel van “elektronische overdracht” als bedoeld in art. 36b lid 2 Sv. Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn hoger beroep heeft ingesteld, onjuist is.
Alvorens het middel te bespreken, schets ik de procedure in feitelijke aanleg.
3. De procedure in feitelijke aanleg
Uit de stukken van het geding blijkt dat de verdachte bij (mondeling) vonnis van 25 maart 2024 (parketnummer 96-279727-23) door de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam bij verstek is veroordeeld wegens “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeersweg 1994”, gepleegd op 9 mei 2022.
Bij de stukken bevindt zich een akte van uitreiking waaruit ik opmaak dat op 5 maart 2024 tevergeefs is getracht de inleidende dagvaarding voor de terechtzitting van de kantonrechter van 25 maart 2024 aan de verdachte uit te reiken op zijn BRP-adres [a-straat 1] te [plaats]. De akte zelf betreft de modelakte “Niet in persoon. Na digitaal”. Dit laatste duidt erop dat het openbaar ministerie de dagvaarding eerst elektronisch heeft aangeboden via de Berichtenbox van de verdachte, maar kennelijk is overgegaan tot een ‘fysieke’ uitreiking omdat niet (binnen een redelijke termijn) door de verdachte werd ingelogd in MijnOverheid en de digitale aanbieding dus niet leidde tot een geslaagde betekening: zie daartoe art. 36b lid 2 Sv. Volgens de akte van uitreiking is de dagvaarding vervolgens uitgereikt aan het openbaar ministerie, waarbij een afschrift is verzonden naar het BRP-adres van de verdachte.
Na de (verstek)uitspraak van de kantonrechter is blijkens de “Vastlegging van elektronische overdracht” met verwijzing naar 96-279727-23 en “Zitting: 25 maart 2024” op 25 april 2024 om 9:18 uur een bericht betreffende de ‘mededeling uitspraak’ geplaatst in de Berichtenbox van MijnOverheid. Volgens diezelfde Vastlegging is op 6 mei 2024 om 22:55 uur ingelogd in MijnOverheid. De Vastlegging vermeldt verder:
“Na het inloggen in MijnOverheid op basis van tweefactorauthenticatie is een bevestiging verzonden aan [verdachte], die is geplaatst in de Berichtenbox van MijnOverheid. In deze bevestiging is betrokkene geïnformeerd over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling.”
Op 10 juli 2024 is namens de verdachte hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. In het e-mailbericht waarmee de volmacht tot het instellen daarvan aan de rechtbank Amsterdam is toegezonden, staat vermeld dat de verdachte (eerst) “afgelopen week een brief [heeft] ontvangen over een vonnis in de strafzaak met parketnummer 96/279727-23”.
De zaak is door het hof Amsterdam behandeld ter zitting van 24 januari 2025, in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2025 houdt onder meer het volgende in:
“De raadsheer maakt melding van de vastlegging van een elektronische overdracht die zich in het dossier bevindt, waaruit kan worden opgemaakt dat de verdachte op 26 mei 2024 heeft ingelogd op MijnOverheid en een bevestiging is verzonden aan de verdachte, waarin de verdachte is geïnformeerd over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling van 25 maart 2024. De raadsheer merkt op dat namens de verdachte op 10 juni 2024 hoger beroep is ingesteld en deelt in dat verband mede dat het erop lijkt dat er één dag te laat hoger beroep is ingesteld.
De raadsman van de verdachte wordt in de gelegenheid gesteld namens de verdachte zijn standpunt ten aanzien van de ontvankelijkheid van de verdachte kenbaar te maken. De raadsman deelt mede dat je niet direct bij dat specifieke bericht komt op het moment dat er wordt ingelogd op (de berichtenbox van) MijnOverheid. De raadsman stelt zich op het standpunt dat aan de hand van de elektronische overdracht niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op 26 mei 2024 daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van het onderhavige vonnis. Hij legt ter onderbouwing een afschrift van een e-mailbericht van 23 januari 2025 over.
Desgevraagd deelt de advocaat-generaal mede zich niet te kunnen uitlaten over de ontvankelijkheidsvraag, nu het hem niet helemaal duidelijk is en hij er eerst goed naar wenst te kijken voordat hij hier een oordeel over kan vellen.
De raadsheer deelt mede voornemens te zijn de behandeling van de zaak aan te houden, omdat er onvoldoende zittingstijd is om de door de raadsman opgeworpen kwestie goed te kunnen beoordelen.
[…].”
Het onderzoek ter terechtzitting is daarop geschorst tot 8 april 2025.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 april 2025 houdt onder meer het volgende in:
“De advocaat-generaal voert het woord, leest vordering voor en legt die aan het hof over. Zij voert bij deze gelegenheid aan:
De verdachte heeft te laat hoger beroep ingesteld. Er is sprake van een elektronische betekening en deze geldt als een ‘in persoon’ uitreiking. De verdachte heeft daarna niet binnen veertien dagen hoger beroep ingesteld. Ik vorder dat de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep wordt verklaard.
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
Mijn cliënt heeft een brief ontvangen met daarop de uitspraak. Ik heb daarop direct hoger beroep ingesteld. Later blijkt dat hij heeft ingelogd op ‘mijnoverheid.nl’. Ik heb gezien wat de wettelijke bepalingen zijn, maar het wringt. De vorige keer heb ik het dashboard laten zien van ‘mijnoverheid.nl’. Dit heb ik vandaag geprint bij mij en zal ik zo aan het hof overleggen. Mijn cliënt heeft geen bericht gezien. Als hij dat wel had gezien, was zeker tijdig hoger beroep ingesteld. De gedachte is dat iemand op de hoogte is van de inhoud van het vonnis. Het enkel inloggen betekent niet dat iemand op de hoogte is van de inhoud van het vonnis. Ik verzoek het hof mijn cliënt ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep. Deze hele gang van zaken is extra zuur voor mijn cliënt, want hij heeft een inhoudelijk verweer, namelijk dat hij op het moment dat het vonnis werd gewezen wel een rijbewijs had.
De advocaat-generaal persisteert.
De verdachte voert het laatste woord als volgt:
Ik sta onder bewind. Ik ben ingelogd en ik heb dit over het hoofd gezien. Als ik het had gezien, had ik tijdig hoger beroep ingesteld.”
De aantekening mondeling arrest dat in het proces-verbaal van de zitting van 8 april 2025 is opgenomen houdt, voor zover relevant, het volgende in:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 25 maart 2024 te verschijnen ter terechtzitting van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam. De dagvaarding is de verdachte niet in persoon betekend.
De verdachte is op 25 maart 2024 bij verstek veroordeeld.
De mededeling uitspraak is op 25 april 2024 om 09:18 uur in het portaal van MijnOverheid geplaatst. Vervolgens is er op 26 mei 2024 om 22:55 uur ingelogd. Op grond van artikel 36f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) geldt een betekening door elektronische overdracht als betekening in persoon wanneer degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening. De mededeling uitspraak is dus op 26 mei 2024 in persoon aan de verdachte betekend.
Gelet op het bepaalde in artikel 408 lid 1 onder a van het Wetboek van Strafvordering, had de verdachte binnen 14 dagen na 26 mei 2024 hoger beroep moeten instellen. De termijn voor het instellen voor het hoger beroep eindigde op 10 juni 2024. Volgens de ‘akte instellen hoger beroep’ in het dossier, heeft de verdachte op 10 juli 2024 hoger beroep ingesteld op de griffie van de rechtbank.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld en niet van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden is gebleken die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn, zal de verdachte daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
4. Het middel
Volgens de toelichting op het middel is het oordeel van het hof dat het enkel inloggen in het portaal van MijnOverheid voldoende is om als een betekening “in persoon” te gelden gelet op art. 36f lid 2 Sv weliswaar begrijpelijk, maar desondanks onjuist en in strijd met de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever bij een “betekening in persoon”. De oorspronkelijke bedoeling beoogt volgens de steller van het middel te waarborgen dat een verdachte daadwerkelijk op de hoogte raakt van (de uitkomst van) een zitting, terwijl de wijze waarop MijnOverheid op dit moment is ingericht deze waarborg volgens de steller van het middel niet biedt. Bij het inloggen op MijnOverheid worden op de hoofdpagina volgens de steller van het middel namelijk enkel de vier meest recente berichten getoond; de overige niet-gelezen berichten staan in de Berichtenbox. Op deze manier kan zich de situatie voordoen dat iemand wel heeft ingelogd maar geen weet heeft gehad van een bericht over een zitting. Volgens de verdachte heeft zich deze situatie voorgedaan.
Zoals volgt uit mijn uitgebreide conclusie ECLI:NL:PHR:2026:1005, heeft de steller van het middel mijns inziens zeker een punt als het gaat om de zorg of de verdachte in het geval van elektronische betekening in alle gevallen daadwerkelijk op de hoogte raakt van de gerechtelijke mededeling die aan hem elektronisch is betekend. Uit die conclusie volgt evenwel ook dat het (huidige) systeem van diverse waarborgen is voorzien, teneinde te voorkomen dat de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, deze gerechtelijke mededeling ‘mist’. Zo volgt uit die conclusie dat de verdachte alleen digitaal bereikbaar is voor het openbaar ministerie, indien de verdachte daarvoor zelf heeft gekozen. Uit de desbetreffende conclusie volgt voorts dat een persoon die voor deze digitale bereikbaarheid heeft gekozen, (i) een notificatie ontvangt dat een gerechtelijke mededeling voor hem beschikbaar is, alsmede (ii) een notificatie ontvangt dat de gerechtelijke mededeling aan hem is afgeleverd door middel van een geregistreerde inlog in MijnOverheid. Uit de in die conclusie genoemde ‘Informatieset Digitaal betekenen’ volgt voorts dat het openbaar ministerie ook de dag erna een bericht aan de geadresseerde stuurt dat er een bericht aan hem is afgeleverd.
Indien de burger ervoor heeft gekozen om dergelijke notificaties niet te ontvangen – en de geadresseerde ook geen pushberichten ontvangt op een mobile device waarop de Berichtenbox-app is geïnstalleerd, zal een verdachte een dergelijk bericht niettemin kunnen missen. Datzelfde is mogelijk indien de burger weliswaar (zelf) inlogt in MijnOverheid, maar zich daarbij alleen bekommert om één van de andere twee onderdelen van MijnOverheid, namelijk ‘Persoonlijke gegevens’ of ‘Lopende Zaken’. Ook indien een ander dan de verdachte met de persoonlijke DigiD van de verdachte (en tweefactorauthenticatie) inlogt, kan het zijn dat de verdachte de gerechtelijke mededeling mist.
Zoals in voornoemde conclusie uitgebreid wordt beschreven, kan elektronische betekening om die reden(en) onder omstandigheden tot gevolg hebben dat de verdachte bij verstek wordt veroordeeld, terwijl hij geen afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. In dergelijke gevallen heeft de verdachte, gelet op de jurisprudentie van het EHRM en het HvJ EU mijns inziens in beginsel recht op een ‘fresh determination’ (naar Nederlands recht in deze gevallen: recht op een behandeling van zijn zaak in hoger beroep), althans zal hij mijns inziens in ieder geval in de gelegenheid moet worden gesteld om te bepleiten dat en waarom hij, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, geen afstand van zijn recht heeft gedaan om in eerste aanleg in zijn aanwezigheid te worden berecht en hij om die reden, ondanks het te laat instellen van het hoger beroep, toch in dat hoger beroep zou moeten worden ontvangen.
In het onderhavige geval heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daaraan ten grondslag gelegd dat de ‘mededeling uitspraak’ op 26 mei 2024 in persoon aan de verdachte betekend. Gelet op het feit dat een dergelijke inlog slechts kan plaatsvinden door gebruikmaking van de DigiD van de verdachte en met tweefactorauthenticatie, en daarvoor derhalve de actieve betrokkenheid van de verdachte is vereist, terwijl elektronische betekening van een ‘mededeling uitspraak’ bovendien slechts kan plaatsvinden indien de verdachte (eerder) heeft aangegeven voor het openbaar ministerie digitaal bereikbaar te zijn (door het ‘aan’- of niet ‘uitvinken’ van het vakje ‘openbaar ministerie’ in MijnOverheid), is dat oordeel rechtens juist. Dat betekent dat het hoger beroep, dat eerst op 10 juli 2024 is ingesteld, niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van veertien dagen na 26 mei 2024 ingesteld.
Zoals het hof terecht heeft overwogen, is van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn, in dit geval niet gebleken. Dergelijke omstandigheden zijn door de verdachte in de onderhavige zaak ook niet aangevoerd.
Het middel faalt.
5. Slotsom
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op artikel 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG