ECLI:NL:PHR:2026:1009

ECLI:NL:PHR:2026:1009

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-10-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer 25/00823
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Ontvankelijkheid hoger beroep. Middel tegen oordeel hof dat mededeling verstekveroordeling in 2014 is uitgereikt aan gemachtigde dochter van verdachte en verdachte omstreeks dat moment op hoogte is gekomen van vonnis PR slaagt volgens AG, nu uitreikingsakte niet vermeldt welk stuk aan dochter is uitgereikt en dit stuk evenmin aan akte is gehecht. Middel dat tenlastegelegde opzettelijke overtreding van art. 3B en 3C Opw, gepleegd in 2004-2005, inmiddels absoluut en relatief is verjaard faalt volgens AG, mede in aanmerking genomen dat tll betrekking heeft op 673 hennepplanten en dit sinds iwtr. art. 11 lid 5 Opw in 2006 geldt als strafverzwarende omstandigheid van ‘grote hoeveelheid’ waarop gevangenisstraf van 6 jaren is gesteld.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/00823

Zitting 27 oktober 2026

CONCLUSIE

P.T.C. van Kampen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 4 maart 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002152-22) niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld. Het tweede middel voert aan dat het tenlastegelegde inmiddels is verjaard.

2. Het eerste middel

Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het door hem op 22 september 2022 ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter van 11 april 2008, waarbij de verdachte ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod bij verstek is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis. Volgens de stellers van het middel is het oordeel van het hof dat de verdachte “omstreeks” het moment van het in ontvangst nemen van de gerechtelijke brief door zijn dochter op 5 augustus 2014 op de hoogte is geraakt van het veroordelend vonnis van de politierechter (zodat de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld), onjuist, althans onbegrijpelijk.

Bij de stukken van het geding bevindt zich een ‘mededeling uitspraak’ gedateerd op 5 september 2022, gericht aan de verdachte, verblijvende in de P.I. [plaats] , welke kennelijk op 19 september 2022 in persoon aan de verdachte aldaar is betekend, alsmede een akte rechtsmiddel, waaruit volgt dat op 22 september 2022 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van 11 april 2008.

Bij de stukken van het geding bevindt zich ook een – niet geheel juist ingevulde – ‘akte van uitreiking’ gedateerd op 5 augustus 2014, die blijkens het opschrift kennelijk afkomstig is van het Centraal Justitieel Incassobureau en betrekking heeft op CJIB-nummer [...] en parketnummer ‘0262876507’ (het parketnummer van de onderhavige zaak in eerste aanleg). Ook zit bij de stukken een kennelijk bij deze uitreikingsakte behorend afhaalbericht met op de achterzijde een (met pen) ingevulde ‘machtiging’, waarmee [getuige 1] wordt gemachtigd tot het afhalen van een ‘gerechtelijke brief’. Blijkens de uitreikingsakte heeft [getuige 1] kennelijk getekend voor het in ontvangst nemen van het uit te reiken stuk. Uit de combinatie van de beide stukken leid ik af dat op 5 augustus 2014 (of iets daarvoor) geprobeerd is een gerechtelijke brief aan de verdachte uit te reiken op het adres [a-straat 1] te [plaats] waar de verdachte volgens de SDKB-staat destijds woonachtig was, dat op dat adres op het moment van aanbieding van dit gerechtelijk schrijven niemand werd aangetroffen, waarna een afhaalbericht op dat adres is achtergelaten en de gerechtelijke brief vervolgens op het afhaaladres is uitgereikt aan de op de machtiging genoemde [getuige 1] . Aan de akte van uitreiking die zich in het dossier bevindt, is geen ‘mededeling uitspraak’ (of een ander stuk) gehecht.

Uit de processen-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat het hof aandacht heeft gehad voor de vraag of (kan worden vastgesteld dat) de verdachte voornoemde [getuige 1] heeft gemachtigd om in augustus 2014 een aan hem gerichte gerechtelijke brief in ontvangst te nemen.

Het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 22 maart 2024 houdt het volgende in:

“Aangezien de verdachte de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, vindt het onderzoek plaats met bijstand van de in het register als bedoeld in artikel 3 van de Wet beëdigde tolken en vertalers onder nummer 1267 ingeschreven beëdigde tolk in de Vietnamese taal, [naam 4] . Hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door de tolk vertaald.

[…]

De voorzitter deelt hierop mede dat hij de verdachte iets uit het dossier wenst voor te houden en verzoekt de verdachte naar voren te komen.

[…]

De voorzitter deelt mede:

Dit betreft de akte van uitreiking (griffier: de voorzitter houdt de op 5 augustus 2014 ondertekende akte van uitreiking met parketnummer 02-628765-22 voor die zich in het dossier bevindt [AG: bedoeld zal zijn: 02-628765-07]). Op de akte zie ik staan ‘ [getuige 1] ’ en een handtekening ‘ [naam 1] ’. De verdachte verklaart zojuist dat zijn dochter die naam heeft.

De verdachte verklaart:

[naam 1] is de roepnaam van mijn dochter.

De voorzitter deelt mede:

[getuige 1] heeft blijkbaar deze akte van uitreiking ondertekend, wat inhoudt dat zij op dat moment iets in ontvangst heeft genomen. Zij heeft dat enkel kunnen doen met dit stuk (griffier: de voorzitter toont de verdachte de aan de akte van uitreiking gehechte machtiging). Dit betreft een machtiging, waarbij iemand [getuige 1] heeft gemachtigd een stuk op te halen. Betreft dit de handtekening van de verdachte?

De verdachte verklaart:

Ik weet het niet precies. Dat is niet mijn handtekening (griffier: de verdachte pakt zijn portemonnee en toont zijn rijbewijs aan de voorzitter). Dit is mijn handtekening.

De voorzitter deelt mede:

In het dossier is eveneens een handtekening van de verdachte opgenomen. Betreft dit verdachtes handtekening (griffier: de voorzitter toont de verdachte de handtekening op pagina 25 van het procesdossier (dossiernummer: PL201C/07- 012035)?

De verdachte verklaart:

Ja, dat is mijn handtekening. Ik kan mij niet herinneren dat iemand voor mij een brief heeft moeten ophalen. Het is lang geleden en ik weet het niet meer.

U, voorzitter, vraagt mij of ik de machtiging met daarop de handtekening aan mijn dochter [getuige 1] heb gegeven. Ik weet het niet meer uit mijn hoofd, maar ik denk niet dat dat klopt.

U, voorzitter, vraagt mij waarom mijn dochter met een dergelijke machtiging een brief zou ophalen die voor mij is bestemd. Eerlijk gezegd weet ik dat niet meer.

U vraagt mij of ik in 2014 aan de [a-straat] in [plaats] woonde. Dat klopt. Ik heb daar slechts enkele maanden gewoond. U, voorzitter, vraagt mij of ik daar samen met mijn dochter [getuige 1] woonde.

Ik stond daar ingeschreven, maar ik verbleef daar niet.

De voorzitter deelt mede:

Uit de akte van uitreiking volgt dat in 2014 een brief van justitie is uitgereikt aan [getuige 1] . De volmacht die daaraan is gehecht, had door de verdachte moeten worden ondertekend zodat de brief namens hem kon worden opgehaald. Indien de betreffende brief van justitie al in 2014 is opgehaald, had de verdachte destijds al bekend kunnen zijn met het vandaag aan de orde zijnde vonnis van de politierechter in Breda van 11 april 2008. Was de verdachte destijds al op de hoogte van voornoemd vonnis?

De verdachte verklaart desgevraagd:

Ik wist het niet, anders had ik de brief destijds al aan mijn raadsman gegeven.

De voorzitter deelt mede:

Indien de verdachte wel op de hoogte was van de betreffende volmacht en het vonnis, had hij binnen twee weken hoger beroep in moeten stellen.

De voorzitter deelt mede dat de verdachte weer plaats kan nemen op zijn stoel.

De voorzitter verzoekt de advocaat-generaal en de raadsman hun standpunt omtrent de ontvankelijkheid van hef hoger beroep naar voren te brengen.

De advocaat-generaal brengt naar voren:

Het is ingewikkeld. Ik ben geen deskundige op het gebied van handtekeningen, maar ik zie wel verschillen tussen de handtekeningen. Daarmee bedoel ik dat ik verschil zie tussen de handtekeningen zoals die in het procesdossier zijn opgenomen, maar ook tussen de in het procesdossier opgenomen handtekeningen en de handtekening op de machtiging. Het gaat voornamelijk om die laatste handtekening. Enerzijds is het raar als verdachtes dochter een brief voor de verdachte zou ophalen met een machtiging, terwijl die machtiging niet van de verdachte afkomstig is. Anderzijds zou het vreemd zijn, en dat benoemt de verdachte ook ter terechtzitting van vandaag, dat de verdachte dan nu pas, jaren later, een raadsman in de arm neemt. Wanneer ik kijk naar het tijdsverloop in de zaak en de verdenking, namelijk een verdenking van het telen van hennep, en dus geen verdenking waarbij iemand bijvoorbeeld fysiek letsel is toegebracht, acht ik het niet opportuun dat verdachtes dochter [getuige 1] als getuige wordt gehoord, nog los van het feit dat [getuige 1] met een verhoor mogelijk in een moeilijke positie wordt gebracht. De verdachte dient mijns inziens het voordeel van de twijfel te krijgen en te worden ontvangen in zijn hoger beroep. Daarbij wens ik wel te benadrukken dat dat het standpunt vanuit het Openbaar Ministerie betreft. Ik zou mij alleszins kunnen voorstellen dat het hof hier anders tegenaan kijkt en tot de conclusie komt dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep.

De raadsman brengt naar voren:

Ik heb niet veel anders op te merken dan de advocaat-generaal heeft gedaan. Uit het dossier volgt dat de eerste poging tot uitreiking van de mededeling uitspraak is gedaan op 21 mei 2008. Vervolgens is de tweede poging op 5 augustus 2014 gedaan, waarbij aan die akte een machtiging is gehecht. De handtekening op deze machtiging komt naar het standpunt van de verdediging niet overeen met de handtekening van de verdachte.

Mocht de betekening van de mededeling uitspraak in 2014 juist zijn geweest, dan was de appeltermijn vanaf dat moment twee weken. Óp het uittreksel justitiële documentatie van de verdachte is echter niet opgenomen dat de betreffende uitspraak onherroepelijk is. Daarbij komt, en dat is nog belangrijker, dat het vonnis in 2022 nogmaals is betekend. De verdachte is heel helder. Hij heeft zojuist verklaard wie [getuige 1] is en kan de akte van uitreiking met de daaraan gehechte machtiging niet plaatsen. Op het moment dat de verdachte wel bekend raakte met het vonnis, te weten in september 2022, heeft hij direct contact opgenomen met zijn raadsman. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte ontvankelijk is in het hoger beroep. Daarmee is de verdediging eveneens van oordeel dat met de behandeling van de zaak kan worden doorgegaan. Indien verdachtes dochter als getuige dient te worden gehoord, zijn we al snel drie maanden verder, terwijl het feit dateert uit 2005/2006.

Na een korte onderbreking voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:

Het hof zal de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aanhouden, nu het hof het van belang acht dat de dochter van de verdachte, te weten [getuige 1] , als getuige een verklaring zal afleggen over de zojuist voorgehouden stukken. Het hof wenst verder op te merken dat de termijn waarbij iemand hoger beroep dient in te stellen van openbare orde is. Indien blijkt dat het hoger beroep te laat is ingesteld, is er voor het hof geen ruimte om de zaak in hoger beroep alsnog te behandelen.

[…]”

De dochter van de verdachte is op 23 maart 2024 door de raadsheer-commissaris gehoord. Op 4 maart 2025 is de behandeling van de zaak ter zitting van het hof hervat. Daarbij is de ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde hoger beroep opnieuw aan de orde geweest, zo volgt uit het proces-verbaal van die zitting:

“Aangezien de verdachte de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, vindt het onderzoek plaats met bijstand van de in het register als bedoeld in artikel 3 van de Wet beëdigde tolken en vertalers onder nummer 1267 ingeschreven beëdigde tolk in de Vietnamese taal, [naam 4] . Hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door de tolk vertaald.

[…]

De voorzitter deelt mede:

Op de terechtzitting van 22 maart 2024 is de vraag aan de orde gesteld of het namens de verdachte ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. Het hof heeft toen besloten dat de dochter van de verdachte, [getuige 1] , als getuige moest worden gehoord door de raadsheer-commissaris. Dat verhoor heeft op 23 september 2024 plaatsgevonden.

De voorzitter houdt kort de verklaring van getuige [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris voor, onder meer inhoudende dat de handtekening op de akte van uitreiking van de mededeling uitspraak uit 2014 van haar is, dat zij zich niet kan herinneren dat zij die akte getekend heeft, dat zij zich ook niet kan herinneren of zij iets voor haar vader in ontvangst heeft genomen, dat zij de handtekening op de machtiging niet herkent, dat zij de handtekening van haar vader nooit ziet en dat de roepnaam van haar vader [naam 3] is.

De verdachte verklaart desgevraagd door de voorzitter:

Ik heb in 2014 de brief niet ontvangen, maar ik weet dat ook niet meer uit mijn hoofd.

De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het namens de verdachte ingestelde hoger beroep. Zij brengt daarop naar voren:

Uit het verhoor van [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris is weliswaar naar voren gekomen dat de handtekening op de akte van uitreiking van haar is, maar het verhoor brengt ons mijns inziens niet veel verder met betrekking tot de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep, nu de vraag blijft van wie de handtekening op de machtiging is.

Er is maar één persoon die belang heeft bij het ontvangen van stukken in de strafzaak van de verdachte, en dat is de verdachte zelf: Het ligt dan ook voor de hand dat de handtekening op de machtiging afkomstig is van de verdachte zelf. Dat neemt niet weg dat mijn collega advocaat-generaal zich ter terechtzitting van 22 maart 2024 op het standpunt heeft gesteld dat de verdachte het voordeel van de twijfel dient te worden gegeven, waarbij door hem ook is opgemerkt dat hij verschillen ziet tussen de handtekening op de machtiging en de handtekeningen van de verdachte in het procesdossier.

Ik sluit mij aan bij het standpunt van mijn collega advocaat-generaal en meen derhalve dat de verdachte ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijk van het namens de verdachte ingestelde hoger beroep naar voren te brengen. Hij brengt daarop naar voren:

Het siert [getuige 1] dat zij bij gelegenheid van haar verhoor door de raadsheer-commissaris openheid van zaken heeft proberen te geven, ondanks dat de raadsheer-commissaris haar heeft gewezen op haar verschoningsrecht. Het enige wat we naar aanleiding van het getuigenverhoor kunnen vaststellen, is dat de handtekening op de akte van uitreiking van [getuige 1] afkomstig is. De discussie blijft of het cliënt is geweest die destijds als volmachtgever zijn handtekening heeft gezet op de machtiging. We zijn met het verhoor van [getuige 1] dan ook niet veel verder gekomen.

Mijns inziens is cliënt zonder meer ontvankelijk in zijn hoger beroep. Dat wordt kracht bijgezet door het argument dat niet valt in te zien waarom, als het vonnis in 2014 al onherroepelijk zou zijn geworden, dat niet op de justitiële documentatie van cliënt is aangegeven en waarom in 2022 de mededeling uitspraak nogmaals aan cliënt is betekend. Het is kennelijk allemaal niet helder geweest. Onder deze omstandigheden ben ik van mening dat, als er al twijfel zou bestaan, deze twijfel in het voordeel van cliënt dient uit te vallen.

Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad van het hof in raadkamer.

Na hervatting van het onderzoek, ter terechtzitting wordt aan de verdachte door de voorzitter het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verklaart daarop:

Ik heb niets te zeggen, want het is al zo lang geleden. Ik weet het niet meer precies uit mijn hoofd.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat, volgens de beslissing van het gerechtshof, de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.”

In het daarop uitgesproken arrest heeft het hof ter zake het volgende overwogen en beslist:

“Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof stelt voorop dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen rechterlijke uitspraken een rechtsmiddel kan worden aangewend en binnen welke termijn dit kan geschieden. Die termijnen zijn van openbare orde. Dit is slechts anders indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het volgende gebleken.

Het bestreden vonnis is op 11 april 2008 bij verstek gewezen. Eerst op 22 september 2022 is namens de verdachte tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Op 5 augustus 2014 is getracht het verstekvonnis - de mededeling uitspraak - aan de verdachte te betekenen op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Op 22 maart 2024 heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in 2014 op dit adres woonde en dat hij daar ingeschreven stond.

Omdat er op 5 augustus 2014 op voornoemd adres niemand aanwezig of bereid was om de brief - zijnde de mededeling uitspraak - aan te nemen, is toen op het adres een afhaalbericht achtergelaten. In dit afhaalbericht is vermeld dat de gerechtelijke brief binnen zeven dagen na 5 augustus 2014 kan worden opgehaald door de verdachte zelf, of elke andere door de verdachte middels de machtiging op de achterzijde van het afhaalbericht gemachtigde persoon. Ook is op het afhaalbericht vermeld dat dit samen met een geldig legitimatiebewijs meegenomen moet worden.

Op de achterzijde van dit afhaalbericht is ingevuld dat de geadresseerde - zijnde de verdachte - de persoon [getuige 1] , zijnde de dochter van de verdachte, machtigt tot het afhalen van de brief. Op de machtiging staat een handtekening van de geadresseerde waarin de naam ‘ [naam 2] ’ te lezen is.

Op de akte van uitreiking is vermeld dat de gerechtelijke brief - de mededeling uitspraak - is uitgereikt aan de ontvanger [getuige 1] . De akte van uitreiking is ondertekend door de ontvanger. In deze handtekening is de haam ‘ [naam 1] ’ te lezen.

[getuige 1] , zijnde de dochter van de verdachte, is op 23 september (het hof begrijpt: 2024) als getuige gehoord door de raadsheer-commissaris. Zij heeft verklaard dat haar roepnaam [naam 1] is en dat de handtekening op de akte van uitreiking die aan haar is getoond, haar handtekening is. Voorts heeft zij verklaard dat zij de handtekening op de machtiging niet herkent, maar dat er wel de naam van haar vader staat. Op de vraag of zij de handtekening van haar vader weIeens ziet, heeft zij "nee" geantwoord.

Het hof stelt, op grond van het voorgaande, vast dat [getuige 1] in 2014 de brief - zijnde de mededeling uitspraak - in ontvangst heeft genomen. Het hof ziet niet in welk belang de dochter van de verdachte zou hebben om met een valse machtiging een gerechtelijke brief voor haar vader op te halen. Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bieden daarvoor geen enkele aanwijzing. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat de verdachte zijn dochter heeft gemachtigd tot het afhalen van de gerechtelijke brief.

Het hof acht daarbij ook nog van belang dat in de handtekening op de machtiging de naam ‘ [naam 2] ’ te lezen lijkt te zijn. De roepnaam van de verdachte is volgens zijn dochter [naam 3] , maar zijn tweede naam is [naam 2] . Ook in de handtekening onder het politieverhoor van de verdachte op pagina 25 van het procesdossier lijkt de naam ‘ [naam 2] ’ te lezen te zijn. Dat geldt ook voor de handtekeningen van de verdachte op de pagina’s 3, 5 en 6 van het procesdossier. Hoewel deze handtekeningen niet helemaal overeenkomen met de handtekening op de machtiging, is het hof van oordeel dat de handtekeningen niet dusdanig van elkaar verschillen dat eraan moet worden getwijfeld of de handtekening op de machtiging daadwerkelijk van de verdachte is. Het hof acht daarbij nog van belang dat de handtekeningen in het procesdossier dateren uit respectievelijk 2007 (de handtekening op pagina 25 van het politiedossier) en 2001 (de handtekeningen op de pagina’s 3, 5 en 6 van het politiedossier) en de handtekening op de machtiging uit 2014 (er is met andere woorden daartussen sprake van een flink tijdsverloop), terwijl ook die oudere handtekeningen niet helemaal met elkaar overeenkomen.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat de verdachte in 2014 zijn dochter heeft gemachtigd om de mededeling uitspraak namens hem in ontvangst te nemen. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dan dat de verdachte omstreeks het moment van het in ontvangst nemen van deze gerechtelijke brief op de hoogte is geraakt van het veroordelend vonnis van de politierechter.

Ingevolge het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kon de verdachte binnen veertien dagen nadat hij bekend is geraakt met het vonnis van de politierechter hoger beroep instellen. Namens de verdachte is pas op 22 september 2022 - en dus na het verstrijken van de appeltermijn - hoger beroep ingesteld.

Aldus is het hoger beroep te laat ingesteld. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.

Het voorgaande leidt ertoe dat de verdachte niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Daarom zal hij daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

Volgens de stellers van het middel is de hiervoor weergegeven beslissing van het hof onjuist, althans niet begrijpelijk. Niet kan immers worden aangenomen dat de machtiging door de verdachte is getekend en dat de verdachte van de uitspraak op de hoogte is gesteld. Daartoe wordt onder meer aangevoerd dat het verhoor van zowel de dochter als de verdachte geen duidelijkheid heeft opgeleverd omtrent de vraag of de machtiging door de verdachte is ondertekend, terwijl evenmin duidelijk is geworden of en wanneer de dochter de brief aan de verdachte heeft overhandigd. De stellers van het middel wijzen er voorts op dat de uitspraak van de politierechter in september 2022 opnieuw aan de verdachte betekend is.

Juridisch kader

De volgende bepalingen – zoals die in 2014 luidden – zijn van belang.

Art. 366 Sv

1. De officier van justitie doet de mededeling van het vonnis dat de beslissing van de rechtbank op grond van artikel 349, 351 of 352, tweede lid, bevat en dat buiten de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken, zo spoedig mogelijk aan hem betekenen.

2. Deze mededeling wordt niet gedaan

a. aan de verdachte aan wie de dagvaarding of aan wie de oproeping voor de nadere terechtzitting na schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd, in persoon is betekend;

b. aan de verdachte die op de terechtzitting of op de nadere terechtzitting aanwezig is geweest;

c. indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting dan wel die van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.

3. De mededeling vermeldt de rechter die het vonnis heeft gewezen de dagtekening van het vonnis, de benaming van het strafbaar feit met vermelding van de plaats en het tijdstip waarop het zou zijn begaan, en voor zoveel in het vonnis vermeld, naam en voornamen, geboortedatum en -plaats, en de woon- of verblijfplaats van de verdachte.

4. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem tevens een schriftelijke vertaling van de mededeling in een voor hem begrijpelijke taal verstrekt.”

Art. 588 (oud) Sv

‘1. De uitreiking geschiedt:

a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;

b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:

1° aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,

2° indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde, dan wel,

3° indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend.

3. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 2°,

a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;

b. niemand wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan de geadresseerde of aan een door deze gemachtigde op de plaats die vermeld wordt in een schriftelijk bericht dat op het in de mededeling vermelde adres wordt achtergelaten. Uitreiking aan een door de geadresseerde schriftelijk gemachtigde geldt als betekening in persoon;

c. […].”

Art. 408 Sv

“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:

a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;

b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;

c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;

d. […]

2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.

4. […].”

De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Deze termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte betekent in de regel dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen.

In de onderhavige zaak is art. 408 lid 2 Sv van toepassing. Ingevolge die bepaling moet binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, door de verdachte hoger beroep worden ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat strenge eisen worden gesteld aan de conclusie dat sprake was van een omstandigheid “waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is” als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv. Dat de verdachte met de einduitspraak bekend kon zijn, is daartoe niet toereikend. Dat het ‘aannemelijk’ is dat aan de verdachte een document is overhandigd dat het vonnis behelst, is dat evenmin. Ook het gegeven dat de verdachte er weet van heeft dat een (veroordelend) vonnis is uitgesproken zonder de inhoud daarvan te kennen, is daartoe in beginsel onvoldoende.

Van bekendheid met de einduitspraak is eerst daadwerkelijk sprake, indien de verdachte op de hoogte is gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van een rechtsmiddel, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straffen of maatregelen.Dat laatste kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit het feit dat de verdachte een gesprek heeft gehad met de reclassering waarin de uitvoering van de aan hem opgelegde werkstraf aan de orde is geweest.Een poging de ‘mededeling uitspraak’ aan een verdachte uit te reiken, waarbij de verdachte heeft geweigerd om die mededeling in ontvangst te nemen, kan evenwel niet leiden tot de conclusie dat zich een omstandigheid als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv heeft voorgedaan, indien en voor zover door het hof niet is vastgesteld dat de verdachte op die datum ook op de hoogte is gesteld van datgene was voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep. Een omstandigheid als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv doet zich evenmin voor indien uit Whatsapp-berichten van de verdachte en uit een op hem betrekking hebbend uittreksel justitiële documentatie alleen volgt dat de verdachte op de hoogte is gesteld van het voorwaardelijk deel van een hem bij vonnis opgelegde gevangenisstraf: dat brengt nog niet met zich mee dat de verdachte op dat moment op de hoogte is geraakt van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep. Ook de omstandigheid dat de verdachte gehoor geeft aan het bevel tot afname van celmateriaal ten behoeve van een DNA-onderzoek, in welk bevel is vermeld dat de verdachte “op 09-03-2011 door de rechtbank te Rotterdam is veroordeeld ter zake van art. 3/B jo 11 Opiumwet”, waardoor op 17 augustus 2011 in verband met deze veroordeling wangslijm van hem is afgenomen, brengt nog niet met zich dat de verdachte (uiterlijk) op die laatstgenoemde datum op de hoogte is geraakt van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep. Datzelfde geldt als weliswaar sprake is van betekening van een vonnis “in persoon”, maar in de akte van uitreiking slechts het parketnummer van het vonnis en de persoonsgegevens zijn vermeld, terwijl daaruit niet blijkt welk stuk aan de verdachte is uitgereikt en evenmin een ‘mededeling uitspraak’ aan de akte is gehecht.

Van een betekening “in persoon” was in 2014 op grond van art. 588 lid 3 (oud) Sv ook sprake, indien de betekening plaatsvond aan een door de geadresseerde schriftelijk gemachtigde. Een betekening “in persoon” van een in art. 366 Sv bedoelde ‘mededeling uitspraak’ geldt op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat het vonnis de verdachte bekend is - indien en voor zover althans (zie voetnoot 11) uit de betekeningsstukken kan blijken dat de ‘mededeling uitspraak’ is uitgereikt.

Ten aanzien van verdachten die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheersen, beoogt art. 366 lid 4 Sv sinds 1 oktober 2013 te waarborgen dat ook deze verdachten daadwerkelijk (dat wil zeggen: in een taal die zij begrijpen) kennis kunnen nemen van de onderdelen van het vonnis die van belang zijn met het oog op de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep.

Bespreking van het eerste middel

Het hof heeft gemeend op basis van de het hof bekende feiten en omstandigheden te kunnen vaststellen dat de dochter van de verdachte op 5 augustus 2014 een aan de verdachte geadresseerde gerechtelijke brief in ontvangst heeft genomen en dat zij daartoe is gemachtigd door de verdachte. Het hof heeft daartoe (samengevat) overwogen dat het hof niet inziet welk belang de dochter van de verdachte zou hebben om met een valse machtiging een gerechtelijke brief voor haar vader op te halen, dat het dossier daarvoor geen aanwijzingen bevat, en heeft voorts gewezen op de handtekening op de machtiging, die naar het oordeel van het hof gelijkenis vertoont met de handtekeningen van de verdachte uit 2001 en 2007 die in het dossier voorkomen.

Tot zover zijn de vaststellingen van het hof te volgen.

Dat is mijns inziens anders voor de vaststelling van het hof dat de desbetreffende brief de ‘mededeling uitspraak’ betreffende het vonnis van de politierechter van 11 april 2008 was, alsook voor de daaraan gekoppelde conclusie van het hof dat het (dus) niet anders kan “dan dat de verdachte omstreeks het moment van het in ontvangst nemen van deze gerechtelijke brief op de hoogte is geraakt van het veroordelend vonnis van de politierechter.”

Daarbij verdient allereerst opmerking dat zich in het dossier (naast de meeste recente mededeling uitspraak van 5 september 2022) drie ‘mededelingen uitspraak’ betreffende het vonnis van de politierechter van 11 april 2008 bevinden, gedateerd op 8 mei 2008,14 juli 2014 en 10 februari 2015. Dat de door het hof in zijn overwegingen bedoelde akte van uitreiking gedateerd op 5 augustus 2014 betrekking heeft op een ‘mededeling uitspraak’, is door het hof kennelijk gebaseerd op de in het dossier aanwezige ‘mededeling uitspraak’ van 14 juli 2014. Zoals reeds opgemerkt, is deze ‘mededeling uitspraak’ evenwel niet aan de uitreikingsakte gehecht. In de akte van uitreiking zelf zijn het parketnummer van het vonnis van de politierechter van 11 april 2008, de persoonsgegevens van de verdachte en een CJIB-nummer vermeld, maar uit de akte blijkt niet welk stuk aan de schriftelijk gemachtigde is uitgereikt. In zoverre is de beslissing van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het door hem in september 2022 ingestelde hoger beroep tegen dit vonnis omdat hij reeds op of omstreeks 5 augustus 2014 van dit veroordelend vonnis op de hoogte is gesteld, onvoldoende, althans onbegrijpelijk gemotiveerd. Dat de met machtiging van de verdachte door zijn dochter op 5 augustus 2014 kennelijk opgehaalde gerechtelijke brief een ‘mededeling uitspraak’ betrof en dat die mededeling betrekking had op het vonnis van de politierechter van 11 april 2008, kan immers niet worden vastgesteld.

Voor zover het middel daarover klaagt, is het mijns inziens dan ook terecht voorgesteld.

Het middel slaagt.

3. Het tweede middel

Het tweede middel klaagt dat de tenlastegelegde feiten inmiddels zijn verjaard in de zin van art. 70 jo. 72 Sr omdat de verjaring niet tijdig is gestuit en/of de absolute verjaringstermijn in art. 72 lid 2 Sr is verstreken, om welke reden de stellers van het middel de Hoge Raad verzoeken om – indien het eerste middel slaagt – het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Nu het eerste middel mijns inziens terecht opkomt tegen het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat het te laat zou zijn ingesteld, zal ik dit tweede middel eveneens bespreken.

Blijkens de inleidende dagvaarding is aan de verdachte tenlastegelegd dat

“hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2004 tot en met 11 januari 2005 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [b-straat 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 673 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.”

De hier toepasselijke bepalingen luid(d)en, voor zover van belang, als volgt:

Art. 70 lid 1 Sr

“Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

1º. […]

2º. in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld;

3º. in twaalf jaren voor de misdrijven waarop een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld.

4º. […].”

Art. 71 Sr

“De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd […].”

Art. 72 Sr, ten tijde van het tenlastegelegde

“1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die daad de vervolgde bekend of hem betekend zij.

2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan.”

Art. 72 Sr, zoals dat (na eerdere wijziging per 1 januari 2006) luidt per 7 juli 2006.

“1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.

2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.”

Art. 3 Opiumwet

“Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

D. te vervaardigen.”

Art. 11 Opiumwet, ten tijde van het tenlastegelegde

“1. Hij die handelt in strijd met een in artikel 3 gegeven verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

3. […]

4. […]

5. Het tweede lid is niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een hoeveelheid van hennep of hasjiesj van ten hoogste 30 gram.

6. Het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik, van de in lijst II vermelde middelen, met uitzondering van hennep en hasjiesj.

Art. 11 Opiumwet, met ingang van 1 juli 2006

“1. Hij die handelt in strijd met een in artikel 3 gegeven verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie [AG: met ingang van 1 januari 2026: “vijfde categorie”].

3. […]

4. […]

5. Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.

6. Het tweede lid is niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een hoeveelheid van hennep of hasjiesj van ten hoogste 30 gram.

7. Het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik, van de in lijst II vermelde middelen, met uitzondering van hennep en hasjiesj.”

De tenlastelegging is toegesneden op de in art. 3 onder B en onder C van de Opiumwet omschreven delicten. Blijkens de aantekening mondeling vonnis van de politierechter van 11 april 2008 is de verdachte in eerste aanleg veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3 onder C Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van 1 november 2004 tot en met 11 januari 2005. Opzettelijke overtreding van de in art. 3 onder B en C Opiumwet gegeven verboden is strafbaar gesteld in art. 11 lid 2 Opiumwet. De daar genoemde strafbedreiging is een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. Dat zou betekenen dat op grond van (huidig) art. 72 lid 2 Sr sprake is van een absolute verjaringstermijn van 12 jaren, hetgeen met zich zou brengen dat het tenlastegelegde opzettelijk handelen in strijd met art. 3 onder B en C Opiumwet in de periode van 1 november 2004 tot en met 11 januari 2005 op 11 januari 2017 absoluut zou zijn verjaard in de zin van art. 72 lid 2 Sr. Aldus betogen ook de stellers van het middel.

De tenlastelegging heeft blijkens haar inhoud evenwel betrekking op een hoeveelheid van 673 hennepplanten. Naar huidig – dat wil zeggen: vanaf 22 september 2006 geldend – recht is daarmee sprake van een “grote hoeveelheid” als bedoeld in art. 11 lid 5 Opiumwet, gelet op art. 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit. Sinds 22 september 2006 bepaalt art. 1 lid 2 Opiumwetbesluit immers: “De hoeveelheid middelen, bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de wet, betreft 500 gram hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in de bij de wet behorende lijst II.” Naar huidig recht zou art. 11 lid 5 Opiumwet derhalve van toepassing zijn en daarmee de hogere strafbedreiging van ten hoogste zes jaren. Op grond van art. 70 lid 1 onder 3 Sr bedraagt de verjaringstermijn daarmee 12 jaren en de absolute verjaringstermijn als bedoeld in art. 72 lid 2 Sr 24 jaren.

Ten tijde van het tenlastegelegde (in de periode van 1 november 2004 tot en met 11 januari 2005) bestond deze strafverzwarende omstandigheid nog niet. Nu deze strafverzwarende omstandigheid echter in werking is getreden nog vóórdat het tenlastegelegde (op basis van de oude verjaringstermijn van zes jaren) verjaard was, moet sinds de inwerkingtreding van art. 1 lid 2 Opiumwetbesluit wat betreft de verjaringstermijn worden uitgegaan van het hogere strafmaximum van zes jaren en dus van een verjaringstermijn van 12 jaren. In zijn arrest van 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2842 (NJ 2015/418) overwoog de Hoge Raad immers:

“3.3. Zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231, geldt in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. Dit uitgangspunt geldt ook voor verlenging van lopende verjaringstermijnen. Dit is niet anders indien de verlenging van de verjaringstermijn een uitvloeisel is van de invoering van een strafverzwarende omstandigheid als de onderhavige, te weten de in het vijfde lid van art. 11 Opiumwet voorziene strafverhoging ingeval de daar genoemde gedraging betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het daar bedoelde middel. Hetgeen het Hof dienaangaande heeft overwogen leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof heeft derhalve ten onrechte toepassing gegeven aan art. 70 Sr zoals dat gold vóór de wetswijzigingen van 2006.”

Daaruit volgt dat in het onderhavige geval geen sprake is van absolute verjaring in de zin van art. 72 lid 2 Sr. Die absolute verjaringstermijn bedraagt in dit geval immers 24 jaren. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.

Evenmin is sprake (geweest) van niet-tijdige stuiting van de verjaring. Op grond van art. 72 lid 1 Sr stuit elke daad van vervolging de verjaring. Daarna vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Als daad van vervolging bedoeld in art. 72 lid 1 Sr wordt aangemerkt “iedere formele daad uitgaande van het OM of rechter om in de fase voorafgaand aan de tenuitvoerlegging tot een (uitvoerbare) rechterlijke beslissing te geraken”. Daaronder valt in ieder geval ook de betekening van een verstekvonnis of een poging daartoe. Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2006 van de wet van 16 november 2005, Stb. 2005, 5959 (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten) behoeft een daad van vervolging de verdachte niet meer bekend te zijn of hem te zijn betekend. Als daad van vervolging volstaat (daarmee) naar het oordeel van de Hoge Raad zelfs het uitprinten van een dergelijke mededeling, hetgeen kan blijken uit een voetregel op de bewuste mededeling uitspraak. Een ‘VIP-controle’ met het oog op het ter kennis van de verdachte brengen van een nog uit te printen gerechtelijke mededeling, kan evenwel niet worden aangemerkt als een daad van vervolging in de zin van art. 72 lid 1 Sr. Dat geldt ook voor het in het BETIP-systeem opnemen van gegevens over een ten laste van de verdachte gewezen uitspraak.

Zoals opgemerkt, bevinden zich in het dossier (naast de ‘mededeling uitspraak’ van 5 september 2022) drie ‘mededelingen uitspraak’ die achtereenvolgens zijn gedateerd op 8 mei 2008, 14 juli 2014 en 10 februari 2015. Dat één van deze mededelingen daadwerkelijk is uitgereikt aan de verdachte, volgt uit het dossier niet; voor een tijdige stuiting van de verjaring is dat evenwel niet bepalend.

In het onderhavige geval is de op 10 februari 2015 gedateerde en aan de verdachte – wonende te Japan, [...] , [...] – geadresseerde ‘mededeling uitspraak’ kennelijk niet alleen uitgeprint, maar ook voorzien van de opmerking ‘via irc’. In het dossier bevindt zich voorts een op 19 maart 2015 gedateerde ontvangstbevestiging van IRC Zuid (’s-Hertogenbosch) met verwijzing naar kenmerk 02/628765-07.

Hoewel – mijns inziens – discussie kan bestaan over de vraag of het uitprinten van een document als zodanig als daad van vervolging kan of moet worden aangemerkt, is dat wel het standpunt van de Hoge Raad. Dat zo zijnde, is de verjaring in het onderhavige geval tijdig gestuit, namelijk in ieder geval – en telkens binnen een periode van 12 jaren – op 8 mei april 2008, 14 juli 2014,10 februari 2015 en 5 september 2022.

Het tweede middel faalt.

4. Slotsom

Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand