ECLI:NL:GHDHA:2026:3072

ECLI:NL:GHDHA:2026:3072

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 16-10-2026
Zaaknummer BK-25/757
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2025:21575

Samenvatting

Naheffingsaanslag bpm. Vertrouwensbeginsel. Belanghebbende heeft aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur toezeggingen heeft gedaan of gedragingen heeft verricht waaruit belanghebbende mocht afleiden dat de Inspecteur er onvoorwaardelijk mee akkoord ging dat de naheffingsaanslag tot een bepaald bedrag werd verminderd. Hoger beroep gegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 14 oktober 2026

[X] B.V., te [Z] , belanghebbende,

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/757

in het geding tussen:

(gemachtigde: S.M. Bothof)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 september 2025, nummer SGR 23/8344.

Procesverloop

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 347 (de naheffingsaanslag).

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een bedrag aan griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft verweer gevoerd. Belanghebbende heeft op 1 september 2026 een nader stuk (pleitnota) ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 september 2026. De Inspecteur is verschenen. De gemachtigde van belanghebbende heeft aan de zitting deelgenomen via MS Teams, waarbij sprake was van een rechtstreekse beeld- en geluidsverbinding. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende heeft op 1 april 2022 op aangifte een bedrag van € 629 aan bpm voldaan voor de registratie van een Opel Corsa 1.2 GS Line Hatchback (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 22 december 2020.

Tot het dossier behoort de aankoopfactuur van 22 maart 2022. Belanghebbende heeft volgens deze factuur € 12.700 voor de auto betaald.

In de aangifte heeft belanghebbende de te betalen bpm berekend op basis van

een taxatierapport van [naam taxateur] B.V. (het taxatierapport). De taxatie van de auto

heeft op 11 februari 2022 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 28 maart 2022

opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op

€ 24.046 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 10.691 (koerslijst XRAY

rental). De taxateur heeft een bedrag van € 4.452 (72% van de gecalculeerde reparatiekosten (afgerond) € 6.183) als schade in aanmerking genomen, alsmede een bedrag van € 1.069 (10% van € 10.691) wegens schadeverleden in aanmerking genomen en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 5.170 vastgesteld. In de aangifte is belanghebbende uitgegaan van een CO2-uitstoot van 124 g/km WLTP.

De RDW heeft de auto op 31 maart 2022 gekeurd voor gebruik op de weg. Daarbij

heeft de RDW de CO2-uitstoot vastgesteld op 137 g/km WLTP.

De Inspecteur heeft met dagtekening 4 november 2022 een naheffingsaanslag bpm

ten bedrage van € 347 aan belanghebbende opgelegd, waarbij de Inspecteur is uitgegaan van de door de RDW vastgestelde CO2-uitstoot van 137 g/km WLTP. Voor het overige heeft de Inspecteur de aangifte gevolgd.

De Inspecteur heeft op 25 april 2024 in eerste aanleg een verweerschrift ingediend. In dit verweerschrift staat, voor zover van belang:

“4.3 Is de historische nieuwprijs juist?

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de gehanteerde historische nieuwprijs niet correct is; deze is volgens belanghebbende te laag vastgesteld.

De historische nieuwprijs is van belang voor de bepaling van de hoogte van de afschrijving, en dus voor de vermindering als bedoeld in artikel 10, lid 1 Wet bpm.

Op basis van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1703) wordt de historische nieuwprijs bepaald door de catalogusprijs + btw + bpm, waarbij de bpm berekend wordt op basis van de CO2-uitstoot van het in te schrijven voertuig. In onderhavig geval houdt dit in dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag een verkeerde historische nieuwprijs als uitgangspunt is genomen.

Door aanpassing van de historische nieuwprijs en uitgaande van een handelsinkoopwaarde van € 17.451 wordt de verschuldigde bpm € 915. Op aangifte is een bedrag van € 629 betaald, zodat de naheffingsaanslag tot € 286 dient te worden verminderd.

Voor de berekening wil ik verwijzen naar bijlage 11.

5. Conclusie

Het beroep is enkel gegrond op basis van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 inzake de historische nieuwprijs.

6. Proceskostenvergoeding

Belanghebbende heeft recht op vergoeding van de proceskosten. Daarbij wijs ik er op dat de uitspraak op bezwaar (afdoeningsmoment), gelegen is vóór 1 januari 2024 zodat de voor die datum geldende wet- en regelgeving van toepassing is bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.”

De Inspecteur heeft in een nader stuk van 25 augustus 2025 in eerste aanleg een beroep op interne compensatie gedaan. De Rechtbank heeft dit verzoek in de uitspraak gehonoreerd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“CO2-uitstoot

7. De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geval voor het vaststellen van de

CO2-uitstoot van de auto dient te worden uitgegaan van de uitstoot vastgesteld volgens de

WLTP meetmethode. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

8. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto's

en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm) wordt de belasting voor een personenauto bepaald aan

de hand van de CO2-uitstoot van die auto. De voor de heffing van Bpm relevante CO2-

uitstoot kan op grond van artikel 9. dertiende lid, van de Wet Bpm alleen worden bewezen

met de bewijsmiddelen genoemd in artikel 6a van de Uitvoeringsregeling belasting van

personenauto's en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling). Op grond van artikel 6a,

eerste lid en tweede lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling geldt daarbij als

uitgangspunt dat de omvang van de CO2-uitstoot blijkt uit het kentekenregister. Als de

omvang van de CO2-uitstoot niet uit het kentekenregister blijkt dan kan de omvang van de

CO2-uitstoot blijken uit de voor de auto verleende typegoedkeuring, bedoeld in artikel 22

van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw), dan wel het door de fabrikant ter zake afgegeven

certificaat van overeenstemming (CVO).

9. Vaststaat dat de RDW de CO2-uitstoot heeft vastgesteld op 137 gr/km WLTP en

dat deze waarde ook in het kentekenregister is opgenomen. Alsdan heeft die waarde als

uitgangspunt te gelden (zie hiervoor onder 8). De rechtbank vindt geen aanleiding om te

twijfelen aan de juistheid van de door de RDW bepaalde CO2-uitstoot. Eiseres heeft met

wat zij heeft aangevoerd en overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat de RDW de CO2-

uitstoot van de auto onjuist heeft vastgesteld. Nu de gegevens uit het kentekenregister

leidend zijn, is verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag terecht uitgegaan van

een CO2-uitstoot van 137 gr/km WLTP.

Historische nieuwprijs

10. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de historische nieuwprijs van de

auto te laag is vastgesteld, dat deze € 25.657 bedraagt en dat dit in beginsel leidt tot een

vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 286.

Beroep op interne compensatie

11. Verweerder doet in verband met voornoemde vermindering een beroep op interne

compensatie. Daartoe stelt verweerder - kort gezegd - dat het taxatierapport wegens diverse

formele- en materiële gebreken niet kan dienen om de waarde dan wel de (omvang van de)

schade van de auto te bepalen, en dat, nu er evenmin een adequate koerslijst beschikbaar is,

ook geen gebruik kan worden gemaakt van de koerslijstmethode. De verschuldigde Bpm

had daarom aan de hand van de forfaitaire tabel moeten worden vastgesteld, hetgeen

meebrengt dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is, aldus verweerder.

12. Gelet op de door verweerder aangedragen formele- en materiele gebreken van het

taxatierapport kan het taxatierapport van eiseres niet dienen voor de vaststelling van de

verschuldigde Bpm. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat in het

taxatierapport zonder nadere toelichting een niet nader onderbouwde stelpost van € 1.069

wegens huurverleden in mindering is gebracht en dat ook zonder nadere toelichting van een

koerslijst voor een ex-rental voertuig is uitgegaan, die ook nog onjuist is ingevuld wat

betreft de opties. Ook is niet duidelijk hoe er in het taxatierapport is omgegaan met

(normale) gebruikersschade. Daarnaast acht de rechtbank het opmerkelijk dat de auto slechts

een handelsinkoopwaarde van € 5.170 zou hebben, terwijl eiseres, een professionele

autohandelaar, de auto voor€ 12.700 heeft gekocht. Eiseres heeft voor dit verschil geen

verklaring gegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de reële waardedaling van de

auto en dus ook de vermindering van de Bpm niet kunnen worden vastgesteld op basis van

het taxatierapport.

13. Verweerder bepleit vervolgens terecht dat het gebruik van de taxatiemethode na

verwerping van het taxatierapport niet langer mogelijk is. [1] Immers, er is met het verwerpen

van het taxatierapport van eiseres geen taxatierapport van de auto meer voorhanden. Alsdan

kan de taxatiemethode ook niet (meer) worden toegepast en moet, naar verweerder ook stelt,

in beginsel worden teruggevallen op de koerslijstmethode of de forfaitaire

afschrijvingstabel.

14. Voor toepassing van de koerslijstmethode is, naar verweerder terecht stelt, vereist

dat er een adequate (complete) uitdraai van een juiste koerslijst tot de gedingstukken

behoort. Daarvan is hier geen sprake. Immers, er is enkel een koerslijst voorhanden van een

ex-rental voertuig, terwijl door eiseres, op wie ook in dit verband de bewijslast rust, niet

eens een begin van bewijs geleverd dat de auto een dergelijk ex-rental voertuig - dat wil

zeggen een voertuig met een dusdanig huurverleden dat dit tot een blijvende

waardevermindering leidt - is. Nu een juiste koerslijst (van een niet ex-rental voertuig)

ontbreekt, kan ook de koerslijstmethode niet worden toegepast.

15. Gelet op het vorenstaande kan van de koerslijstmethode geen gebruik worden

gemaakt. Dit betekent dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat in dit geval de

verschuldigde Bpm dient te worden berekend aan de hand van de forfaitaire tabel. Eiseres

heeft voor dat geval niet weersproken dat toepassing van de forfaitaire tabel leidt tot een

hogere naheffingsaanslag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag

niet te hoog is vastgesteld.

16. Eiseres heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat, gelet op de uitlatingen van

verweerder in het verweerschrift over de vermindering van de naheffingsaanslag, de door

verweerder in het nader stuk en ter zitting voorgestane interne compensatie in strijd is met

het vertrouwensbeginsel.

17. Uit het verweerschrift maakt de rechtbank op dat verweerder een duidelijk,

ondubbelzinnig standpunt heeft ingenomen met betrekking tot het geschilpunt over de

historische nieuwprijs. Daaraan is de bewuste conclusie ‘vermindering van de

naheffingsaanslag' verbonden. De (tegemoetkomende) standpuntinname van verweerder in

het verweerschrift heeft hij nadrukkelijk beperkt tot het geschilpunt over de historische

nieuwprijs. Het strekt naar het oordeel van de rechtbank dan te ver om daarin ook een

toezegging/standpuntbepaling te mogen/kunnen lezen met betrekking tot andere elementen

van de heffingsgrondslag/de naheffingsaanslag, zoals bijvoorbeeld de in aanmerking te

nemen schade. Met de uitlatingen in het verweerschrift is naar het oordeel van de rechtbank

dan ook geen sprake van een uitdrukkelijk en ondubbelzinnig prijsgeven van (een)

standpunt(en) door verweerder met betrekking tot de overige elementen van de

heffingsgrondslag/de naheffingsaanslag, waardoor verweerder zijn mogelijkheid om zich te

beroepen op interne compensatie zou hebben prijsgegeven. Eiseres heeft de uitlating in het

verweerschrift redelijkerwijs ook niet zo kunnen of mogen opvatten. De mededeling dat 'de

naheffingsaanslag tot €286 dient te worden verminderd’, maakt ook niet dat de

standpuntinname van verweerder breder kan worden getrokken, juist omdat deze conclusie

zo specifiek is gekoppeld aan het bewuste standpunt over de historische nieuwprijs. Onder

deze omstandigheden staat het verweerder vrij om - binnen de grenzen van de goede

procesorde - lopende de beroepsprocedure nieuwe geschilpunten op te werpen en/of nieuwe

standpunten in te nemen. Die grenzen heeft verweerder met zijn beroep op interne

compensatie naar het oordeel van de rechtbank niet overschreden. Gelet op dit alles faalt het

beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel.

Conclusie

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht en naar het

juiste bedrag opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

Immateriële schade

19. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 11 december 2023 verzocht om een

vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een

vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een

belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een

periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt

beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het

bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op

9 november 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 23 september 2025 uitspraak. De

redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, tien maanden.

20. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen

aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 [2] heeft De Hoge Raad geoordeeld dat in gevallen

waarbij het financiële belang bij een procedure minder bedraagt dan € 1.000 en de redelijke

termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, kan worden volstaan met de

constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Deze regel geldt niet voor zaken

waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van

immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de

redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger

beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden. Nu op de datum van het

arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 de redelijke termijn nog niet was verstreken en

het financiële belang in deze procedure minder dan € 1.000 bedraagt, volstaat de rechtbank

met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Proceskosten

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

[1] Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, p. 31, alsook Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.5 en Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.1.

[2] ECLI:NL:HR:2024:853”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In hoger beroep is uitsluitend in geschil of het vertrouwensbeginsel is geschonden.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 286. Voorts verzoekt belanghebbende vergoeding van de proceskosten in hoger beroep, beroep en bezwaar.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte het beroep op interne compensatie van de Inspecteur heeft gehonoreerd. Volgens belanghebbende is het beroep op interne compensatie in strijd met het vertrouwensbeginsel. Nu de Inspecteur in zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft toegezegd dat de naheffingsaanslag tot € 286 dient te worden verminderd en dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding, kan volgens belanghebbende niet in een later stadium alsnog een beroep op interne compensatie worden gedaan, laat staan dat dat kan worden gehonoreerd.

Belanghebbende heeft aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur toezeggingen heeft gedaan of gedragingen heeft verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden mocht afleiden dat de Inspecteur er onvoorwaardelijk mee akkoord ging dat de naheffingsaanslag tot € 286 zou worden verminderd (vgl. HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, BNB 2020/120, en HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439, BNB 2021/95). Uit het verweerschrift in eerste aanleg blijkt dat de Inspecteur uitdrukkelijk en ondubbelzinnig het standpunt heeft ingenomen dat de naheffingsaanslag tot € 286 dient te worden verminderd. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de Inspecteur geen enkel voorbehoud heeft opgenomen ten aanzien van de vermindering van de naheffingsaanslag en dat de aanvulling op het verweerschrift, waarin de Inspecteur het beroep op interne compensatie heeft opgenomen en waarin hij voor het eerst kanttekeningen bij (de geldigheid van) het taxatierapport plaatst, en waar hij zijn beroep op interne compensatie op baseert, pas vier maanden later is ingediend. Dat de Inspecteur in het verweerschrift uitsluitend een standpunt zou hebben ingenomen over de historische nieuwprijs, zoals de Inspecteur ter zitting van het Hof heeft aangevoerd, is gelet op de duidelijke conclusie in het verweerschrift ten aanzien van de naheffingsaanslag niet juist. Dit klemt te meer nu de Inspecteur in het verweerschrift ook onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig heeft geconcludeerd dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding. Een uitkomst waarin de naheffingsaanslag tot een hoger bedrag dan € 286 wordt vastgesteld is dan ook in strijd met het vertrouwensbeginsel. Gelet hierop komt de Inspecteur geen beroep op interne compensatie toe voor zover dit tot een hogere naheffingsaanslag leidt dan € 286.

Het standpunt van de Inspecteur dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen omdat belanghebbende, een ervaren autohandelaar, wist of moest weten dat zij te weinig bpm op aangifte voldeed, volgt het Hof niet. De Inspecteur beschikte bij het schrijven van het verweerschrift over alle benodigde informatie en heeft daarin toen kennelijk geen aanleiding gezien om (met een verwijzing naar volgens hem bij het taxatierapport te plaatsen kanttekeningen) een beroep op interne compensatie te doen. Het is niet zo dat belanghebbende informatie heeft achtergehouden of de Inspecteur informatie heeft verstrekt waarvan pas later is gebleken dat deze onjuist of vals is. De Inspecteur, ook ervaren in de beoordeling van taxatierapporten, had het standpunt over interne compensatie eerder kunnen en moeten innemen. Met zijn handelwijze heeft de Inspecteur belanghebbende lange tijd in de waan gelaten dat niet langer in geschil was dat het beroep gegrond zou worden verklaard, dat de naheffingsaanslag zou worden verminderd en dat een proceskostenvergoeding zou worden toegekend. De Inspecteur heeft dit beeld niet tijdig gecorrigeerd, zodat hij daarvan de consequenties moet dragen.

Slotsom

Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten

Er bestaat aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten wegens beroepsmatig verleende bijstand vast op € 5.068 (€ 1.332 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorgesprek) à € 666 x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)).

Voorts dient de Inspecteur aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 944 (€ 365 en € 579) te vergoeden.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof:

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.M.D.A. Reijs en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.

De griffier, de voorzitter,

E.J. Nederveen A. van Dongen

De beslissing is op 14 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand