ECLI:NL:OGEABES:2026:260

ECLI:NL:OGEABES:2026:260

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 16-10-2026
Datum publicatie 26-10-2026
Zaaknummer BON202600159
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

De man heeft tijdens een affectieve relatie betalingen ten behoeve van de onderneming van de vrouw verricht. De man vordert deze betalingen van de onderneming terug op grond van een terugbetalingsverplichting uit een geldleningsovereenkomst, terugbetaling van een geldsom vanwege onverschuldigde betaling of schade vanwege ongerechtvaardigde verrijking. Een geldleningsovereenkomst is niet vast komen te staan. De betalingen zijn niet aan de onderneming verricht, dus van een terugbetalingsverplichting vanwege onverschuldigde betaling is geen sprake. De onderneming is ongerechtvaardigd verrijkt. Vordering grotendeels toegewezen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202600159

datum beslissing: 16 oktober 2026

in de zaak van

[eiser in conventie, verweerder in reconventie],

wonend op Bonaire,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna: [eiser],

gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,

tegen

DEL MAR B.V.,

gevestigd op Bonaire,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna: Del Mar,

gemachtigde: mr. E.J. Winkel.

1. De procedure

In het procesdossier zitten de volgende stukken:

het verzoekschrift met producties, ingediend op 30 maart 2026;

de conclusie van antwoord met producties;

de op 28 augustus 2026 ingediende producties van [eiser].

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 september 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. Nicolaas. Namens Del Mar is [directeur Del Mar] (directeur, hierna: [directeur]) verschenen, bijgestaan door mr. Winkel. De spreekaantekeningen die de gemachtigden hebben voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen besproken is.

Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] zijn eis verminderd in die zin dat hij niet meer betaling van een bedrag van USD 93.000, maar van USD 87.350 vordert.

Ten slotte is bepaald dat uitspraak zal worden gedaan. De uitspraak is nader bepaald op vandaag.

2. De kern van de zaak

eiser] heeft in de periode tussen mei 2021 en februari 2022 betalingen ten behoeve van Del Mar verricht. Hij stelt dat dit gebeurde op basis van een geldleningsovereenkomst en eist terugbetaling van het geleende geld.

Voor het geval het Gerecht oordeelt dat een contractuele leenverhouding ontbreekt, stelt hij dat hij dan schulden van Del Mar aan leveranciers onverschuldigd heeft betaald en eist hij op die grond terugbetaling. De vordering op deze grondslagen wordt afgewezen. Daarnaast vindt [eiser] dat Del Mar ten koste van hem ongerechtvaardigd is verrijkt en eist hij op die grond schadevergoeding. Dat wordt gedeeltelijk toegewezen.

Del Mar heeft een tegenvordering ingesteld. Zij verzoekt om het gelegde conservatoire derdenbeslag op haar bankrekening op te heffen. Dat wordt gedeeltelijk toegewezen.

3. De beoordeling

in conventie en in reconventie

De achtergrond van het geschil

Del Mar is een onderneming die op 4 mei 2021 is opgericht en een winkel in kantoorartikelen exploiteert. [directeur] is sinds de oprichting van Del Mar enig bestuurder.

eiser] en [directeur] hebben een affectieve relatie gehad. Op [datum] 2022 zijn zij getrouwd. Inmiddels is deze relatie geëindigd.

In de periode tussen mei 2021 en februari 2022 heeft [eiser] betalingen ten behoeve van Del Mar verricht. Die betalingen zagen onder meer op facturen van leveranciers van Del Mar en de huur van de bedrijfsruimte waarin de winkel van Del Mar was gevestigd. In die periode heeft Del Mar ook betalingen verricht aan de onderneming van [eiser] (Pink Coral IT B.V.).

In de eerste plaats verschillen partijen van mening welke betalingen van [eiser] op verzoek of ten behoeve van Del Mar zijn verricht. In de tweede plaats is de grondslag van die betalingen in geschil.

Na verkregen rechterlijk verlof heeft [eiser] op 23 maart 2026 conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van Del Mar onder Maduro & Curiel’s Bank Bonaire N.V., ter verzekering van verhaal van zijn op USD 120.900 begrote vordering (hoofdsom van USD 93.000 plus opslag van 30% voor rente en kosten).

in conventie

Er is geen sprake van een geldleningsovereenkomst

De vordering van [eiser] tot betaling van een bedrag van USD 87.350 is er primair op gebaseerd dat tussen partijen een geldleningsovereenkomst tot stand gekomen is, waarbij tussen partijen is afgesproken dat Del Mar de van [eiser] ontvangen bedragen zou terugbetalen. Del Mar heeft deze door [eiser] gestelde grondslag van de vordering betwist.

eiser] beroept zich op de rechtsgevolgen van het bestaan van een geldleningsovereenkomst en de verbintenis van Del Mar tot terugbetaling van het geleende bedrag. Daarom draagt [eiser] de stelplicht en bewijslast hiervan.

Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Voor het tot stand komen van een geldleningsovereenkomst is in elk geval vereist dat partijen door middel van aanbod en aanvaarding overeenstemming hebben bereikt over het verstrekken van een geldbedrag en dat de lener zich verbindt om het geldbedrag terug te betalen.

eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling gewezen op Whatsapp-berichten van [directeur] die er in de kern op neerkomen dat zij geld aan [eiser] gaat (terug)betalen. Hij licht daarbij toe dat Del Mar is gestart na het naderende faillissement van Addo’s Bookstore, dat vooraf niet bekend was welk kapitaal voor de opstart nodig zou zijn en dat in gezamenlijk overleg is besloten de onderneming flexibel te financieren in de overtuiging dat dit op termijn zou worden terugbetaald. Daarbij wijst hij erop dat Del Mar vijf betalingen van USD 5.000,- en één van USD 3.000,- aan [eiser] heeft gedaan. Volgens hem houdt dat een erkenning van de schuldverhouding in. Bovendien wijst hij op een groot aantal e-mailberichten van [directeur] waarin zij aan [eiser] vroeg om facturen van leveranciers van Del Mar te betalen. Daaraan heeft hij steeds voldaan. Het ging bij deze uitgaven om noodzakelijke winkelvoorraad, logistieke importdiensten en inventaris, wat volgens hem niet als privégift kan worden bestempeld. Verder stelt hij dat hij kosten voor zakelijke reizen naar Nederland, het kassasysteem en de verbouwing heeft betaald, wat volgens hem bedrijfskosten zijn die moeten worden gedragen door de vennootschap. Ook heeft hij een gedeelte van de inventaris van Addo’s Bookstore voor Del Mar gekocht en een investering van een derde voor aanloopkosten terugbetaald.

Del Mar voert daartegenover aan dat [directeur] en [eiser] een persoonlijke relatie onderhielden die is uitgemond in een huwelijk en dat [eiser] in het kader daarvan uit eigen beweging en als daad van vrijgevigheid jegens zijn toenmalige partner heeft bijgedragen aan de opbouw van Del Mar. Partijen hebben volgens haar nimmer afspraken gemaakt over het totale te lenen bedrag, een terugbetalingsverplichting, een terugbetalingstermijn, een rentevergoeding of enige andere voorwaarde die kenmerkend is voor een geldleningsovereenkomst. Verder voert zij aan dat een deel van de posten in het overzicht van [eiser] al door haar is terugbetaald, dat een ander deel privékosten van [eiser] zelf of kosten van zijn eigen onderneming zijn en dat ook een deel ervan door [eiser] bewust gedane giften betreft.

Het Gerecht overweegt hierover het volgende. Niet in geschil is dat [eiser] betalingen ten behoeve van Del Mar heeft verricht. Hij heeft op verzoek van [directeur] een groot aantal facturen ten behoeve van Del Mar betaald. Ook heeft hij (ongevraagd) andere uitgaven voor Del Mar gedaan. Daarmee is echter nog niet gezegd dat partijen overeenstemming hadden over een terugbetalingsverplichting. Uit hetgeen [eiser] heeft aangevoerd, kan dat ook niet met voldoende duidelijkheid worden afgeleid. De door [eiser] geciteerde Whatsapp-berichten laten enkel zien dat [directeur] tijdens de relatie van partijen wel eens heeft geschreven dat zij (lees: Del Mar) hem moest betalen en ook wilde betalen. Uit die correspondentie blijkt niet dat Del Mar alles wat [eiser] voor haar had betaald zou (moeten) terugbetalen, althans dat zij een of meer van de bedragen waarvan [eiser] in deze procedure betaling vordert zou terugbetalen. Del Mar heeft terecht aangevoerd dat die gesprekken zijn gevoerd door partijen die een affectieve relatie hadden met financiële verwevenheid van de toenmalige partners en hun ondernemingen. Uit niets blijkt dat [eiser] een aanbod heeft gedaan tot het uitlenen van geld onder voorwaarde van een terugbetalingsverplichting, laat staan dat Del Mar dat aanbod heeft aanvaard. Dit volgt ook niet zonder meer uit het feit dat Del Mar een aantal ronde bedragen aan [eiser] heeft (terug)betaald. Dat het om de voldoening van verplichtingen van Del Mar en andere zakelijke uitgaven voor haar ging, wil ook niet zonder meer zeggen dat een terugbetalingsverplichting voor Del Mar bestond.

eiser] heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van Del Mar onvoldoende onderbouwd dat partijen een terugbetalingsverplichting zijn overeengekomen. Daarom komt het Gerecht aan bewijslevering niet toe en wordt het bewijsaanbod van [eiser] gepasseerd. Omdat niet is komen vast te staan dat partijen een terugbetalingsverplichting zijn overeengekomen, is de vordering tot terugbetaling uit hoofde van geldlening niet toewijsbaar.

Er is ook geen sprake van onverschuldigde betaling (los van de betaling van USD 7.000,-)

eiser] stelt subsidiair dat, als geen contractuele grondslag voor de betalingen bestond, Del Mar onverschuldigd van haar schulden is bevrijd en zij de waarde hiervan aan [eiser] moet restitueren.

Van onverschuldigde betaling, waarop [eiser] hier doelt, is sprake als een betaling zonder rechtsgrond is geschied. Degene die onverschuldigd heeft betaald, kan het betaalde van de ontvanger terugvorderen (artikel 6:203 BW BES). [eiser] beroept zich op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat hij onverschuldigd heeft betaald, zodat de stelplicht en bewijslast ook hierbij op hem rust.

Om te beginnen stelt het Gerecht vast dat [eiser] de betalingen niet aan Del Mar maar aan derden heeft gedaan. Dit ligt alleen anders bij het bedrag van USD 7.000,- dat [eiser] naar Del Mar zelf heeft overgemaakt. Voor het overige is Del Mar niet de ontvanger van de betalingen, zodat [eiser] de gelden niet als onverschuldigd betaald van haar kan terugvorderen.

De vordering is in zoverre dus ook op deze grondslag niet toewijsbaar. Zoals hierna zal blijken, is de vordering voor het bedrag van USD 7.000,- wel toewijsbaar, op de grondslag van ongerechtvaardigde verrijking. Of sprake is geweest van onverschuldigde betaling hoeft hierbij dus niet te worden onderzocht.

Del Mar is ten dele wel ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [eiser]

Meer subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat Del Mar met winkelvoorraad, inventaris, startkapitaal en bedrijfshuisvesting is verrijkt ten koste van het vermogen van [eiser] en dat deze verrijking ongerechtvaardigd is. Het Gerecht overweegt hierover het volgende, aan de hand van het aangepaste overzicht dat [eiser] voor de mondelinge behandeling heeft overgelegd, dat sluit op het bedrag van USD 87.350,- (productie 13).

Op grond van artikel 6:212 BW BES is degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van de verrijking. De stelplicht en bewijslast dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan, rust op de partij die zich op ongerechtvaardigde verrijking beroept, in dit geval dus op [eiser].

Vaststaat dat Del Mar is verrijkt doordat [eiser] op verzoek van [directeur] facturen van leveranciers van Del Mar heeft betaald. Daardoor heeft hij immers schulden van Del Mar voldaan. Hetzelfde geldt voor de aankoop van voorraden, meubels en winkelinrichting van Addo’s Bookstore ten behoeve van Del Mar, wat kennelijk in overleg met [directeur] is gebeurd. Ook geldt dit voor de overschrijving van USD 7.000,- als werkkapitaal voor Del Mar. Eveneens staat vast dat [eiser] voor het bedrag van deze betalingen is verarmd, nu de bedragen uit zijn vermogen zijn geraakt zonder dat daar iets tegenover staat.

De vraag is dan nog of de verrijking van Del Mar op deze punten ongerechtvaardigd is omdat er geen redelijke oorzaak aan ten grondslag ligt. Naar het oordeel van het Gerecht is dat het geval. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat partijen niet duidelijk zijn overeengekomen op welke basis de betalingen van [eiser] ten behoeve van Del Mar werden gedaan. Dat hebben zij in feite in het midden gelaten. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat de verrijking haar grondslag vindt in een rechtshandeling die de verrijking rechtvaardigt, zoals het geval zou zijn als [eiser] daadwerkelijk uit vrijgevigheid heeft gehandeld of de wil van partijen anderszins op de verrijking en verarming was gericht, of als Del Mar daar ten minste gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. Concrete aanwijzingen om dat aan te nemen zijn er niet. Een andere redelijke oorzaak voor de verrijking is ook niet aan te wijzen. Uit het feit dat [directeur] meermalen te kennen heeft gegeven dat zij moest en wilde (terug)betalen en Del Mar ook daadwerkelijk een aantal ronde bedragen heeft betaald, valt ook af te leiden dat zij de verrijking op dit punt evenmin (volledig) gerechtvaardigd vond.

Anders ligt het bij een aantal andere posten op het overzicht.

In de eerste plaats betreft dit de betaling van de factuur van [naam bedrijf] voor tegels zetten en schilderen van de eerste etage van de bedrijfsruimte (USD 2.000,-). Deze ruimte werd immers mede door [eiser] voor zijn onderneming gebruikt en niet duidelijk is dat deze werkzaamheden door Del Mar waren opgedragen en/of daadwerkelijk tot haar voordeel hebben gestrekt. Ook geldt dit voor de betaling van een factuur van Nespresso, nu Del Mar betwist dat dit een uitgave voor haar was (USD 209,10). Verder geldt dit gedeeltelijk voor de terugbetaling door [eiser] van door derden voorschoten bedragen, in het overzicht aangeduid als ‘[naam 1] - terugbetaling investering’ en in de bijlage ‘Betaling aan [naam 2]’ verder gespecificeerd (USD 19.050,50). Dit betreft onder meer 50% van de factuur voor de inventaris van Addo’s, een kassasysteem, training Lightspeed, uniform, schilderen van het pand, koelkast, keuken en toilet, ontwerp en uitvoering belettering en radio promo. Volgens [eiser] ging het hier om een investering in verband met een samenwerking met een andere dame die niet is doorgegaan. Volgens [directeur] was zij er niet mee akkoord dat een derde zou participeren en heeft [eiser] dit allemaal geregeld. Met verschillende uitgaven was zij het ook niet eens. Bij de uitgaven voor de bedrijfsruimte moet verder worden bedacht dat [eiser] zelf mede gebruik maakte van het pand. Het volledige bedrag voor de aankoop van de inventaris van Addo’s Bookstore (USD 5.000,-) is al als betaling van [eiser] in het overzicht opgenomen, zodat het daarnaast meetellen van de helft ervan een dubbeltelling lijkt. Voor zover bij de overige posten sprake is van een verrijking van Del Mar, is deze gelet op het voorgaande niet ongerechtvaardigd, althans is het niet redelijk dat Del Mar de hiermee verband houdende schade van [eiser] zou moeten vergoeden. Dit geldt alleen niet voor de huur over juni en juli en de borg die volgens de bijlage ook door deze derde zijn betaald en door [eiser] zijn vergoed. Daarbij ging het immers om de voldoening van directe eigen verplichtingen van Del Mar. Het daarmee gemoeide bedrag (USD 1.908,- + USD 4.500,- + USD 2.968 = USD 9.376,-) levert wel een ongerechtvaardigde verrijking van Del Mar ten koste van [eiser] op. Daarmee resteert het bedrag van USD 9.674,50 (USD 19.050,50 minus USD 9.376,-). Van de bedragen die [eiser] via Amex/Visa heeft betaald, zoals gespecificeerd in productie 11 (in totaal USD 4.530,-), worden de uitgaven aan Amazon (€ 725,60, € 17,50 en € 46,98) en KLM (€ 646,41) buiten beschouwing gelaten, omdat onvoldoende duidelijk is dat deze ten behoeve van Del Mar zijn gedaan en dus een verrijking opleveren. De uitgave aan SumUp voor een IPad houder (€ 119,-) wordt eveneens buiten beschouwing gelaten omdat deze volgens Del Mar niet nodig was en dus hooguit een opgedrongen verrijking vormt. Een vergoeding hiervoor is niet redelijk. In totaal gaat het hierbij om een bedrag van € 1.555,49 ofwel USD 1.735,84.

Gelet op het voorgaande komt als schade wegens ongerechtvaardigde verrijking voor vergoeding in aanmerking het bedrag van USD 73.730,56 (USD 87.350,- minus USD 2.000,- minus USD 209,10 minus USD 9.674,50 minus 1.735,84). Het Gerecht zal de vordering dan ook toewijzen tot dit bedrag. De wettelijke rente hierover zal, zoals gevorderd, worden toegewezen vanaf de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift.

Del Mar moet de proceskosten betalen

Del Mar zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure en de nakosten (kosten van tenuitvoerlegging, artikel 61 Rv BES). De kosten van het door [eiser] gelegde beslag moeten ook door Del Mar worden vergoed, nu het beslag niet nietig, onnodig of onrechtmatig was (artikel 704 Rv BES).

Deze kosten worden aan de kant van [eiser] begroot op:

USD 159,- aan betekeningskosten van het verzoekschrift

USD 930,- aan griffierecht (USD 251,- + USD 679,-)

USD 2.234,- aan salaris gemachtigde (2 punten x liquidatietarief 7)

USD 445,20 aan kosten van het gelegde conservatoire beslag

USD 140,- aan nakosten (plus de eventuele verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal: USD 3.908,20.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, nakosten en de kosten van het beslag wordt toegewezen zoals in de beslissing staat vermeld.

De beslissingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard

De beslissingen in dit vonnis worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hiertegen heeft Del Mar ook geen afzonderlijk verweer gevoerd. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als Del Mar in hoger beroep gaat. De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval tot de rechter in hoger beroep tot een andere beslissing komt.

in reconventie

Del Mar vordert opheffing van het op 23 maart 2026 gelegde conservatoire derdenbeslag. Zij stelt daartoe dat de vordering van [eiser] ongegrond is en dat het beslag haar ernstige bedrijfsschade heeft berokkend.

De toewijzing van de vordering van [eiser] in conventie brengt met zich dat Del Mar niet wordt gevolgd dat de grondslag voor het gelegde beslag ontbreekt. De vordering van [eiser] wordt wel voor een lager bedrag toegewezen dan waarvoor deze bij de verlofverlening was begroot.

eiser] heeft niet betwist dat de onderneming van Del Mar door het beslag is geraakt. [eiser] heeft geen omstandigheden aangevoerd waarom hij er belang bij zou hebben om het beslag te handhaven voor zover dat is gelegd voor een hoger bedrag dan de toegewezen vordering in conventie (met verhoging voor rente en kosten). Daarom wordt het beslag opgeheven voor zover het is gelegd voor een vordering van meer dan USD 83.660,- (toegewezen hoofdsom plus 30% opslag voor rente en kosten).

Slechts een klein deel van de vordering in reconventie wordt daarmee toegewezen. Daarom is Del Mar de grotendeels in het ongelijk gestelde partij en moet zij de proceskosten in reconventie dragen. Omdat [eiser] geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd tegen de vordering in reconventie (zijn gemachtigde is er alleen tijdens de mondelinge behandeling kort op ingegaan), worden de kosten van [eiser] in reconventie begroot op nihil.

4. De beslissing

Het Gerecht:

in conventie

veroordeelt Del Mar tot betaling aan [eiser] van USD 73.730,56, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 maart 2026 tot aan de dag van volledige betaling daarvan;

veroordeelt Del Mar tot betaling van de proceskosten en nakosten aan [eiser], begroot op USD 3.908,20, verhoogd met USD 84,00 in geval van betekening indien nakoming door Del Mar uitblijft binnen veertien dagen nadat Del Mar schriftelijk is verzocht om aan het vonnis te voldoen;

veroordeelt Del Mar tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten en nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en over het bedrag van de verhoging vanaf veertien dagen na de betekening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

heft op het op 23 maart 2026 door [eiser] ten laste van Del Mar gelegde conservatoire beslag voor zover het is gelegd voor een vordering van meer dan USD 83.660,-;

veroordeelt Del Mar in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van [eiser] begroot op nihil;

in conventie en in reconventie:

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.L. Wattel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.L. Wattel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand