Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 oktober 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 03-282020-23 en 03-088566-23, alsmede de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 03-056167-23, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te Sittard.
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep is de verdachte partieel vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 03-088566-23 onder feit 2 tenlastegelegde tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, dan wel opzettelijk aanwezig hebben van een materiaal bevattende MDMA en/of GHB in of omstreeks de periode van 1 april 2022 tot en met 13 juli 2022 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland.
De rechtbank heeft het overige tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, te weten een contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van drie jaren, waarbij is bepaald dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week voor iedere keer dat de verdachte de maatregel overtreedt met een totale duur van ten hoogste zes maanden. De rechtbank heeft deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Voorts heeft de rechtbank in de zaak met parketnummer 03-282020-23 de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] integraal en hoofdelijk toegewezen tot het bedrag van € 22.144,65, bestaande uit € 12.144,65 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en proceskosten. Ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] is daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De rechtbank heeft verder in de zaak met parketnummer 03-088566-23 de onder de verdachte inbeslaggenomen weegschaal en het geldbedrag ter hoogte van € 445,00 verbeurd verklaard en de onder de verdachte inbeslaggenomen verdovende middelen onttrokken aan het verkeer.
Ten slotte heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van de eerder onder parketnummer 03-056167-23 voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 300,00 subsidiair 6 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bevestigen met verbetering van de gronden en met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, rekening houdende met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 03-282020-23 onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde. Daarnaast heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de raadsman primair bepleit dat de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ook ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 03-056167-23 en de onder de verdachte inbeslaggenomen goederen heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Omvang en ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank partieel vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 03-088566-23 onder feit 2 tenlastegelegde, te weten van het tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, dan wel opzettelijk aanwezig hebben van een materiaal bevattende MDMA en/of GHB in of omstreeks de periode van 1 april 2022 tot en met 13 juli 2022 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland. Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.
Het hoger beroep is onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze partiële vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat tegen deze beschermde partiële vrijspraak is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:
in de zaak met parketnummer 03-282020-23:
1.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 oktober 2023 tot en met 18 oktober 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een personenauto met bijbehorende autosleutels, autopapieren en/of tenaamstellingcodes, huissleutels, telefoon, airpods, bankpasjes met bijbehorende pincodes, diverse geldbedragen en/of een motor, in elk geval enige goederen die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (aan) voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,
- kenbaar te maken dat hij en/of de medeverdachte, [medeverdachte 1] , een vuurwapen heeft/hebben, en/of
- een vuurwapen te tonen, en/of
- de woorden toe te voegen “als je nu probeert te vluchten, schiet ik je neer”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
2.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 oktober 2023 tot en met 18 oktober 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een personenauto met bijbehorende autosleutels, autopapieren en/of tenaamstellingcodes, huissleutels, telefoon, airpods, bankpasjes met bijbehorende pincodes, diverse geldbedragen en/of een motor, in elk geval enige goederen, die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n), door (aan) voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,
- kenbaar te maken dat hij en/of de medeverdachte, [medeverdachte 1] , een vuurwapen heeft/hebben,
- een vuurwapen te tonen, en/of
- de woorden toe te voegen “als je nu probeert te vluchten, schiet ik je neer”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
3.hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 2023 tot en met 18 oktober 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer] onder bedreiging van een (mogelijk) vuurwapen en/of met de woorden “als je nu probeert te vluchten schiet ik je neer” en/of “stel je probeert te vluchten uit je huis ik heb mensen staan die je in de gaten houden”
- in de kofferbak heeft/hebben laten plaatsnemen en/of (vervolgens) met die [slachtoffer] in de auto is/zijn gaan rijden, en/of
- naar de woning van voornoemde [slachtoffer] op het adres [locatie 1] is/zijn gereden en daar heeft/hebben verbleven, nadat verdachte(en) de huissleutels van [slachtoffer] hadden weggenomen en/of
- [slachtoffer] zijn simkaartje uit zijn telefoon laten halen zodat hij geen contact kon opnemen met anderen;
in de zaak met parketnummer 03-088566-23 (ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegd):
1.hij op of omstreeks 13 juli 2022 (in een woning aan de [locatie 2] te Hoensbroek) in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 10,2 (0,6 + 9,6) gram netto cocaïne, in elk geval een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, in elk geval (telkens) een (of meer) middel(len) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij in of omstreeks de periode van 1 april 2022 tot en met 13 juli 2022 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-282020-23 onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 03-088566-23 onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
in de zaak met parketnummer 03-282020-23:
1.hij in de periode van 17 oktober 2023 tot en met 18 oktober 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen een telefoon, geldbedragen en een motor, die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door aan voornoemde [slachtoffer]
- kenbaar te maken dat hij een vuurwapen heeft, en/of
- een vuurwapen te tonen, en/of
- de woorden toe te voegen “als je nu probeert te vluchten, schiet ik je neer”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
2.hij op 17 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van autopapieren en tenaamstellingcodes die aan die [slachtoffer] toebehoorden, door aan voornoemde [slachtoffer] de woorden toe te voegen “als je nu probeert te vluchten, schiet ik je neer”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
3.hij in de periode van 17 oktober 2023 tot en met 18 oktober 2023 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd gehouden, door die [slachtoffer] onder bedreiging met de woorden “als je nu probeert te vluchten schiet ik je neer” en/of “stel je probeert te vluchten uit je huis ik heb mensen staan die je in de gaten houden”
- met die [slachtoffer] in de auto is gaan rijden en
- naar de woning van voornoemde [slachtoffer] op het adres [locatie 1] is gereden en daar heeft verbleven en
- [slachtoffer] zijn simkaartje uit zijn telefoon laten halen zodat hij geen contact kon opnemen met anderen;
in de zaak met parketnummer 03-088566-23 (ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegd):
1.hij op 13 juli 2022 (in een woning aan de [locatie 2] te Hoensbroek) in de gemeente Heerlen opzettelijk aanwezig heeft gehad 10,2 (0,6 + 9,6) gram netto van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.hij in de periode van 27 april 2022 tot en met 18 mei 2022 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het in de zaak met parketnummer 03-282020-23 onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] – die op wezenlijke onderdelen wisselend heeft verklaard – niet voor het bewijs worden gebezigd. Het bewijs kan zelfstandig worden gedragen door de verklaring van aangever, de objectieve onderzoeksbevindingen en de overige verklaringen in het dossier. De verdachte had een vuurwapen, heeft een actieve rol gespeeld in het daarmee bedreigen van aangever, hield aangever in de gaten en heeft de buit veiliggesteld en deels meegenomen. Daarmee heeft de verdachte een actieve rol gespeeld in het geheel en heeft zich op geen enkel moment teruggetrokken uit de situatie, terwijl daar wel alle gelegenheid toe was. Aldus heeft de verdachte niet alleen maar een ondergeschikte rol gespeeld en derhalve is sprake van het medeplegen van de tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 03-282020-23 onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde. Daartoe is in de kern aangevoerd dat er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n). Er was immers geen sprake van een vooropgezet plan en de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] daaromtrent kunnen niet worden gebezigd tot het bewijs, nu zij over nagenoeg elke gebeurtenis – zowel op essentiële als ondergeschikte punten – tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd die aantoonbaar leugenachtig zijn. De enkele omstandigheid dat de verdachte op enig moment op de hoogte was van de diefstal, afpersing en wederrechtelijke vrijheidsberoving en niet heeft ingegrepen is onvoldoende om van medeplegen te kunnen spreken. De eenmalige opmerking die de verdachte jegens [slachtoffer] heeft geuit, inhoudende dat er wat met [slachtoffer] zou gebeuren als hij zou proberen te vluchten, heeft geen wezenlijke bijdrage aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving geleverd, ook niet in combinatie met de wetenschap van het delict en zijn kortstondige nabijheid daarbij. Hooguit kan het handelen van de verdachte worden gekwalificeerd als medeplichtigheid, hetgeen niet aan hem ten laste is gelegd.
Het oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
Op 17 oktober 2023 heeft de verdachte zich op enig moment bij medeverdachte [medeverdachte 1] gevoegd, terwijl aangever [slachtoffer] door toedoen van [medeverdachte 1] reeds in de kofferbak van zijn eigen auto, een Audi, lag. De verdachte is door [medeverdachte 1] vrijwel direct in kennis gesteld van de omstandigheid dat die [slachtoffer] zich in de kofferbak van de auto bevond en hij heeft vervolgens in die auto plaatsgenomen. De verdachte had een vuurwapen bij zich. Toen [slachtoffer] in de kofferbak lag heeft de verdachte hem vanuit de auto op enig moment toegesproken en gezegd dat hij duizend euro bij hem kwam halen voor het ongemak. Toen [slachtoffer] daarop antwoordde “Ja is goed” heeft de verdachte hieraan toegevoegd: “Mooi. Dan mag je dadelijk eruit.”
Enige tijd later is [slachtoffer] door de verdachte uit de kofferbak gelaten, waarna [slachtoffer] plaats moest nemen op de achterbank van zijn auto. Met zijn drieën zijn zij vervolgens naar een geldautomaat gereden, waarna [slachtoffer] in het bijzijn van [medeverdachte 1] € 500,00 en € 750,00 heeft gepind. [medeverdachte 1] heeft het contante geld in haar beha gestopt. De verdachte bevond zich tijdens het pinnen van de geldbedragen in de auto.
Na het pinnen moest [slachtoffer] weer in de auto stappen en zijn zij met zijn drieën naar de woning van [slachtoffer] in [plaats] gereden. Aangekomen bij de woning moest [slachtoffer] met de verdachte uitstappen om de papieren van zijn auto te pakken. De verdachte heeft toen tegen [slachtoffer] gezegd: “Als je nu probeert te vluchten, schiet ik je neer.” De verdachte maakte de voordeur van de woning van [slachtoffer] open met diens huissleutel, terwijl [medeverdachte 1] in de auto bleef zitten. [slachtoffer] heeft vervolgens aan de verdachte zijn autopapieren en tenaamstellingcodes afgegeven. Nadat de papieren waren overhandigd zijn zij weer weggereden met [slachtoffer] in de auto. Gedurende de rit zag [slachtoffer] vanaf de achterbank dat de verdachte een vuurwapen uit zijn buideltas pakte en de veiligheidspal erop deed.
Later die avond zijn zij weer bij de woning van [slachtoffer] aangekomen. De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] in zijn huis in de gaten moest houden toen [medeverdachte 1] even wegging. [slachtoffer] heeft die nacht in zijn eigen bed geslapen en de verdachte en [medeverdachte 1] sliepen samen in het logeerbed in de woning van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft de inhoud van zijn telefoon volledig moeten wissen en het simkaartje uit zijn telefoon moeten halen en aan hen moeten afgeven. Gedurende de nacht heeft de verdachte via WhatsApp contact gehad met medeverdachte [medeverdachte 2] over het weggenemen van bepaalde goederen van [slachtoffer] en over het leegmaken van de telefoon van [slachtoffer] .
Op 18 oktober 2023 heeft [slachtoffer] in zijn woning thuis gewerkt, terwijl de verdachte en [medeverdachte 1] met zijn autopapieren, telefoon, sleutels, bankpasjes en zijn auto zijn weggegaan. [medeverdachte 1] heeft tegen [slachtoffer] gezegd: “Stel je probeert te vluchten uit je huis, ik heb mensen staan die je in de gaten houden.” [medeverdachte 1] kwam pas in de middag terug bij [slachtoffer] in zijn woning met twee mannen, die onder meer de motor van [slachtoffer] hebben meegenomen. In de telefoon van de verdachte werd een afbeelding aangetroffen die met zijn telefoon gemaakt zou zijn op 18 oktober 2023 omstreeks 14.05 uur op de [locatie 3] in Heerlen, waarop de motor van [slachtoffer] is te zien. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook verklaard dat hij erbij was toen de motor van [slachtoffer] werd weggenomen.
Na zijn aanhouding heeft de verdachte bij de intakebalie van het cellencomplex van het politiebureau te Heerlen zich nog ontdaan van de bankpas en het rijbewijs van [slachtoffer] , alsmede het kentekenbewijs van de Audi, door deze tussen de meubels van de intakebalie te stoppen.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte(n) is komen vast te staan. De bijdrage van de verdachte vanaf het moment dat hij bij medeverdachte [medeverdachte 1] plaatsnam in de auto is naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht geweest dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Die bijdrage van de verdachte bestond immers uit het meenemen van een vuurwapen, met die [slachtoffer] in de kofferbak en later op de achterbank te rijden, in de auto te wachten terwijl [slachtoffer] met [medeverdachte 1] geld van zijn rekening ging pinnen, tegen die [slachtoffer] te zeggen: “als je nu probeert te vluchten, schiet ik je neer”, [slachtoffer] onder voormelde bedreiging zijn autopapieren en tenaamstellingcodes af te laten geven, in de auto zijn wapen te tonen aan die [slachtoffer] , op die [slachtoffer] in zijn woning te letten zodat hij niet wegging, de inhoud van de telefoon van die [slachtoffer] te laten wissen en zijn simkaart af te laten geven, contact te hebben met een ander over het wegnemen van goederen van die [slachtoffer] en ervoor te zorgen dat een ander de motor van die [slachtoffer] kon wegnemen. Daarmee was de materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan de tenlastegelegde feiten van voldoende gewicht. Het hof acht het tenlastegelegde medeplegen dan ook bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 03-282020-23 onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Het in de zaak met parketnummer 03-282020-23 onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Het in de zaak met parketnummer 03-282020-23 onder feit 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden.
Het in de zaak met parketnummer 03-088566-23 onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het in de zaak met parketnummer 03-088566-23 onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte, rekening houdende met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de advocaat-generaal het hof verzocht om, evenals de rechtbank, aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van drie jaren en te bepalen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week voor iedere keer dat de verdachte de maatregel overtreedt met een totale duur van ten hoogste zes maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en heeft het hof verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de kleinere rol die de verdachte had ten opzichte van zijn medeverdachte, alsmede rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Verzocht is om de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te volgen en aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 03-282020-23 bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met bedreiging van geweld, het medeplegen van afpersing en het medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden. Het slachtoffer, [slachtoffer] , werd vastgehouden in de kofferbak van zijn eigen auto toen de verdachte zich bij zijn medeverdachte voegde. De verdachte is met die [slachtoffer] in de kofferbak en later op de achterbank in de auto gaan rijden, terwijl hij aan die [slachtoffer] een vuurwapen had getoond en hem onder meer bedreigde met de woorden “als je nu probeert te vluchten, schiet ik je neer”. Samen met zijn medeverdachte(n) heeft hij van die [slachtoffer] een telefoon, geldbedragen en een motor gestolen. Ook heeft hij samen met een ander [slachtoffer] afgeperst en hem gedwongen tot afgifte van zijn autopapieren en tenaamstellingcodes. De wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] heeft bijna 24 uur geduurd, eerst in de auto van [slachtoffer] en later in diens woning. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer en diens eigendomsrecht. Wederrechtelijke vrijheidsberovingen zoals de onderhavige zijn niet alleen extreem beangstigend voor het slachtoffer zelf, maar hebben ook een effect op het veiligheidsgevoel in de maatschappij.
Daarnaast is in de zaak met parketnummer 03-088566-23 bewezenverklaard dat de verdachte 10,2 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad en dat hij gedurende een periode van drie weken tezamen en in vereniging met een ander heeft gehandeld in cocaïne. De handel in verdovende middelen heeft, behalve gezondheidsrisico’s voor de gebruikers ervan, veel negatieve gevolgen voor de samenleving in zijn geheel. De handel gaat immers vaak gepaard met andere ernstige vormen van criminaliteit, zoals bedreiging met geweld, liquidaties en witwassen. Daardoor wordt de samenleving in ernstige mate ondermijnd. De verdachte heeft zich daar geen rekenschap van gegeven en heeft slechts gehandeld met het oog op zijn eigen financieel gewin.
Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 juni 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, waaronder voor een vermogensdelict. Uit voornoemd uittreksel blijkt tevens dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van de reclasseringsadviezen, meer in het bijzonder het meest recente reclasseringsadvies d.d. 26 januari 2025 opgemaakt door SVG Reclassering Limburg.
Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat zijn re-integratieverlof nog niet is begonnen wegens het ingestelde hoger beroep. Hij heeft binnen de Penitentiaire Inrichting veel cursussen gedaan en heeft ambulante behandeling om zijn jeugdtrauma’s te verwerken. De verdachte heeft daarnaast diverse medische klachten, waaronder bijwerkingen door een chemokuur, een auto-immuunziekte en een onregelmatige hartslag. Ten slotte heeft de verdachte verklaard goed contact te hebben met zijn zoontje en dat hij na zijn detentie bij zijn moeder kan wonen.
Het hof is van oordeel dat in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke straf die vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden passend en geboden. Gelet op de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf ziet het hof geen mogelijkheid om aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen, zoals door de verdediging is verzocht en door de reclassering is geadviseerd.
Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof evenmin aanleiding om aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer] , gelet op de omstandigheid dat de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel al twee jaren geldt en het hof verlenging van deze maatregel niet langer opportuun acht. De door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel ex 38v van het Wetboek van Strafrecht zal derhalve worden opgeheven.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. In gevallen waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeerde, moet de zaak telkens binnen zestien maanden worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Het hof stelt vast dat de verdachte in de zaak met parketnummer 03-088566-23 op 13 juli 2022 in verzekering is gesteld en de dag daarna op 14 juli 2022 is heengezonden. In de zaak met parketnummer 03-282020-23 is de verdachte op 24 oktober 2023 in verzekering gesteld en zit hij sindsdien in voorarrest. De rechtbank heeft in deze zaken vonnis gewezen op 29 oktober 2024. Derhalve is in de zaak met parketnummer 03-088566-23 niet binnen twee jaren na inverzekeringstelling vonnis gewezen en is de redelijke termijn in eerste aanleg in deze zaak met ruim drie maanden overschreden.
Namens de verdachte is op 12 november 2024 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 13 oktober 2026 – einduitspraak. Derhalve is niet binnen zestien maanden na het instellen van het hoger beroep eindarrest gewezen. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt daarmee ruim zeven maanden.
Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijdingen rechtvaardigen is het hof niet gebleken. Het hof zal de overschrijdingen van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal matigen met zes maanden. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof ten slotte bepalen dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.
Beslag
Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat in de zaak met parketnummer 03-282020-23 onder de verdachte lachgas in beslag is genomen en in de zaak met parketnummer 03-088566-23 een weegschaal, 10,2 gram verdovende middelen en een geldbedrag ter hoogte van € 445,00.
Verbeurdverklaring
Het inbeslaggenomen geldbedrag is vatbaar voor verbeurdverklaring nu het een voorwerp betreft dat aan de verdachte toebehoort en door middel van of uit de baten van het door de verdachte in de zaak met parketnummer 03-088566-23 onder feit 2 bewezenverklaarde is verkregen. De inbeslaggenomen weegschaal is tevens vatbaar voor verbeurdverklaring omdat het voorgaande feit met behulp van dit voorwerp is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Onttrekking aan het verkeer
Het hof zal de inbeslaggenomen verdovende middelen en lachgas onttrekken aan het verkeer. De verdovende middelen betreffen immers voorwerpen met betrekking tot welke het in de zaak met parketnummer 03-088566-23 onder feit 1 bewezenverklaarde is begaan, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Het in de zaak met parketnummer 03-282020-23 onder de verdachte inbeslaggenomen lachgas is tevens vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu het een voorwerp betreft dat aan de verdachte toebehoort en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit is aangetroffen en kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg, na vermeerdering van eis, een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 22.144,65, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit de volgende posten:
De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] integraal en hoofdelijk toegewezen tot het bedrag van € 22.144,65, bestaande uit € 12.144,65 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil.
De gemachtigde van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat de benadeelde partij de gehele vordering tot schadevergoeding in hoger beroep handhaaft.
De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het in de zaak met parketnummer 03-282020-23 onder feit 1, feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden.
Materiële schade Het hof stelt vast dat de gevorderde schade onder de posten i. (medische kosten ten behoeve van EMDR-therapie), ii. (reiskosten ten behoeve van EMDR-therapie) en vi. (eigen risico voor herstel auto) door de verdediging niet inhoudelijk zijn betwist en dat deze schadeposten voldoende zijn onderbouwd. Het hof zal deze gevorderde materiële posten derhalve toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 610,12.
Ten aanzien van de gevorderde posten onder iii., iv. en v. overweegt het hof als volgt.
De verdachte heeft als gevolg van onder meer de bewezenverklaarde wederrechtelijke vrijheidsberoving, die deels heeft plaatsgevonden in zijn eigen woning en waardoor hij angstgevoelens in zijn woning ervaarde, deze woning verkocht. Hij heeft daarvoor een tijd in de woning van zijn ouders verbleven en zijn inboedel opgeslagen in een opslagplaats. Bij de toelichting op de vordering tot schadevergoeding d.d. 14 juni 2024 en de aanvullende toelichting d.d. 14 oktober 2024 zijn zes facturen over de periode maart tot en met augustus 2024 gevoegd ten behoeve van deze opslagkosten van € 217,80 per maand en een factuur voor de opslagkosten voor een deel van de maand september 2024 van € 108,90. De verdachte heeft derhalve aan opslagkosten € 1.415,70 betaald. Post iv. is aldus toewijsbaar tot voormeld bedrag van € 1.415,70. De benadeelde zal in het overige deel van deze vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Het meergevorderde bedrag van € 1.306,80 heeft de benadeelde kennelijk abusievelijk meegenomen onder opslagkosten, maar het betreft hier verhuiskosten zoals hierna aan de orde zal komen.
Het hof acht voorts de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt voor de verhuizing van de inboedel van zijn voormalige woning naar de opslagplaats ad € 1.475,99 (factuur 29 februari 2024) en voor de verhuizing van de inboedel van de opslagplaats naar zijn nieuwe woning ad € 1.306,80 (factuur 30 september 2024) toewijsbaar, derhalve in totaal een bedrag van € 2.782,79. Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de gevorderde verhuiskosten onder post v., nu dat deel onvoldoende is onderbouwd en de Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten, waarnaar door de gemachtigde ter onderbouwing van de vordering is verwezen, in casu toepassing mist.
Daarnaast zal het hof de benadeelde partij tevens niet-ontvankelijk verklaren in de gevorderde kosten onder post iii. ten behoeve van de verkoop van zijn woning. Deze post betreft kosten ten behoeve van het plaatsen van een advertentie voor de betreffende woning en notariskosten in verband met het uitschrijven van de hypotheek. Het hof is van oordeel dat deze gevorderde kosten in een te ver verwijderd verband staan tot de bewezenverklaarde feiten.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (hierna ook te noemen: immateriële schade) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen.
De verdachte heeft met zijn handelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij. Uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding volgt dat de benadeelde als gevolg van de bewezenverklaarde feiten psychologische behandeling heeft ondergaan. Bij de benadeelde is een posttraumatische stressstoornis gediagnosticeerd die in remissie is en waarvoor de benadeelde EMDR-therapie heeft gevolgd. Naar het oordeel van het hof is derhalve sprake van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW.
Bij de begroting van de immateriële schade heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof heeft hierbij ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de begroting van schade als hier aan de orde. Daarbij heeft het hof aansluiting gezocht bij de categorie ‘meest ernstig’ bij bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal (art. 312 Sr) en/of afpersing (art. 317 Sr), onder meer gelet op de duur van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, het in de kofferbak van een auto moeten plaatsnemen en daarna de wederrechtelijke vrijheidsberoving in de eigen woning van de benadeelde, alsook de bedreiging met een vuurwapen en de omstandigheid dat het bewezenverklaarde in vereniging is gepleegd.
Het hof begroot de immateriële schade die aan de benadeelde partij als rechtstreekse schade door het bewezenverklaarde is toegebracht dan ook naar billijkheid op een bedrag van ten minste € 8.000,00. Ten aanzien van het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding is het hof onvoldoende in staat een afgewogen beslissing te geven over de gestelde schade die door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte zou zijn veroorzaakt. Het inwinnen van de benodigde informatie op dat punt zou tot een onevenredige belasting van het strafgeding leiden. Het hof zal daarom bepalen dat de vordering ten dele niet-ontvankelijk is en de benadeelde dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Conclusie
Aldus is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 12.808,61, bestaande uit € 4.808,61 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot voornoemd totaalbedrag toewijsbaar is.
Hoofdelijkheid mededader
Tot vergoeding van de schade zijn naast de verdachte ook zijn mededader(s) gehouden, te weten tot het bedrag dat in de zaak van deze mededader(s) als schadevergoeding is toegewezen. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor dit gedeelte van de schade. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor in zoverre zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. De materiële schade is op verschillende tijdstippen ontstaan. Voor wat betreft de materiële schade zal het hof uitgaan van de factuurdatum van de verhuiskosten naar de nieuwe woning van de benadeelde (30 september 2024) en voor wat betreft de immateriële schade van de laatste datum waarom het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden (18 oktober 2023). De schade wordt geacht op die data te zijn ontstaan.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het in de zaak met parketnummer 03-282020-23 onder feit 1, feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 12.808,61. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 12.808,61, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissementsparket Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijk opgelegde geldboete ter hoogte van € 300,00 subsidiair 6 dagen hechtenis, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 juni 2023 onder parketnummer 03-056167-23. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde geldboete dient te worden gelast, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 63, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen het in de zaak met parketnummer 03-088566-23 onder feit 2 tenlastegelegde tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, dan wel opzettelijk aanwezig hebben van een materiaal bevattende MDMA en/of GHB in of omstreeks de periode van 1 april 2022 tot en met 13 juli 2022 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland;
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-282020-23 onder feit 1, feit 2 en feit 3 en het in de zaak met parketnummer 03-088566-23 onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 03-282020-23 onder feit 1, feit 2 en feit 3 en het in de zaak met parketnummer 03-088566-23 onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, te weten een contactverbod;
verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 STK Weegschaal (omschrijving: PL2300-2022106919-G1524845, Myco);
- 445 EUR (omschrijving: PL2300-2022106919-G1524792, ibn 13-07-22);
beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 2 STK verdovende middelen (omschrijving: PL2300-2023166232-G1649007, Lachgas);
- 1 STK verdovende middelen (omschrijving: PL2300-2022106919-G1524799 - 0,6 gram);
- 1 STK verdovende middelen (omschrijving: PL2300-2022106919-G1524801 - 9,6 gram);
wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-282020-23 onder feit 1, feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 12.808,61 (twaalfduizend achthonderdacht euro en eenenzestig cent) bestaande uit € 4.808,61 (vierduizend achthonderdacht euro en eenenzestig cent) als vergoeding van materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte met zijn mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering ter zake van materiële schade;
bepaalt dat de vordering ten dele niet-ontvankelijk is ter zake van immateriële schade en dat de benadeelde partij het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-282020-23 onder feit 1, feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 12.808,61 (twaalfduizend achthonderdacht euro en eenenzestig cent) bestaande uit € 4.808,61 (vierduizend achthonderdacht euro en eenenzestig cent) aan materiële schadevergoeding en € 8.000,00 (achtduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 89 (negenentachtig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere in zoverre vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 september 2024 en van de immateriële schade op 18 oktober 2023;
beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 juni 2023 onder parketnummer 03-056167-23 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. S. Riemens, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. A.J.M. van Gink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,
en op 13 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.