ECLI:NL:PHR:2026:1002

ECLI:NL:PHR:2026:1002

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-10-2026
Datum publicatie 20-10-2026
Zaaknummer 24/03764
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Tweede cassatieronde. Gewoontewitwassen door bitcoins van derden om te wisselen voor contant geld (art. 420ter jo 420bis Sr). 1. Bewijsklacht over oordeel dat deel van door verdachte verhandelde bitcoins en geldbedragen “uit enig misdrijf afkomstig” zijn en oordeel dat verdachte dat “wist”. 2. Afwijzing voorwaardelijk verzoek tot horen van verbalisant over herkomst van door verdachte verhandelde bitcoins. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Vervolg op HR:2022:438.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03764

Zitting 27 oktober 2026

CONCLUSIE

P.T.C. van Kampen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de verdachte

1. Het cassatieberoep

Na vernietiging en terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 28 juni 2022 voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde en de strafoplegging, heeft het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-001913-22) de verdachte onder 1 wegens “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Daarnaast heeft het hof op grond van art. 423 lid 4 Sv de hoogte van de straf ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde bepaald op een gevangenisstraf van een maand, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof een beslissing genomen over de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals in het arrest omschreven.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaten Y.E.A. Buruma en J.S. Nan hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. Het eerste middel

Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd en/of dat het hof onvoldoende de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van één of meer uitdrukkelijke onderbouwde standpunten. Het gaat daarbij in het bijzonder om het oordeel van het hof dat (i) de bitcoins en geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn en (ii) de verdachte ‘wist’ dat deze voorwerpen uit misdrijf afkomstig waren.

Ten laste van de verdachte is in het bestreden arrest onder 1 bewezenverklaard dat

“hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2014 tot 14 maart 2016 in Nederland

telkens

van voorwerpen, te weten bitcoins en geldbedragen, de herkomst heeft verborgen en verhuld, dan wel verborgen en verhuld wie de rechthebbenden op die geldbedragen zijn en/of dat geldbedrag voorhanden heeft gehad,

en voorwerpen, te weten bitcoins en/of geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en omgezet en/of van geldbedragen gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte wist dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf

terwijl hij, verdachte van bovengenoemde feiten een gewoonte heeft gemaakt.”

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 februari 2018 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Het klopt dat ik mij in de periode van 1 mei 2014 tot 14 maart 2016 bezig heb gehouden met de handel in Bitcoins. Mijn klanten stortten Bitcoins op mijn wallets. Ik zette Bitcoins om in contant geld en gaf het contante geld aan mijn klanten. Ik sprak voor de overdracht van het contante geld af in openbare plaatsen, zoals cafés. De transacties varieerden tussen de 100 euro en 50.000 euro. Ik heb geen registratie bijgehouden van mijn klanten. Ik heb ook geen namen van mijn klanten genoteerd. Ik gebruikte voor mijn handel in Bitcoins bankrekeningnummers van anderen. Door gebruik te maken van bankrekeningen van vrienden kon ik meer geld opnemen. (..) Het kan ook kloppen dat er in totaal 11.331.328,18 euro is opgenomen bij geldautomaten. Er was veel geld mee te verdienen.

De voorzitter vraagt mij of ik mijn inkomsten heb opgegeven bij de Belastingdienst Ik ben altijd open geweest tegen de politie en accountant. Ik heb al mijn inkomsten en geld opgegeven over 2014. Mijn aangifte over 2015 kon ik niet doen, omdat ik in maart 2016 werd gearresteerd. Ik heb een boek bijgehouden van al mijn handel. Het klopt dat ik niet de namen van mijn klanten heb geregistreerd. De bedragen heb ik wel genoteerd.

Ik heb geen geheim gemaakt van mijn handel en ik heb ook geen poging gedaan om de ketting te breken. In andere zaken gebruiken ze bitcoinmixers en proberen ze de identiteit te verhullen. Ik heb alleen gehandeld in een markt waarin banken geen fan waren van bitcoins. Als mijn advocaat en accountant mij hadden gezegd dat ik informatie moest verzamelen, dan had ik dat zeker gedaan. De markt was destijds nieuw en niet gereguleerd.

2. Een proces-verbaal algemeen dossier d.d. 29 augustus 2016, van de Politie, Team High Tech Crime. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (pagina 1, 10 en 11) :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Tijdens het onderzoek is gebleken dat de [verdachte] ook gebruikt maakte van bankrekeningen van andere personen voor de ontvangst van opbrengsten uit de verkoop van Bitcoins. Door de [Officier van Justitie] werd een bevel stelselmatige observatie conform artikel 1268 Wetboek van strafvordering afgegeven op de [verdachte] . Uit meerdere observaties en opgevraagde camerabeelden is gebleken dat hij bij geldautomaten van verschillende banken geld opnam. Uit gevorderde gegevens van deze banken bleek dat hij hierbij onder andere gebruik maakte van een rekening van ene [betrokkene 5] , die op 22 juli 2015 uit de GBA was geschreven in verband met vertrek naar Australië. Daarnaast maakte hij gebruik van vijf verschillende bankrekeningen op naam van ene [betrokkene 6] en een bankrekening op naam van ene [betrokkene 7] . Deze [betrokkene 7] is per 1 mei 2014 uitgeschreven uit de GBA. In de woning van de [verdachte] werden naast vijftien bankpassen op naam van de verdachte zelf en zijn vrouw ook bankpassen van andere personen aangetroffen zoals [betrokkene 6] , [betrokkene 5] en [betrokkene 7] . Van [betrokkene 7] werd ook een lijst met TAN en PAC-codes en een activatiecode aangetroffen. Via deze rekeningen kwam ruim 800 duizend euro binnen en werd er meer dan 750 duizend euro opgenomen bij geldautomaten. Verder werden er bankpassen aangetroffen op naam van [betrokkene 9] en [betrokkene 10] . Via de bankrekeningen van [betrokkene 9] werd totaal ruim 133 duizend euro ontvangen en werd er ruim 142 duizend euro opgenomen bij geldautomaten. Via de rekening van [betrokkene 10] ging ruim 1.1 miljoen euro.

Tijdens een controle van de auto van [verdachte] werden pinbonnen aangetroffen van een bankrekening op naam van [betrokkene 2] (...). Uit de bankgegevens bleek verder dat via de rekening van [betrokkene 2] ruim 1.7 miljoen euro werd ontvangen en ook weer ruim 1.7 euro werd opgenomen via geldautomaten. Via de rekeningen van [betrokkene 3] en [betrokkene 1] (...) kwam bijna 2 miljoen euro binnen en werd ruim 1.9 miljoen euro opgenomen. [verdachte] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 10] , [betrokkene 6] , [betrokkene 9] en [betrokkene 3] hadden de beschikking over een groot aantal bankrekeningen. De meeste van deze rekeningen zijn slechts gedurende een relatief korte periode actief geweest voordat ze werden opgeheven.

(...) De verdachte [betrokkene 3] verklaarde dat [verdachte] hem in mei van 2015 had gevraagd om bankrekeningen te openen bestemd voor het handelen in Bitcoins. [verdachte] heeft hem gevraagd een rekening te openen bij de ABN-Amro bank bestemd voor de handel in Bitcoins. Volgens [verdachte] was dit legaal en zou hij bij iedere verhandeling van Bitcoins commissie krijgen. [verdachte] heeft een Bitcoinwallet. [betrokkene 3] zou enkele maanden na het openen van de rekening 1.000 euro per maand krijgen van [verdachte] . [betrokkene 3] heeft vier ABN AMRO rekeningen geopend op verzoek van [verdachte] , omdat hij veel cash op moest nemen. De bank heeft de rekeningen gesloten omdat er teveel cash werd opgenomen en dat dit geen normaal verkeer was. Meer dan 1 miljoen euro. Na het blokkeren heeft [betrokkene 3] de resterende 27.000 euro van de rekening gehaald en aan [verdachte] overhandigd. [betrokkene 3] heeft tussen de 4 en de 5 duizend euro ontvangen van [verdachte] voor het beschikbaar stellen van de rekeningen.

De verdachte [betrokkene 6] verklaarde dat hij vier ABN-AMRO bankpassen aan [verdachte] had gegeven om in korte tijd veel geld te verdienen. Hij heeft 5 duizend euro aan [verdachte] gegeven om te investeren in Bitcoins. Hij heeft dit geld verloren. [betrokkene 6] heeft meerdere rekeningen geopend, omdat een rekening maar een pinlimiet van EUR 10.000 euro had. Zo kon [verdachte] meer pinnen en kon hij sneller handelen in Bitcoins, waardoor [betrokkene 6] sneller zijn geld terug kon krijgen. [verdachte] heeft een USB stick met een kopie van zijn Bitcoinwallet aan [betrokkene 6] gegeven om te bewaren.

(…)

3. Een proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 17 november 2016 van de politie Landelijke Eenheid met nr. LERDA15017-337. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 13 en 14 van de doorgenummerde bijlagen van het zaaksdossier Wederrechtelijk verkregen voordeel) :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

[verdachte] heeft niet alleen gebruik gemaakt van zijn eigen bankrekeningen om daarop de opbrengst van de verkoop van bitcoins te ontvangen. Hij heeft ook de bankrekeningen van anderen gebruikt om opbrengsten uit de verkoop van bitcoins op te ontvangen. [verdachte] ontvangt bitcoins van personen die als vendor (verkoper) actief zijn op darknet markets. De werkwijze is als volgt:

• Vendors laten zich op darknet markets betalen in bitcoins;

• Vendors versturen deze bitcoins door naar hun eigen bitcoinadres(sen) ;

• Vanaf deze eigen bitcoinadressen worden bitcoins naar bitcoinadressen van [verdachte] verzonden;

• Deze bitcoins worden in geheel of in gedeelten vanaf de bitcoinadressen van [verdachte] naar bitcoinadressen verzonden, die zijn gekoppeld aan accounts van [verdachte] bij [cryptobeurs 1] dan wel accounts bij [cryptobeurs 1] van derden waarover hij de beschikking heeft;

• [cryptobeurs 1] draagt daarna zorg voor omzetting naar bedragen in euro’s die op diverse bankrekeningen van [verdachte] en derden welke door [verdachte] worden gebruikt, worden gestort.

De door [verdachte] gerealiseerde omzet kan worden berekend door alle van bitcoins afkomstige inkomsten op de door [verdachte] gecontroleerde en gebruikte bankrekeningen op te tellen.

De geldstromen die voortkomen uit deze drie bronnen kunnen als volgt in een overzicht worden weergegeven:

In totaal werden de volgende bedragen uit de verkoop van bitcoins gerealiseerd en opgenomen bij geldautomaten in de periode mei 2014 tot en met 14 maart 2016 (de dag van de aanhouding van [verdachte] ) :

totaal ontvangen uit de verkoop van bitcoins: € 11.690.267,85;

totaal opgenomen bij geldautomaten: € 11.331.328,18.

4. Een aanvullend proces-verbaal van bevindingen inzake bitcoinadressen ATF d.d. 6 augustus 2020 van de politie Landelijke Eenheid met nr. LERDA15017-478. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (niet doorgenummerd) :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op donderdag 24 maart 2016 heb ik een proces-verbaal opgemaakt met nummer LERDA15017-288. In dat proces-verbaal heb ik onderzoek naar zogenaamde bitcointransacties verricht. Het gaat om transacties waarbij de volgende bitcoinadressen zijn betrokken.

• [bitcoinadres 1]

• [bitcoinadres 2]

• [bitcoinadres 3]

• [bitcoinadres 4]

• [bitcoinadres 5]

Het gaat om bitcoinadressen die zijn gebruikt door [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] .

Ik heb met de tool Chainalysis per voornoemd bitcoinadres onderzocht hoeveel bitcoins van derden werden ontvangen en in welke periode die bitcoins werden ontvangen. Overeenkomstig met de tabel uit proces-verbaal LERDA15017-288 zag ik dat er in totaal 32.602,9865 bitcoins in de periode van 20 juni 2014 tot en met 30 september 2015 naar de vijf voornoemde bitcoinadressen zijn verzonden.

(...)

Onderzoek herkomst bitcoins

Ik heb vervolgens met de tool Chainalysis onderzoek gedaan naar de herkomst van bitcoins die naar de vijf voornoemde bitcoinadressen zijn verzonden. Ik zag dat een groot deel daarvan indirect afkomstig is van zogenaamde Darknet Markets en/of reeds geïdentificeerde vendors die actief waren op Darknet Markets. Ik zag tevens dat deel van ontvangen bitcoins afkomstig is van mixingservices.

Door gebruik te maken van een mixing-service of het via één of meerdere andere bitcoinadressen verplaatsen van bitcoins wordt de herkomst verhuld. Het is mij ambtshalve bekend dat deze technieken veelvuldig worden toegepast door Darknet Market vendors en wisselaars. Ik zal hierna per bitcoinadres aangeven waar het grootste deel van de bitcoins vandaan komt.

Onderzoek bitcoinadres

[bitcoinadres 1] Ik zag dat er in totaal 7200,8191 bitcoins naar het adres [bitcoinadres 1] zijn verzonden. Ik zag dat grootste deel daarvan, namelijk 7.088,25 bitcoins afkomstig is van een cluster met bitcoinadres [bitcoinadres 6] . Uit aanvullend onderzoek, verricht na sluiting van proces-verbaal LERDA15017-288 is vastgesteld dat dit cluster werd gebruikt door een Darknet Market vendor met de handelsnaam “ [T] ”. “ [T] ” betreft de handelsnaam van [betrokkene 11] , geboren [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] . Hij was actief op meerdere Darknet Markets, verkocht verschillende soorten harddrugs en is inmiddels veroordeeld tot een gevangenisstraf.

(…)

Onderzoek bitcoinadres [bitcoinadres 2]

Ik zag dat er in totaal 9459,84351613 bitcoins naar het adres [bitcoinadres 1] [het hof begrijpt uit de bij dit onderdeel van het proces-verbaal gevoegde weergave uit Chainalysis dat is bedoeld: [bitcoinadres 2]] zijn verzonden. Ik zag dat het grootste deel daarvan (totaal 9437,36) afkomstig is van drie clusters. Het gaat om een cluster met bitcoinadres [bitcoinadres 6] ( [T] ), welke 7.088,25 bitcoins naar voornoemde [bitcoinadres 1] [het hof begrijpt dat wederom is bedoeld: [bitcoinadres 2]] heeft verstuurd, een cluster met bitcoinadres [bitcoinadres 7] en een cluster met bitcoinadres [bitcoinadres 8] .

In de weergave zijn in een cirkeldiagram de ontvangen bitcoins gecategoriseerd.

- 21,92% is indirect afkomstig van de Darknet Markets (o.a. [O] , [E] en [C] )

- 36,67% is direct en indirect afkomstig van vendors [T] en veroordeelde vendors en wisselaars.

(…)

Onderzoek bitcoinadres [bitcoinadres 3]

Ik zag dat er in totaal 7.031,41014 bitcoins naar het adres [bitcoinadres 3] zijn verzonden. Ik zag dat alle bitcoins afkomstig zijn van vier clusters.

In de weergave zijn in een cirkeldiagram de ontvangen bitcoins gecategoriseerd.

- 51,43% is indirect afkomstig van Darknet Markets (o.a. [O] , [D] en [C] )

- 12,67% is indirect afkomstig van mixers; kennelijk met het doel om de herkomst van bitcoins te verhullen.

(…)

Onderzoek bitcoinadres [bitcoinadres 4]

Ik zag dat er in totaal 1.167,2325 bitcoins naar het adres [bitcoinadres 4] zijn verzonden. Ik zag dat alle bitcoins afkomstig zijn van drie clusters. Vanaf de clusters [cluster 1] en [cluster 2] zijn ook bitcoins verzonden naar het voornoemde bitcoinadres [bitcoinadres 3] .

In de weergave zijn in een cirkeldiagram de ontvangen bitcoins gecategoriseerd.

- 60,85% is indirect afkomstig van Darknet Markets (o.a. [O] , [D] en [C] )

- 7,68% is indirect afkomstig van mixers; kennelijk met het doel om de herkomst van bitcoins te verhullen.

(…)

Onderzoek bitcoinadres [bitcoinadres 5]

Ik zag dat er in totaal 7.743,69 bitcoins naar het adres [bitcoinadres 5] zijn verzonden. Ik zag dat alle bitcoins afkomstig zijn van vier clusters. Vanaf de clusters [cluster 1] en [cluster 2] zijn ook bitcoins verzonden naar het voornoemde bitcoinadres [bitcoinadres 3] en het voornoemde bitcoinadres [bitcoinadres 4] .

In de weergave zijn in een cirkeldiagram de ontvangen bitcoins gecategoriseerd.

- 45,34% is indirect afkomstig van Darknet Markets (o.a. [O] , [D] en [C] )

- 36,88% is indirect afkomstig van mixers; kennelijk met het doel om de herkomst van bitcoins te verhullen.

(…)

Resume

Aan de hand van de voornoemde bevindingen kan omtrent het voornoemde worden vastgesteld dat [verdachte] grote hoeveelheden bitcoins heeft ontvangen op vijf door hem gebruikte bitcoinadressen.

Een groot deel daarvan is direct en indirect afkomstig van mixing-services, Darknet Markets en veroordeelde vendors en witwassers.

5. Een proces-verbaal van bevindingen inzake de herkomst bitcoinadressen [cryptobeurs 1] d.d. 17 augustus 2020 van de politie Team High Tech Crime 1 met nr. LERDA15017-479. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (niet doorgenummerd, met bijlagen) :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Voor de start van onderzoek 26Halsey is gebruik gemaakt van informatie van de Amerikaanse opsporingsdienst ATF . Informatie verkregen van de ATF zou wijzen op het feit dat verdachte [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] gebruik heeft gemaakt van een vijftal bitcoinadressen. In dit proces-verbaal zal worden beschreven hoe de vijfbitcoinadressen te relateren zijn aan [verdachte] . Hierbij gaat het om de volgende adressen :

• [bitcoinadres 1]

• [bitcoinadres 2]

• [bitcoinadres 3]

• [bitcoinadres 4]

• [bitcoinadres 5]

Volgens de ATF zouden deze bitcoinadressen gebruikt zijn door [verdachte] voor de handel in bitcoins.

De informatie verkregen van [cryptobeurs 1] toont onder andere aan dat [verdachte] accounts bij [cryptobeurs 1] in gebruik had. Een van de accounts was voorzien van nummer [nummer] en stond daadwerkelijk op naam van [verdachte] . De gebruikte username betrof bestrates, de handelsnaam van [verdachte] . In bijlage 5 is een overzicht van de accountgegevens te zien waarbij het paspoort en een poststuk van [verdachte] zijn gevoegd ter verificatie van het account.

In het bestand [nummer] -accounts.csv van bijlage 6 zijn de verschillende gebruikte adressen opgesomd behorend bij het account van [verdachte] . Deze adressen zijn gebruikt voor het storten of opnemen van bitcoins en/of geld. Dit betreft drie ABN-Amro bankrekeningnummers, één ING bankrekeningnummer en een Brits bankrekeningnummer. Uit het onderzoek is gebleken dat de drie genoemde ABN-Amro en het ING bankrekeningnummers op naam van [verdachte] stonden.

Daarnaast is een lijst met bitcoinadressen weergegeven welke zijn gebruikt voor het storten of opnemen van bitcoins.

Resume

De informatie verkregen van de ATF toonde een vijftal bitcoin adressen die volgens hen werden gebruikt door verdachte [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] . Middels een rechtshulpverzoek aan de bitcoin exchanger [cryptobeurs 1] zijn de bevindingen van de ATF bevestigd. De informatie van [cryptobeurs 1] toont dat vanaf het [cryptobeurs 1] account op naam van [verdachte] deze vijf bitcoinadressen gebruikt zijn om bitcoins op te storten of vanaf op te nemen.

6. Een aanvullend proces-verbaal van bevindingen bitcoinadressen d.d. 7 maart 2024 van de politie Landelijke Eenheid met nr. LERDA15017-480. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergeven - (niet doorgenummerde pagina's 1-19) :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

(…)

Gebruikte databronnen

Uit onderzoek van het Bureau of Alcohol, Tobacco, Firearms and Explosives ( ATF ) is gebleken dat [verdachte] over een aantal accounts beschikt bij de crypto exchange [cryptobeurs 1] . Deze accounts hadden de volgende deposit-adressen :

• [bitcoinadres 1]

• [bitcoinadres 2]

• [bitcoinadres 3]

• [bitcoinadres 4]

• [bitcoinadres 5]

Daarnaast is in het onderzoek communicatie over e-mail gezien waarin [verdachte] , met het email-adres, [e-mailadres] e mails uitwisselt met klanten. Hierbij zijn de volgende adressen door [verdachte] genoemd als adressen waarnaar de bitcoins overgemaakt konden worden.

• [bitcoinadres 6]

• [bitcoinadres 26]

(…)

Opzet van het onderzoek

Omdat er veel vragen zijn over het aantal tussenstappen tussen de ‘Darknet’ en mixer-clusters en de bitcoinadressen beheerd door [verdachte] , begon ik eerst met de 5 gegeven bitcoinadressen, waarvan bekend is dat deze door [cryptobeurs 1] aan [verdachte] zijn verstrekt als depositadressen. Daarna kijk ik met het programma Reactor van Chainalysis maximaal drie stappen terug om te zien waar de tegoeden vandaan kwamen. Dit is anders dan de procedure die eerder in LERDA15017-478 is gevolgd en die zich voornamelijk heeft gericht op door Chainalysis berekende exposure.

4. Bevindingen m.b.t herkomst Bitcoins.

Deposit-adressen

Ik zag dat de vijf adressen allemaal onderdeel zijn van het ‘ [cryptobeurs 1] ’ cluster. Dit is logisch aangezien ze ook alle vijf door [cryptobeurs 1] beheerd worden en door de verdachte gebruikt worden om bitcoins aan zijn account toe te voegen. Aangezien ik alleen geïnteresseerd ben in de transacties naar deze adressen toe, heb ik ze elk als custom-cluster gevisualiseerd (een oranje zeshoek). Vervolgens heb ik gekeken naar de clusters die bitcoins op deze 5 deposit-adressen gestort hebben. Hieronder volgt een overzicht. Voor de duidelijkheid heb ik clusters waarvandaan minder dan 5 transacties zijn ontvangen weggelaten.

(…)

Bitcoins direct afkomstig van Mixers en Darknet Markets

Chainalysis heeft de mogelijkheid om meerdere clusters bij elkaar te voegen tot een cluster. Ik heb dat gedaan voor de zes eerdergenoemde clusters in Afbeelding 2 (de grijze bollen, waarvan ik aanneem dat dit clusters zijn die door [verdachte] werden beheerd om als trader bitcoins in te ontvangen) en vervolgens gekeken naar de bedragen die direct ontvangen zijn van Mixers en DarkMarkets.

Daarnaast zag ik dat het cluster in totaal 629.140$ (2493,43 BTC) ontvangen had van clusters die gelabeld waren als horend bij het NOCIS onderzoek.

Automatische aanpak van de berekening

Het is mogelijk om de gegevens van Chainalysis automatisch te bevragen. Ik heb een script geschreven dat een berekening maakt voor elk van de zes vermoedelijk door [verdachte] beheerde clusters.

Voor elk van de clusters werd gekeken naar de clusters van wie direct geld werd ontvangen (direct verbonden clusters) :

• Als het direct-verbonden cluster een darknet-market- cluster, in een door de politie gemarkeerd onderzoek voorkwam of een mixer was, werd het ontvangen bedrag gezien als direct afkomstig van criminele activiteiten.

• Als het direct verbonden cluster zelf direct geld ontving van een darknet-market-cluster of van een cluster dat in een politie-onderzoek voorkwam, werd het hele ontvangen bedrag van dat direct-verbonden cluster gezien als indirect afkomstig van een verdacht cluster.

Op grond daarvan kom ik op de volgende tabel. Alle getallen zijn in bitcoins. In de eerste kolom staat het ontvangstcluster, in de tweede kolom staat het bedrag, dat direct van een ’crimineel cluster' afkomstig. Tussen haakjes staat het aantal ‘criminele’ clusters. In de derde kolom staat het aantal dat afkomstig is van ‘verdachte’ clusters, en waarvan het geld gedeeltelijk indirect van een darknet market cluster komt. De vierde kolom geeft aan hoeveel geld dat cluster in totaal heeft ontvangen. In de laatste kolom heb ik een overzicht gemaakt van darknet markets of politie gemarkeerde (schuingedrukt) die ik als direct (vetgedrukt) of indirect ben tegengekomen.

(…)

Verdediging vraag 24

Chainalysis berekent herkomst door de transacties terug te volgen totdat ze door een gecategoriseerd cluster heen gaan. Zoals eerder gezegd, had ik de zes clusters die vrijwel alle bitcoins op de deposit-adressen van [verdachte] overmaakten tot een cluster bij elkaar gevoegd. Hierna volgt een schermafdruk van de exposure. De buitenste cirkel geeft aan dat de ontvangen gelden direct van een cluster uit deze categorie kwamen. Ik heb de getallen behorend bij de categorieën in de buitenste cirkel gebruikt bij de berekening in paragraaf 4.4.

Zoals te zien is, komt een groot deel van de ontvangen bitcoins van ‘unnamed services’. Ik heb een paar van deze unnamed services bekeken. Allemaal hebben ze veel bitcoins ontvangen van mixers en darknet markets. Deze exposure zou kunnen worden samengevat als:

(…)

Résumé

Ik heb gekeken naar de vijf deposit-adressen op [cryptobeurs 1] zoals die gegeven waren door de ATF . Ik zag dat het 88%-100% van alle stortingen op deze adressen afkomstig waren van zes clusters. Ook zag ik dat 97-100% van het geld dat op deze zes clusters binnenkwam, doorgestuurd werd naar [cryptobeurs 1] . Ook zijn van twee adressen, behorend bij een van deze clusters, genoemd in een mail van [e-mailadres] , aangegeven dat het zijn ontvangstadressen waren. Om die reden acht ik het waarschijnlijk dat [verdachte] deze zes clusters beheerde.

Ik zag dat vanaf vijf van deze zes clusters geld was gestuurd naar [A] , een mixer.

Vanwege de hoeveelheid transacties en clusters was het visueel inzichtelijk maken van de herkomst van de bitcoins op deze zes clusters niet haalbaar. Om die reden heb ik als eerste, gebruikmakend van het Chainalysis programma Reactor, een overzicht gemaakt van bedragen die deze zes clusters direct hadden ontvangen van darknet markets of mixers. Hieruit bleek dat 7174,32 ($1.929.921,57) van de 39 366,23 ($10.800 994) bitcoins direct afkomstig was van een darknet-market-cluster of een mixer.

Als tweede heb ik gekeken naar bitcoins die zijn ontvangen van criminele en verdachte clusters. Hierbij is een 'crimineel' cluster gedefinieerd als een mixer, een darknet-market-cluster, of een cluster dat in een ander onderzoek is gelabeld. Een verdacht cluster is een cluster dat geld heeft ontvangen van een darknet-market-cluster of van een cluster dat in een ander onderzoek gelabeld is. Op die manier gerekend, bleek dat 11.098,78 bitcoins afkomstig waren van criminele clusters en 14.246,33 van verdachte clusters.”

Het hof heeft in een nadere bewijsoverweging het volgende overwogen:

“Witwassen

Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel is slechts vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt overigens niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

- De verdachte bood in de periode van 1 mei 2014 tot en met 14 maart 2016 (via internet) bezitters van bitcoins aan om hun bitcoins om te zetten in contant geld. De bezitters van die bitcoins maakten geld over naar een van de ‘wallets’ van de verdachte.

De verdachte verkocht de verkregen bitcoins vervolgens aan ‘cryptocurrency exchanges’ zoals [cryptobeurs 1] of [cryptobeurs 2] . Deze bedrijven betaalden de verkoopprijs van de bitcoins uit op bankrekeningen die op naam van de verdachte stonden of op bankrekeningen op naam van anderen, waar de verdachte de beschikking over had.

De verdachte betaalde de bezitters van de bitcoins vervolgens de tegenwaarde van deze bitcoins minus een commissiepercentage onverwijld in contanten uit. Deze contante uitbetalingen vonden plaats op openbare plaatsen, veelal in horecagelegenheden. Dit betrof geldbedragen tot € 50.000,- - De verdachte deed geen onderzoek naar de identiteit van zijn klanten en hij hield evenmin een volledige administratie van zijn klanten/transacties bij. De verdachte hield slechts bij op welke datum hij een transactie uitvoerde, om welk bedrag het ging en de nettowinst van die transactie in procenten uitgedrukt.

- In totaal is in de tenlastegelegde periode € 11.690.267,85 naar bankrekeningen waarover de verdachte beschikte overgemaakt. De verdachte nam het grootste deel van dit geld vervolgens weer contant op.

- In een proces-verbaal van bevindingen met nr. LERDA15017-480 is gerelateerd – samengevat - dat een analyse inzake de herkomst van de bitcoins met blockchainanalyseprogramma ‘Reactor’ van Chainalysis heeft uitgewezen dat de bitcoins die werden overgeschreven naar de wallets van [cryptobeurs 1] , die toebehoorden aan de verdachte, onder meer afkomstig waren van ‘Darknet Market’, ‘Unnamed services’ en ‘Mixing’.

- De verdachte hanteerde een commissiepercentage variërend van 5 tot 8%. Naar eigen zeggen ontving de verdachte gemiddeld ongeveer 4% van het bedrag van de transactie. Dit terwijl Reguliere cryptocurrency exchanges doorgaans een commissie van maximaal 1% hanteren.

Vermoeden van witwassen

Uit het voorgaande volgt, samengevat, het volgende. De verdachte was op grote schaal bezig met het omwisselen van bitcoins in- contant geld. De verdachte interesseerde zich niet voor de herkomst van de bitcoins en maakte, onder andere, gebruik van bankrekeningen op naam van derden. De verdachte beschikte over grote contante geldbedragen die op openbare plekken werden overgedragen. Door op deze wijze transacties te doen, waarborgde de verdachte (impliciet) de anonimiteit van de bezitters van de bitcoins. Het stelde hen in staat bitcoins in contanten om te zetten zonder dat de transactie tot hen herleidbaar was.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, is het hof van oordeel dat er een vermoeden is van witwassen. Gelet op dit vermoeden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn.

Verklaring verdachte

De verdachte heeft zich bij de politie beroepen op zijn zwijgrecht en heeft voor het eerst ter terechtzitting in eerste aanleg een verklaring afgelegd. Ook in hoger beroep heeft de verdachte een verklaring afgelegd. Door de verdachte is verklaard dat het commissiepercentage dat hij hanteerde niet buitensporig was, nu zijn diensten snel, veilig en eenvoudig waren. Bovendien werd hiermee het risico gedekt dat de verdachte liep als een gevolg van mogelijke tussentijdse waardedalingen van de door hem ontvangen bitcoins.

Door de verdachte is voorts verklaard dat hij wel degelijk een administratie heeft bijgehouden van de transacties. In dit verband heeft de verdachte gewezen op bijlage 6 van de door de verdediging in hoger beroep ingebrachte ‘Schriftelijke zienswijze’, waarin een zestal transacties (nummer 421 tot en met 426) zichtbaar zijn die volgens de verdachte een representatief beeld vormen van de door hem verrichte transacties. De verdachte kan deze transacties koppelen aan namen van de personen met wie hij de transacties heeft gedaan.

Voorts heeft de verdachte erop gewezen dat hij altijd transparant is geweest tegenover zijn accountant, dat hij geen problemen wilde hebben met de Belastingdienst en al zijn inkomsten wilde opgeven. Bovendien heeft de verdachte een juridisch advies ingewonnen op grond waarvan hij ervan uit mocht gaan dat hij niet verplicht was om de identiteit van bitcoin-eigenaren met wie hij handelde vast te stellen.

Beoordeling verklaring verdachte, witwassen?

Het hof is van oordeel dat de verklaring die de verdachte heeft gegeven niet voldoet aan de eisen die daaraan, gelet op het beoordelingskader in witwaszaken, gesteld mogen worden. Door de verdachte zijn geen gegevens overgelegd die het openbaar ministerie in staat stellen nader onderzoek naar de transacties te doen. Bovendien ziet de verklaring van de verdachte slechts op een zeer klein aantal transacties, afgezet tegen het totale aantal transacties. De verklaring van de verdachte is onvoldoende concreet en niet verifieerbaar.

Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat alle bitcoins en de geldbedragen die de verdachte in de ten laste gelegde periode voorhanden heeft gehad, een legale herkomst hadden. Bij dit oordeel betrekt het hof eerdergenoemd proces-verbaal van bevindingen met nr. LERDA15017-480, waarin is gerelateerd dat een substantieel percentage van de bitcoins die de verdachte ontving afkomstig was van het darknet.

Hoewel niet valt uit te sluiten dat een deel van de van darknet afkomstige bitcoins een legale herkomst heeft, is het een feit van algemene bekendheid dat een aanzienlijk deel van de transacties op darknet samenhangt met illegale handel. Daarmee staat vast dat een aanzienlijk deel van de van darknet afkomstige bitcoins een criminele herkomst heeft. Hetzelfde geldt naar het oordeel van het hof voor de categorieën bitcoins die, volgens de verrichte analyse naar de herkomst van de bitcoins, afkomstig zijn van ‘Mixing’ en van ‘Unnamed services’. In proces-verbaal met nr. LERDA15017-478 is gerelateerd dat ‘mixing services’ “veelvuldig worden toegepast door Darknet Market vendors en wisselaars” en dat dit gedaan wordt om de herkomst van de bitcoins te verhullen. Gelet daarop en indachtig hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over van darknet afkomstige bitcoins, gaat het hof ervan uit dat ook een deel van de bitcoins in de categorie Mixing een criminele herkomst heeft.

Ook ten aanzien van de categorie ‘Unnamed services’ is het hof van oordeel dat een deel daarvan een criminele herkomst heeft nu uit het proces-verbaal van bevindingen met nr. LERDA15017-480 blijkt dat de ontvangen bitcoins van ‘Unnamed services’ voor een deel bitcoins hebben ontvangen van ‘Mixers’ en ‘DarknetMarkets’.

Het hof acht dan ook bewezen dat een deel van de bitcoins en daarmee een deel van de geldbedragen van enig misdrijf afkomstig waren.

Nu niet geverifieerd kon worden dat de verdachte handelde met bonafide bezitters van bitcoins, behoeven de overige door de verdachte naar voren gebrachte standpunten, zoals de vraag of de verdachte al dan niet een buitensporige commissie hanteerde, de verantwoording ten aanzien van de accountant, de Belastingdienst en het door de verdachte ingewonnen juridisch advies, geen nadere bespreking.

Voorwaardelijk opzet

De verdachte verrichte op grote schaal transacties met bitcoins zonder persoonsgegevens van zijn klanten bij te houden en zonder enig onderzoek te doen naar de herkomst van de bitcoins. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte daardoor de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij transacties verrichte ten aanzien van bitcoins met een (deels) criminele herkomst.

Naar het oordeel van het hof kan dus worden bewezen dat de verdachte opzet in de vorm van voorwaardelijk opzet had op het witwassen.

Een bedrag; vermenging?

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat de verdachte het in de tenlastelegging opgenomen bedrag van (afgerond) 11,6 MIO heeft witgewassen. Voor zover een deel van dit bedrag mogelijk wel een legale herkomst zou hebben gehad, is dit door vermenging niet meer te achterhalen, aldus de advocaat-generaal.

Het hof komt echter tot een bewezenverklaring van ‘een bedrag’ omdat er geen bewijs is dat alle bitcoins die de verdachte heeft ontvangen en daarmee alle geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Niet uitgesloten kan worden dat een deel van de bitcoins geen criminele herkomst had. Het hof kan op grond van het onderzoek ter terechtzitting, noch op grond van het dossier exact vaststellen wat de hoogte is van het door de verdachte witgewassen bedrag. Wel volgt uit het hierboven besproken proces-verbaal van bevindingen met nr. LERDA15017-480, dat dit een aanzienlijk bedrag betreft.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof niet van oordeel dat er sprake is van vermenging in die zin dat het gehele in de tenlastelegging opgenomen bedrag kan worden aangemerkt als van een criminele herkomst omdat een deel van dat bedrag en dergelijke herkomst heeft. De verdachte zette op grote schaal bitcoins om in giraal geld, nam dat op in contanten en betaalde daarmee degenen van wie de bitcoins afkomstig waren. Er was dus telkens sprake van op zichzelf staande transacties die van elkaar te onderscheiden zijn. Daarom is van een situatie van vermenging geen sprake.”

Het middel bevat twee deelklachten en richt zich – als opgemerkt – tegen het oordeel van het hof dat (i) de bitcoins en geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn en (ii) de verdachte ‘wist’ dat deze voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig waren.

(i) Afkomstig uit enig misdrijf

In de toelichting op het middel worden de klachten over het onder (i) genoemde oordeel van het hof onderverdeeld in drie klachten, namelijk

a) de klacht dat het hof in de nadere bewijsoverweging feiten en omstandigheden heeft vastgesteld die niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid;

b) de klacht dat het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte “niet voldoet aan de eisen die daaraan, gelet op het beoordelingskader in witwaszaken, gesteld mogen worden” onjuist is, althans niet zonder meer begrijpelijk; en

c) de klacht dat het oordeel van het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat een aanzienlijk deel van de transacties op het darknet illegaal zijn en dus dat een aanzienlijk deel van de bitcoins uit misdrijf afkomstig is, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.

In verband met de klacht onder a) wordt een aantal feiten en omstandigheden genoemd dat niet uit de bewijsmiddelen zou kunnen worden afgeleid. De kern hiervan is volgens de stellers van het middel dat de verdachte op grond van deze vaststellingen te vergelijken is met een cryptocurrency exchange en commissie uitbetaald krijgt, terwijl dat beeld niet juist is en wel de strafbaarheid van zijn handelingen mede draagt.

Alvorens de klachten te bespreken, merk ik op dat – anders dan de stellers van het middel lijken te veronderstellen – bij de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden of de verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan, geen betekenis toekomt aan de vraag of de door de verdediging ingenomen standpunten ter terechtzitting al dan niet ‘onbetwist’ zijn gebleven. De vraag is of de bewijsvoering van het hof het bewezenverklaarde kan dragen.

Dat brengt mij bij de eerste klacht, namelijk dat het hof in de nadere bewijsoverweging feiten en omstandigheden zou hebben vastgesteld die niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Naar mijn oordeel kan de kern van de werkwijze van de verdachte, zoals het hof die onder het kopje “feiten en omstandigheden” heeft weergegeven, wel degelijk uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Ik wijs daartoe in het bijzonder op bewijsmiddel 1 en 3. Die kern is dat de klanten van de verdachte bitcoins naar zijn wallets overmaakte, dat de verdachte die bitcoins heeft omgezet in contant geld en die klanten de tegenwaarde van die bitcoins minus een variërend percentage contant uitbetaalde (waarbij de overdracht plaatsvond op openbare plaatsen), zonder dat de verdachte een registratie bijhield van zijn klanten. Daarmee heeft de verdachte – zoals het hof in de bewijsoverweging heeft vastgesteld – zijn klanten in staat gesteld om bitcoins in contanten om te zetten zonder dat een dergelijke transactie tot hen herleidbaar was.

Aan deze kern doet wat mij betreft (in het geheel) niet af of de verdachte de bitcoins nu “aan” of “via” cryptocurrency exchanges zoals [cryptobeurs 1] of [cryptobeurs 2] heeft verkocht. Daaraan doet ook niet af of de verdachte de bitcoins eerst omzette in contant geld en pas daarna aan zijn klanten uitbetaalde, dan wel dat de verdachte zijn klanten meteen contant uitbetaalde en de bitcoins pas later ten gelde maakte. In het verlengde daarvan zie ik ook de relevantie niet van de vraag of het door de verdachte verdiende percentage per transactie moet worden aangemerkt als “commissiepercentage” of als “winst”.

Wel moet aan de stellers van het middel worden toegegeven dat het door de verdachte gehanteerde “commissiepercentage” niet is terug te voeren op een bewijsmiddel.

Tot cassatie leidt dat echter niet. In het eerdere arrest van het hof dat door de Hoge Raad is vernietigd, had het hof eenzelfde vaststelling gedaan op basis van het procesdossier en op basis van de verklaring van de verdachte. Na terugwijzing van de zaak heeft de verdachte ter terechtzitting van 4 september 2024 blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal onder meer verklaard dat hij blijft bij zijn eerdere verklaring omtrent de commissiepercentages (p. 3). Ik wijs er daarnaast op dat in de spreekaantekeningen van de verdediging voor voornoemde zitting onder het kopje ‘feiten’ onder meer staat opgenomen:

“7. [verdachte] handelde in bitcoins. Dit was destijds een nieuw product. Hij kocht de bitcoins voor chartaal geld van mensen die hij op openbare locaties ontmoette […]. Hij betaalde over het algemeen ongeveer 96% van de waarde van de bitcoin op het moment van aankoop: een enkele keer betaalde hij minder en was zijn ‘percentage’ dus hoger. De minimale prijs was 92%.”

De verdachte heeft mijns inziens dan ook geen belang bij dit onderdeel van de klacht.

De klacht onder a) faalt.

De klacht onder b) houdt in dat het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte niet voldoet aan de eisen die daaraan, gelet op het beoordelingskader in witwaszaken, mogen worden gesteld, niet juist is, althans niet zonder meer begrijpelijk is. Volgens de stellers van het middel heeft het hof hiermee de facto verlangd dat de verdachte aannemelijk maakt dat de tenlastegelegde bitcoins en geldbedragen niet van misdrijf afkomstig waren.

Voordat ik deze klacht over het door het hof toegepaste stappenplan uit het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2018 bespreek, merk ik op dat het bestreden oordeel van het hof niet alleen is gebaseerd op de toepassing van dat stappenplan. Het (uiteindelijke) oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring genoemde bitcoins en geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf, bestaat uit twee onderdelen die in elkaars verlengde liggen. In de eerste plaats heeft het hof het hiervoor genoemde stappenplan toegepast en op grond daarvan geoordeeld dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat alle bitcoins en geldbedragen die de verdachte voorhanden heeft gehad, een legale herkomst hadden. In de tweede plaats heeft het hof op grond van de bewijsmiddelen ook vastgesteld dat een substantieel deel van de door de verdachte ontvangen bitcoins afkomstig was van het darknet en daarbij overwogen dat het een feit van algemene bekendheid is dat een aanzienlijk deel van de transacties op het darknet samenhangt met illegale handel, zodat ook vaststaat dat een aanzienlijk deel van de van het darknet afkomstige bitcoins en criminele herkomst hebben.

Het stappenplan uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 18 december 2018 luidt als volgt:

“2.3.2. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.”

In verband met het vermoeden van witwassen heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op grote schaal bezig was met het omwisselen van bitcoins in contant geld. De verdachte interesseerde zich daarbij niet voor de herkomst van de bitcoins, maakt onder meer gebruik van bankrekeningen op naam van derden en beschikte over grote contante geldbedragen die op openbare plekken werden overgedragen. Met deze werkwijze – zo overweegt het hof – waarborgde de verdachte (impliciet) de anonimiteit van de bezitters van die bitcoins en stelde hij hen in staat om bitcoins om te zetten in contanten zonder dat die transacties tot de bezitters herleidbaar waren. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat dit een vermoeden van witwassen oplevert en dat daarom van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring mag worden verlangd. Dit oordeel van het hof – waarover in de toelichting op het middel slechts terloops wordt opgemerkt dat het is gebaseerd op “onjuiste gronden” – is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Het hof heeft daaropvolgend overwogen dat de verdachte zich bij de politie op zijn zwijgrecht heeft beroepen en eerst ter zitting in eerste aanleg (en vervolgens ter zitting in hoger beroep) een verklaring heeft afgelegd. De desbetreffende verklaring voldoet naar het oordeel van het hof niet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. Weliswaar heeft de verdachte verklaard dat door hem wel degelijk een administratie is bijgehouden en is ter zake verwezen naar bijlage 6 van de door de verdediging in hoger beroep ingebrachte ‘schriftelijke zienswijze’, waarin een zestal transacties zichtbaar zijn die volgens de verdachte een representatief beeld vormen van de door hem verrichte transacties, terwijl deze transacties door de verdachte kunnen worden gekoppeld aan namen van de personen met wie hij de transacties heeft gedaan, maar naar het oordeel van het hof zijn door de verdachte geen gegevens overgelegd die het openbaar ministerie in staat stellen nader onderzoek naar de transacties te doen. De verklaring van de verdachte ziet slechts op een zeer klein aantal transacties, afgezet tegen het totale aantal transacties. Derhalve is de verklaring van de verdachte naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet en niet verifieerbaar. Het hof heeft daarnaast gewezen op het proces-verbaal van bevindingen met nr. LERDA15017-480, waarin is gerelateerd dat een substantieel percentage van de bitcoins die de verdachte ontving, afkomstig was van het darknet en dat, hoewel niet kan worden uitgesloten dat een deel van die transacties een legale herkomst heeft, daarmee in ieder geval vast staat dat een aanzienlijk deel van de tenlastegelegde bitcoins een criminele herkomst heeft.

Anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, heeft het hof aansluitend daarop niet bewezen geacht dat alle bitcoins en geldbedragen die de verdachte voorhanden heeft gehad van misdrijf afkomstig zijn, maar slechts bewezen geacht dat “een deel van de bitcoins en daarmee een deel van de geldbedragen van enig misdrijf afkomstig waren”.

De stellers van het middel brengen hier tegenin dat aan de verdachte niet de eis kan worden gesteld dat hij “de namen en rugnummers van zijn zakenpartners” bijhield, dat daarmee onredelijk hoge eisen aan (de verklaring van) de verdachte worden gesteld en dat de verdachte bovendien een – naar de mening van de verdediging, zo begrijp ik – representatief deel van de bitcoins heeft verantwoord.

Ik zie dat anders. Uitgangspunt van de overwegingen van het hof ter zake is het standpunt van de verdachte dat hij wel degelijk een administratie heeft bijgehouden. In reactie op dat standpunt heeft het hof overwogen dat, voor zover het hof kennis heeft kunnen nemen van (een deel van die) administratie, het hof van oordeel is dat die informatie onvoldoende concreet is om de verklaring van de verdachte te kunnen verifiëren, waarbij ook een rol speelt dat hetgeen door de verdediging wel is overgelegd, betrekking heeft op slechts een klein deel van alle bitcointransacties. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

Zou het hof hiermee hebben volstaan, dan zou de toepassing van het stappenplan – waaruit in de kern volgens het hof dus slechts de vaststelling volgt dat niet elke euro van de in de tenlastelegging genoemde € 11.690.267,85 een legale herkomst heeft – naar mijn oordeel wel een erg smalle basis vormen voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”.

Daarom is relevant dat – zoals ik hiervoor al heb opgemerkt – het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring genoemde “bitcoins en geldbedragen” uit enig misdrijf afkomstig zijn, niet alleen is gebaseerd op de toepassing van het stappenplan. Het is ook gebaseerd op de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder op de analyse van de herkomst van de door de verdachte ontvangen bitcoins. Uit die analyse blijkt dat een substantieel percentage van de door de verdachte ontvangen bitcoins afkomstig is van het darknet. Zo volgt uit bewijsmiddel 4 dat één van de clusters waarvan de bitcoins afkomstig zijn, werd gebruikt door een Darknet Market vendor met de naam “ [T] ”, zijnde de handelsnaam van een persoon ( [betrokkene 11] ) die actief was op meerdere Darknet Markets, verschillende soorten harddrugs verkocht en inmiddels is veroordeeld tot een gevangenisstraf. Volgens de analyse opgenomen als bewijsmiddel 6 heeft de verdachte op zijn bitcoinadressen meer dan 25.000 bitcoins ontvangen afkomstig van ofwel clusters die direct verbonden zijn met het darknet (ongeveer 11.000 bitcoins), ofwel van clusters die op hun beurt direct bitcoins hebben ontvangen van zo’n cluster (ongeveer 14.000 bitcoins). Het hof heeft daarbij als feit van algemene bekendheid aangenomen dat – “hoewel niet uit te sluiten valt dat een deel van de van darknet afkomstige bitcoins een legale herkomst heeft” – een aanzienlijk deel van de transacties op het darknet samenhangt met illegale handel, zodat om die reden kan worden aangenomen dat een aanzienlijk deel van de van het darknet afkomstige bitcoins een criminele herkomst heeft. Ook dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

Tegen de achtergrond van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen en het feit van algemene bekendheid dat een aanzienlijk deel van de van het darknet afkomstige bitcoins een criminele herkomst heeft, acht ik niet onbegrijpelijk dat het hof bewezen heeft geacht dat “een deel van de bitcoins en daarmee een deel van de geldbedragen” uit enig misdrijf afkomstig zijn. Nu het hof zijn oordeel in dit verband niet uitsluitend heeft gebaseerd op het stappenplan van de Hoge Raad, maar ook op de bewijsmiddelen en het hiervoor genoemde feit van algemene bekendheid, getuigt dat oordeel mijns inziens ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. De bewezenverklaring is in zoverre toereikend gemotiveerd.

De klacht onder b) faalt.

Dan de klacht onder c). Ik heb hiervoor bij de bespreking van de klacht onder b) al uitgelegd waarom het hof naar mijn oordeel – mede op grond van het hier bestreden feit van algemene bekendheid – kon oordelen dat een deel van de tenlastegelegde bitcoins en daarmee een deel van de tenlastegelegde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Voor zover de klacht onder c) inhoudt dat dat oordeel niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, faalt het op de gronden zoals hiervoor uiteengezet. Ik roep daarbij in herinnering dat feiten van algemene bekendheid op grond van art. 339 lid 2 Sv geen bewijs behoeven.

Zie ik het goed, dan richt de klacht onder c) zich met name tegen het oordeel van het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat “een aanzienlijk deel van de transacties op darknet samenhangt met illegale handel”. Daarmee zou het hof – zo betogen de stellers van het middel – iets als een feit van algemene bekendheid hebben aangenomen wat door de verdediging uitdrukkelijk is betwist.

Het deel van het pleidooi waar de stellers van het middel het oog op hebben, luidt als volgt:

“5. Darknet

53. De verdediging stelt zich op het standpunt dat een relatie met het darknet een omstandigheid kan zijn om een vermoeden van witwassen aan te nemen, maar dat een dergelijk vermoeden niet geheel gebaseerd kan zijn louter op een link met het darknet. Te minder kan de conclusie volgen dat ten aanzien van alle bitcoins die een link met het darknet hebben ‘automatisch’ geldt dat niet anders kan zijn dan dat zijn van misdrijf afkomstig zijn.

54. Een link met het darknet wordt immers snel en relatief eenvoudig gemaakt. Een bitcoin hoeft immers slechts één keer via een darknet-market-cluster te lopen om als zodanig aangemerkt te worden.

55. Sterker nog. Meer dan de helft van de bitcoins in dit dossier die afkomstig zouden zijn van het darknet lijken daarmee ‘indirect’ verband te houden. In dat verband wordt het volgende opgemerkt: “Als het direct verbonden cluster zelf direct geld ontving van een darknet-market-cluster of van een cluster dat in een politie-onderzoek voorkwam, werd het hele ontvangen bedrag van dat direct-verbonden cluster gezien als indirect afkomstig van een verdacht cluster”. Dit betekent dus – kortweg – dat als het cluster wordt beheerd door iemand die ooit bitcoins van bijvoorbeeld het darknet heeft ontvangen, alle bitcoins op dat cluster aangemerkt worden als afkomstig van een verdacht cluster.

56. De bitcoins hoeven dan ook niet eens zélf verband te houden met het darknet, ze staan slechts in relatie tot een cluster wat daarmee verband houdt.

57. Bovendien is het darknet veel meer dan de karikatuur. Meer dan de helft van de websites op het darknet zijn (althans, waren in 2014 - 2016) volkomen legaal. Deze worden gebruikt om, bijvoorbeeld, buitenlandse censuur te ondermijnen (denk aan Rusland en Iran), contact te zoeken met journalisten en overheden en om bijvoorbeeld te gokken of om privacy-gevoelige transacties te sluiten, ook als deze niet strafbaar zijn. Zonder in te veel detail te treden kan gedacht worden aan seksueel getinte transacties die samenhangen met bepaalde ‘kinks’ en waarvan het dus ongewenst is dat deze voor de buitenwereld zichtbaar of vindbaar zijn.

58. Dit neemt uiteraard niet weg dat er op de darknet ook zeer schadelijke zaken worden verhandeld. Maar dat rechtvaardigt de conclusie niet dat alle bitcoins die ooit van de darknet zijn gekomen, reeds daarom van misdrijf afkomstig zijn.

59. Ook ten aanzien van de 16,2% van de bitcoins die (uiteindelijk) aan het darknet te relateren zijn geldt dan ook dat vrijspraak dient te volgen, nu niet kan worden vastgesteld dat het “niet anders kan zijn dan dat deze bitcoins uit enig misdrijf afkomstig zijn.””

Het hof heeft geoordeeld dat het een feit van algemene bekendheid is dat “een aanzienlijk deel van de transacties op darknet samenhangt met illegale handel” en daaraan vervolgens de conclusie verbonden dat een aanzienlijk deel van de van het darknet afkomstige bitcoins een criminele herkomst heeft. Anders dan de stellers van het middel betogen, heeft het hof daarmee niet een feit van algemene bekendheid aangenomen dat door de verdediging is betwist. De verdediging heeft in de hierboven geciteerde passage immers in de kern betwist dat een link met het darknet ‘automatisch’ betekent dat deze bitcoins van misdrijf afkomstig zijn. Dat is evenwel niet het feit van algemene bekendheid dat het hof in zijn arrest heeft aangenomen.

Net als algemeen bekend mag worden verondersteld dat het darknet – anders dan het reguliere internet – de anonimiteit van de gebruikers in hoge mate waarborgt, kan naar mijn oordeel ook als feit van algemene bekendheid worden aangenomen dat het darknet – mede om die reden – een broedplaats is voor criminele activiteiten. Het standpunt van de verdediging dat het darknet ook wordt gebruikt door individuen of organisaties die legitieme redenen hebben om hun anonimiteit te waarborgen, lijkt me juist, maar doet daar niet aan af. Het oordeel van het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat “een aanzienlijk deel van de transacties op darknet samenhangt met illegale handel” getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

De klacht onder c) faalt.

(ii) Opzet

Omtrent de wetenschap van de verdachte heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen:

“Voorwaardelijk opzet

De verdachte verrichte op grote schaal transacties met bitcoins zonder persoonsgegevens van zijn klanten bij te houden en zonder enig onderzoek te doen naar de herkomst van de bitcoins. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte daardoor de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij transacties verrichte ten aanzien van bitcoins met een (deels) criminele herkomst. Naar het oordeel van het hof kan dus worden bewezen dat de verdachte opzet in de vorm van voorwaardelijk opzet had op het witwassen.”

In de toelichting op het middel wordt betoogd dat deze overweging van het hof te mager is voor het oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad. Daarnaast wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof niet begrijpelijk is, omdat het hof heeft overwogen dat andere door de verdachte naar voren gebrachte standpunten – zoals de vraag of de verdachte al dan niet een buitensporige commissie hanteerde, de verantwoording ten aanzien van de accountant en de Belastingdienst en het door hem ingewonnen juridisch advies – geen bespreking behoeven. Die standpunten zijn volgens de stellers van het middel wel degelijk relevant voor de vraag of de verdachte voorwaardelijk opzet had.

Voor een veroordeling voor witwassen is niet alleen vereist dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn, maar ook dat de verdachte dat wist. Dit ‘weten’ brengt het opzetvereiste tot uitdrukking. Voldoende is dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig zijn. Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard, kan in meer of mindere mate van belang zijn of de verdachte enig toezicht of onderzoek achterwege heeft gelaten dat van hem in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht.

Hoe relevant die laatstgenoemde omstandigheid precies is, hangt sterk af van de omstandigheden van het geval. In HR 23 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1323 werd de verdachte bijvoorbeeld midden in de nacht aangetroffen in een gestolen auto en verklaarde hij dat hij die auto van een kennis had geleend. Het hof oordeelde dat de verdachte ‘wist’ dat de auto uit enig misdrijf afkomstig was en overwoog in dat verband dat de verdachte geen vragen had gesteld aan zijn kennis over de herkomst van de auto. Dat oordeel hield in cassatie geen stand. In HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6140 bleek dat de verdachte zijn koffer voorafgaand aan een vlucht van Suriname naar Nederland een aantal uren had afgestaan aan een man die hij slechts zeer oppervlakkig kende, terwijl hij ervan op de hoogte was dat dat verdovende middelen vanuit Suriname naar Nederland per vliegtuig plegen te worden gesmokkeld. Het oordeel van het hof dat de verdachte, door ieder onderzoek naar zijn koffer achterwege te laten, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich in zijn koffer cocaïne zou bevinden, bleef in deze zaak wel in cassatie overeind.

Het hof heeft in de onderhavige zaak vastgesteld dat de verdachte gedurende een periode van bijna twee jaren bezitters van bitcoins heeft aangeboden om hun bitcoins om te zetten in contant geld. De verdachte betaalde de tegenwaarde van de bitcoins minus een (commissie-)percentage in contanten uit en deed dat op openbare plaatsen, veelal horecagelegenheden, waarbij het geldbedragen betrof tot € 50.000. De verdachte verkocht de bitcoins via cryptocurrency exchanges zoals [cryptobeurs 1] of [cryptobeurs 2] en heeft zo € 11.690.267,85 ontvangen op bankrekeningen waarover hij kon beschikken, waaronder bankrekeningen op namen van anderen. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de verdachte geen onderzoek deed naar de identiteit van zijn klanten en geen volledige administratie bijhield van zijn klanten en/of de uitgevoerde transacties. Hij hield slechts bij op welke datum hij een transactie uitvoerde, om welk bedrag het ging en wat de nettowinst van de transactie was.

Tegen de achtergrond van de specifieke werkwijze van de verdachte en mede gelet op de grote schaal waarop de verdachte de transacties verrichtte, heeft het hof wat mij betreft kunnen oordelen dat de verdachte – door geen persoonsgegevens van zijn klanten bij te houden en zonder enig onderzoek te doen naar de herkomst van de bitcoins – bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een deel van de bitcoins en een deel van de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren. Dat de verdachte in dit verband de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich ook klanten met hun door criminele activiteiten verkregen bitcoins bij hem zouden aandienen, ligt – naar het mij voorkomt – reeds besloten in de specifieke manier waarop de verdachte zijn handel in bitcoins had ingericht. Daarbij betrek ik ook dat het hof in het kader van het vermoeden van witwassen heeft vastgesteld dat de verdachte met deze werkwijze de bezitters van bitcoins in staat heeft gesteld om hun bitcoins om te zetten in contanten zonder dat de transactie tot hen herleidbaar was en zo (dus) hun anonimiteit waarborgde. Dat is – zo voeg ik daaraan toe – wellicht niet uitsluitend, maar in ieder geval in het bijzonder een aantrekkelijke werkwijze voor personen die hun door criminele activiteiten verkregen bitcoins ten gelde willen maken.

Het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een deel van de bitcoins en een deel van de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren, is mijns inziens dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dat het hof in dit kader niet is ingegaan op de overige standpunten van de verdediging over de vraag of de verdachte al dan niet een buitensporige commissie hanteerde, de verantwoording ten aanzien van de accountant en de Belastingdienst en het door hem ingewonnen juridisch advies, acht ik daarbij niet onbegrijpelijk. Die omstandigheden maken het oordeel van het hof over het voorwaardelijk opzet, namelijk dat dit opzet in de kern besloten ligt in de werkwijze die de verdachte steeds heeft gehanteerd ten aanzien van zijn klanten, niet anders.

De klacht faalt.

Slotsom van het eerste middel

Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.

3. Het tweede middel

Het tweede middel klaagt over de afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige [verbalisant] .

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 4 september 2024 heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan om de opsteller van het door het hof als bewijsmiddel 6 gebruikte proces-verbaal van bevindingen te horen. Ik citeer:

“Ik zou uw hof een voorwaardelijk verzoek willen doen om [verbalisant] te horen indien het hof het niet eens is met randnummer 44 uit de pleitnota en alle analyse die daaruit vloeit. Wij denk zelf dat dit niet nodig is, maar indien uw hof dit wel vindt dan willen wij ook vragen stellen aan [verbalisant] .”

Het randnummer 44 en de daarop volgende analyse in de pleitnota (‘spreekaantekeningen’) van de verdediging ten behoeve van de zitting van 4 september 2024, waarnaar in dit verzoek wordt verwezen, houdt het volgende in:

“44. Op pagina 16 van PV-480 wordt de (uiteindelijke) herkomst van deze bitcoins toegelicht. Deze uiteenzetting lijkt een nadere specificatie te betreffen ten opzichte van het overzicht van pagina's 12 en 13, waarin met name ingegaan wordt op al dan niet rechtstreekse verhouding met de uiteindelijke bronnen. Op basis van dit overzicht kunnen de volgende bronnen worden onderscheiden.

• 16,28% van de bitcoins (6.408,82 bitcoins) is (uiteindelijk) te herleiden naar een darknet market.

• 16,61% van de bitcoins (6538,73 bitcoins) is (uiteindelijk) te herleiden naar een mixer.

• 21,52% van de bitcoins (8.471,61 bitcoins) is (uiteindelijk) te herleiden naar ‘unnamed services’ – dat label wordt gegeven als iemand een dienst aanbiedt, bijvoorbeeld bij een webshop die (ook) bitcoins accepteert of een bitcoinhandelaar.

• 35,4% van de bitcoins is ‘untraced’ – mede op basis van het overzicht op pagina’s 12 en 13 – waaruit volgt dat ongeveer 35,62% niet direct of indirect aan het darknet, mixiers of andere uitgekozen bronnen te relateren is - lijkt dit te betekenen dat er geen reden is aan te nemen dat de bitcoin van een malafide of anderszins opmerkelijke bron afkomstig is. Deze bitcoins zijn vermoedelijk redelijk rechtstreeks afkomstig van ‘mining’ - het bijmaken van bitcoins wat met name destijds redelijk rap ging en een inkomstenbron vormde.

• 6,36% is afkomstig van een exchange, 0,69% van een p2p exchange (peer to peer). Op dergelijke exchanges kunnen bitcoins gewisseld worden. Dergelijke exchanges zijn (in beginsel) bonafide.

• 1,76% is afkomstig van gokken. Dat is (in beginsel) niet strafbaar.

• 0,16% is afkomstig van ‘stolen funds’. Eerder in het PV wordt aangegeven dat sommige bitcoins te herleiden zijn naar andere strafrechtelijke onderzoeken. Mogelijk zijn dit die bitcoins.

45. Dit leidt tot de volgende tussenconclusie. In elk geval 35,4% + 6,36% + 0.69% + 1,76% = 44,21% van de verhandelde bitcoins kunnen niet herleid worden naar het darknet, mixing services of een ‘unnamed service’.

46. Er is dan ook geen reden om ten aanzien van deze bitcoins te vermoeden dat deze uit enig misdrijf afkomstig zouden zijn of aan een misdrijf te relateren zijn. Het is dan heel wel mogelijk dat deze bitcoins niet uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dat lijkt zelfs waarschijnlijk. Het criterium dat “niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is” wordt in elk geval niet gehaald.

47. Dit maakt dat vrijspraak dient te volgen ten aanzien van deze bitcoins. 44,21% van de bitcoins vertegenwoordigt – eenvoudig gerekend – EUR 5.168.267,42. Vrijspraak dient hoe dan ook te volgen ten aanzien van deze bitcoins c.q. de daaraan te relateren bedragen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat vermenging in dit verband niet aan de orde is, nu deze bitcoins – juist – goed van elkaar te onderscheiden zijn. Zo volgt uit het onderzoek van [verbalisant] .

48. Eenzelfde conclusie dient te volgen ten aanzien van de 21,52% van de bitcoins die te herleiden zijn naar ‘unnamed services’. Volgens [verbalisant] hebben een deel van deze unnamed services hun bitcoins ontvangen van mixing services en darknet markets. Hoeveel bitcoins dat zijn, is echter niet nader omschreven terwijl dit – zo volgt uit het PV – wel onderzocht had kunnen worden. Ten aanzien van al deze bitcoins, maar in elk geval een groot deel, is niet uit te sluiten dat deze – direct of indirect – afkomstig zijn van bonafide services zoals 22 (reguliere) webshops zoals Thuisbezorgd of andere bitcointraders. Dat soort bedrijven en personen worden immers genoemd om te omschrijven wat een ‘unnamed service’ is.

49. Ten aanzien van deze 21,52% kan het dus heel wel anders zijn dan dat zij uit enig misdrijf afkomstig zijn. Immers is (juist) aannemelijk dat zij van bonafide dienstverleners afkomstig zijn. Ook met betrekking tot deze bitcoins wordt het criterium dat “niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is” dus niet gehaald. Voor zover aannemelijk zou zijn dat een (klein) deel van deze bitcoins wel van het darknet of mixers afkomstig zouden zijn, ligt de bewijslast ten aanzien van de grootte van dat deel bij het openbaar ministerie. De FIOD kan immers – zo schrijft [verbalisant] – nader onderzoeken en uiteenzetten wat de nadere herkomst is van deze bitcoins, maar heeft nagelaten dat te doen. Het bewijsrisico ligt in een dergelijk geval volledig bij het OM.

50. 21,52% van de bitcoins vertegenwoordigt EUR 2.515.745,64. Vrijspraak dient dan ook te volgen ten aanzien van deze bitcoins c.q. de daaraan te relateren bedragen. Ook in casu speelt vermenging niet, nu onderscheid juist wel gemaakt kan worden c.q. gemaakt had kunnen worden.

51. Ten aanzien van (ten minste) 65,73% van de bitcoins dient dan ook vrijspraak te volgen omdat op basis van het door de FIOD uitgevoerde onderzoek zeer aannemelijk is dat deze niet uit misdrijf afkomstig zijn en het criterium dat “niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is” daarom (ruimschoots) niet wordt gehaald.

52. Bij de al dan niet criminele herkomst van de overige bitcoins – 16,2%% van het darknet, 16,61% van mixing services en 0,16% van stolen funds – dient uitgebreider stilgestaan te worden. Want waar – kortweg – bitcoins die niet van een van deze bronnen afkomstig zijn hoe dan ook niet van misdrijf afkomstig lijken, begrijpt de verdediging dat dit niet zonder meer geldt ten aanzien van deze bitcoins.

[...].”

Het hof heeft het voorwaardelijk getuigenverzoek bij arrest als volgt afgewezen:

“De verdediging heeft het hof verzocht om, indien het hof tijdens de beraadslaging zich niet kan vinden in hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot de herkomst van de bitcoins en de verdere daaromtrent in de pleitnota opgenomen analyse, het onderzoek te hervatten en te beslissen dat [verbalisant] zal worden gehoord als getuige.

Nu het hof alleen het witwassen ten aanzien van ‘een bedrag’ heeft bewezen is er geen noodzaak tot het horen van [verbalisant] en wordt het voorwaardelijke getuigenverzoek afgewezen.”

Uit het post-Keskin-arrest van de Hoge Raad van 20 april 2021 volgt in de kern dat het belang van de verdediging bij een verzoek tot het oproepen en horen van een nog niet eerder ondervraagde getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd, moet worden verondersteld. Zo’n verzoek kan niet enkel worden afgewezen op de grond dat uit de onderbouwing van het verzoek de noodzaak niet is gebleken. Nadien heeft de Hoge Raad overwogen dat de verdachte op grond van art. 6 EVRM eveneens het recht heeft in de gelegenheid te worden gesteld om de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te onderzoeken van een door een deskundige afgelegde verklaring of schriftelijk verslag, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. De Hoge Raad overwoog ter zake in zijn arrest van 18 november 2025 (met weglating van de voetnoten):

“2.3.3. Vooropstaat dat de verdachte op grond van artikel 6 EVRM het recht heeft in de gelegenheid te worden gesteld om de “truthfulness and reliability” (hierna kortheidshalve: betrouwbaarheid) te onderzoeken van een door een deskundige afgelegde verklaring, waaronder ook kan worden begrepen een door de deskundige uitgebracht schriftelijk verslag dat in het dossier is gevoegd, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. In dit opzicht bestaat er geen verschil met het recht dat aan de verdachte in relatie tot getuigenverklaringen op grond van artikel 6 EVRM toekomt “to test the truthfulness and reliability of evidence provided by witnesses which incriminates him or her”. Dit betekent dat, als de verdachte kenbaar maakt dat hij de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring wil (doen) onderzoeken, van de verdediging geen nadere onderbouwing van het belang bij zo’n onderzoek mag worden verlangd. De motiveringsplicht die in het onder 2.3.1 genoemde arrest [AG: ECLI:NL:HR:2022:1198] voor de verdediging is benoemd en die in het navolgende nader wordt verduidelijkt, ziet ook niet op dit belang. Een verzoek tot het oproepen en horen van een deskundige mag niet worden afgewezen op de enkele grond dat een onderbouwing door de verdediging ontbreekt van het belang van een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de deskundigenverklaring of het deskundigenverslag, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft.

Dat in het onder 2.3.1 genoemde arrest, ook in het geval van een belastende deskundigenverklaring, tot op zekere hoogte een motivering van een verzoek door de verdediging wordt verlangd, houdt ermee verband dat het oproepen en horen van de deskundige niet de enige manier is waarop een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaring kan plaatsvinden. Zo’n onderzoek kan ook plaatsvinden door bijvoorbeeld:

- het laten opstellen van een nader rapport door de deskundige waarin vragen van de verdediging worden beantwoord;

- het laten uitvoeren van aanvullend onderzoek door dezelfde deskundige;

- het laten beoordelen van de resultaten van het onderzoek van de deskundige door een andere deskundige;

- het (zo mogelijk) opnieuw laten uitvoeren van onderzoek door een andere deskundige.

Welke manier van (nader) onderzoek het meest geschikt is om – ten behoeve van de verdediging en ook, meer in het algemeen, in het belang van de waarheidsvinding – op effectieve wijze een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaring te doen plaatsvinden, is afhankelijk van verschillende gezichtspunten. Daarbij zijn mede van belang de inhoud van de belastende deskundigenverklaring, de manier waarop die deskundige daarin verslag heeft gedaan van het verrichte onderzoek of anderszins daarin op grond van zijn specifieke of bijzondere kennis voor de strafzaak relevante uitlatingen heeft gedaan, de (soms) complexe of technische aard van het al verrichte of nog te verrichten onderzoek, alsmede de (overige) concrete feiten en omstandigheden van het geval.

In het licht van deze alternatieve toetsingsmogelijkheden houdt de motiveringsplicht die in het onder 2.3.1 genoemde arrest voor de verdediging is benoemd, verband met twee factoren die van belang zijn voor de beoordeling door de rechter van het verzoek tot het oproepen en horen van de deskundige. Allereerst moet de verdediging aanduiden welke onderdelen van de belastende deskundigenverklaring zij betwist en/of aan een nader onderzoek wil onderwerpen. Daarnaast betreft het een toelichting waarom dit onderzoek bij voorkeur in de vorm van het oproepen en horen van de deskundige zou moeten plaatsvinden, mede gelet op andere manieren van toetsing die (mogelijk) in aanmerking kunnen komen. Deze motiveringsplichten strekken er, als gezegd, niet toe dat de verdediging het belang van een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaring moet toelichten. Het gaat erom dat de rechter in staat wordt gesteld te beoordelen of – gegeven dat belang en in het licht van de bij de verdediging gerezen vragen over of bezwaren tegen de belastende deskundigenverklaring – het oproepen en horen van de deskundige de (meest) aangewezen manier is om dat onderzoek te doen plaatsvinden met het oog op een effectieve toetsing van de betrouwbaarheid van die deskundigenverklaring. Daarmee wordt niet alleen de waarheidsvinding gediend maar wordt ook gewaarborgd dat wordt voldaan aan de vereisten van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.”

Een en ander brengt niet mee dat elk verzoek tot het oproepen en horen van een getuige of deskundige moet worden toegewezen. Zo verzet art. 6 EVRM zich er niet tegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige of deskundige onmiskenbaar irrelevant of overbodig is, omdat het horen van de getuige of deskundige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 september 2024 volgt dat de verdediging het voorwaardelijke verzoek heeft gedaan om [verbalisant] te horen, indien het hof het niet eens zou zijn met randnummer 44 en de analyse die daaruit voortvloeit. Die analyse strekt ertoe te betogen dat, gelet op het proces-verbaal van [verbalisant] , een percentage van 44,21% van de verhandelde bitcoins niet zou kunnen worden herleid naar het darknet, mixing services of een ‘unnamed service’ en het derhalve “heel wel mogelijk is” dat deze bitcoins niet van enig misdrijf afkomstig zijn. Ten aanzien van het percentage dat volgens de analyse van [verbalisant] afkomstig is van ‘unnamed services’ (21,52%) is betoogd dat niet uit te sluiten valt dat deze – direct of indirect – afkomstig zijn van bonafide services. Eenzelfde standpunt wordt ingenomen ten aanzien van het percentage dat volgens de analyse van [verbalisant] afkomstig is van darknet, mixing services en ‘stolen funds’.

Het hof heeft geoordeeld dat er geen noodzaak is tot het horen van getuige [verbalisant] , omdat het hof alleen het witwassen ten aanzien van ‘een bedrag’ heeft bewezen verklaard. Ik begrijp deze overweging aldus, dat het hof heeft gemeend dat het horen van [verbalisant] “voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn”, omdat het hof heeft geconcludeerd dat slechts een (door het hof ongespecificeerd) deel van de tenlastegelegde bitcoins en daarbij behorende geldbedragen afkomstig zijn van misdrijf. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. In die conclusie ligt immers besloten dat het horen van [verbalisant] over de in zijn proces-verbaal genoemde specifieke percentages in het licht van de bewezenverklaring van geen enkele toegevoegde waarde is. De afwijzing van het verzoek is daarom niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

4. Slotsom

De middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand