Verplichting tot betaling aan de Staat
Conservatoir beslag
De verdediging heeft verder aangevoerd dat, door de verkoop van de in beslag genomen voertuigen van betrokkene voor een lager bedrag dan waarvoor deze voertuigen zijn meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, er sprake is van een financieel nadeel voor betrokkene ter grootte van € 113.006,-.n In verband hiermee heeft de verdediging het hof verzocht gebruik te maken van zijn matigingsbevoegdheid, te weten door de verplichting tot betaling aan de Staat te verminderen.
Naar het oordeel van het hof ligt het handelen van het Openbaar Ministerie ten aanzien van zaken en vermogensrechten waarop conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering rust niet ter beoordeling voor aan de rechter die de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel behandelt. Daarvoor staan andere procedures open.
Het hof gaat daarom niet over tot matiging in verband met deze kwestie.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, in hoger beroep fors is overschreden.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindbeslissing binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Tussen het moment van het instellen van hoger beroep op 1 augustus 2017 en de uitspraak in hoger beroep op 26 oktober 2026 zijn in totaal bijna 9 jaren en 3 maanden verstreken. Dit is een overschrijding van ruim 7 jaren.
Het hof zal de betalingsverplichting verminderen, nu het hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn is geschonden. Het hof zal de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom niet opleggen gelijk aan het hiervoor vermelde bedrag waarop het als wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat. In het specifieke geval van de onderhavige zaak ziet het hof aanleiding om het bedrag van de betalingsverplichting te verminderen met 10%.
Draagkracht
Het hof is tot slot van oordeel dat thans niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene geen draagkracht heeft en dat redelijkerwijs te verwachten is dat hij in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen.
Het hof stelt daarom de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 810.588,47.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast zoals het gold op het moment van het wijzen van deze beslissing.
BESLISSING
Het hof:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 900.653,85 (negenhonderdduizend zeshonderddrieënvijftig euro en vijfentachtig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 810.588,47 (achthonderdtienduizend vijfhonderdachtentachtig euro en zevenenveertig cent)
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Corthals, mr. M.J. Ouweneel en mr. I. Augusteijn, in aanwezigheid van de griffier mr. M.A.J.H. Muurmans en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 26 oktober 2026.