Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 21 juni 2023 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14,3 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer 43,57 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of ongeveer 2042,24 gram, in elk geval een hoeveelheid meer dan 30 gram voorgedraaide joints bevattende hennep/hasjiesj, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd vanwege proceseconomische redenen.
Gevoerde verweren
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van onrechtmatig binnentreden, zodat niet gesproken kan worden van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek en bewijsuitsluiting niet aan de orde is.
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het binnentreden in het pand [adres 2] onrechtmatig is geweest, zodat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek en de onderzoeksresultaten die naar aanleiding van het binnentreden zijn verkregen moeten worden uitgesloten van het bewijs. Subsidiair verzoekt de verdediging een hoeveelheid van 32 kg hennep bewezen te verklaren in plaats van een hoeveelheid van 43,57 kg, omdat op basis van het dossier niet duidelijk is geworden wat er precies is gewogen.
Uit het dossier komen de volgende feiten en omstandigheden naar voren.
Naar aanleiding van een anonieme melding op 13 april 2023 is door de politie onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij in het pand [adres 2] . Dit onderzoek heeft geen aanwijzingen voor strafbare feiten opgeleverd. Dit is gemeld bij de gemeente Haarlemmermeer. Geruime tijd later, op 21 juni 2023, zijn toezichthouders van de gemeente, vergezeld van onder meer de politie en de inspecteur van de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, het pand binnengegaan in het kader van een integrale bestuurlijke controle op gebruik van het pand overeenkomstig het bestemmingsplan. Toen vervolgens de verdenking van een strafbaar feit ontstond is de situatie bevroren. De officier van justitie is toen ingeschakeld waarna op grond van de Opiumwet een doorzoeking van het pand door de politie heeft plaatsgevonden. Daarbij zijnde verdovende middelen aangetroffen.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 5:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent aan gemeentelijke toezichthouders de bevoegdheid toe plaatsen te betreden ter uitoefening van diens zelfstandige, toezichthoudende taak. De toezichthouders hebben deze bevoegdheid in dit geval ingezet op de gronden, bevoegdheden en aanleiding zoals deze zijn omschreven in de proces-verbaal van de bestuurlijke rapportage. De toezichthouders hebben vervolgens handelingen verricht die passen binnen de aan hen toegekende bevoegdheden voor het verrichten van een integrale controle. Het hof ziet geen aanleiding om aan te nemen dat wat is weergegeven in dit proces-verbaal niet klopt of dat er heimelijk ongeoorloofde bijbedoelingen waren bij de controle. Het is een legitiem belang van de gemeente dat bedrijfs- en andere panden overeenkomstig het bestemmingsplan worden gebruikt. Dat de ervaring leert dat er een gerede kans bestaat dat er bij controles van bedrijfspanden regelmatig ook strafbare feiten worden geconstateerd, doet daaraan niet af. De bestrijding van illegale en brandgevaarlijke situaties is evengoed een legitiem belang van de gemeente. Het samenwerken daarin met onder andere de politie bij de integrale controle acht het hof eveneens legitiem, onder meer omdat artikel 5:15 lid 2 Awb daarin uitdrukkelijk voorziet, mits evenredig. Er was in dit geval geen reden om aan te nemen dat al sprake was van de verdenking van een strafbaar feit ten aanzien van het gebruik van de bedrijfsruimte en dat er dus al sprake was een opsporingsonderzoek naar de verdachte, dan wel van gebruik van een bevoegdheid voor een ander doel dan waarvoor deze is bedoeld
Het hof komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat het optreden van de gemeente ambtenaren, met de politie als sterke arm, rechtmatig is geweest. Er is dan ook geen sprake van enig onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek, zodat geen aanleiding bestaat voor bewijsuitsluiting.
Het hof overweegt ten aanzien van het subsidiair gevoerde standpunt dat het hof bij de bewezenverklaring uitgaat van een hoeveelheid van (ten minste) 32 kg hennep, in ieder geval een (strafbare) hoeveelheid van meer dan 30 gram.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 21 juni 2023 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14,3 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en ongeveer 32 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en ongeveer 2042,24 gram, in elk geval een hoeveelheid meer dan 30 gram voorgedraaide joints bevattende hennep/hasjiesj, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw van de verdachte heeft, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, primair verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Hiertoe heeft zij gewezen op meerdere uitspraken waarin het gedoogbeleid rondom coffeeshops een rol speelde en geen straf of maatregel werd opgelegd. Subsidiair heeft zij verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen en rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid softdrugs. Het hof gaat er op basis van de door de verdediging overgelegde stukken ten aanzien van de bedrijfsvoering en organisatie en inrichting van de coffeeshop, die was gericht op naleving van de gedoogvoorwaarden, en dat wat overigens ter terechtzitting is aangevoerd, van uit dat de aangetroffen verdovende middelen dienden ter bevoorrading van de (legale) coffeeshop van de zoon van de verdachte. De verdachte werkte in de bewezenverklaarde periode als bedrijfsleider in deze coffeeshop.
Volgens het Nederlandse gedoogbeleid wordt tegen het aanwezig hebben van een handelsvoorraad softdrugs in een gedoogde coffeeshop niet strafrechtelijk opgetreden, mits deze voorraad niet meer bedraagt dan 500 gram. Vanwege het relatief beperkte aantal coffeeshops en de aanhoudend grote vraag naar softdrugs staat deze laatste regel inmiddels in zoverre los van de werkelijkheid, dat, gelet op de hoeveelheid softdrugs die er bij een reguliere coffeeshop aan de voordeur uit gaat, evident is dat er aan de achterdeur moet worden geput uit een handelsvoorraad die veel groter is dan 500 gram. Dit is bij alle betrokken geledingen van de overheidsorganen bekend, ook bij de met opsporing en vervolging belaste autoriteiten. Deze zogeheten achterdeurproblematiek kenmerkt zich door de paradoxale situatie waarin de exploitant van een bestuurlijk gedoogde coffeeshop strafbaar is voor het (elders) aanwezig hebben van een voorraad van meer dan 500 gram, welke voorraad voor een behoorlijke bedrijfsvoering evident noodzakelijk is.
Het hof is van oordeel dat sprake is van een strafbaar feit dat rechtstreeks verband houdt met de (legale) bedrijfsvoering van de coffeeshop. De verdachte kan zich daar, omdat hij in dienst was van de coffeeshop in de functie van bedrijfsleider, ook op beroepen. Dat zijn functie ‘noodzakelijkerwijs’ betekende dat hij strafbare feiten pleegde disculpeert hem niet, maar kleurt de feiten wel. Het hof betrekt daar ook bij dat de verdachte openheid van zaken heeft gegeven over de bedrijfsvoering van de coffeeshop. Zo heeft de verdachte uitgelegd dat zijn zoon als houder/eigenaar van de coffeeshop de handelsvoorraad niet onder zich kan houden, omdat dat - in geval van ontdekking - bestuursrechtelijke gevolgen zou kunnen hebben voor het behouden van de vergunning voor de coffeeshop.
Het hof is tegen deze achtergrond van oordeel dat met strafoplegging voor het door de verdachte begane strafbare feit in deze geen redelijk doel is gediend. Het hof acht het aangewezen te bepalen dat, met toepassing van artikel 9a Sr, geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.F. Groos, mr. A.W.T. Klappe en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van
mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 juni 2026.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.