GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.350.773/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/737170/ HA ZA 23-690
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 oktober 2026
in de zaak van
1. DPG MEDIA B.V.,
2. MEDIAHUIS NEDERLAND B.V.,
3. MEDIAHUIS NRC B.V.,
alle gevestigd te Amsterdam,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker te Amsterdam,
tegen
KNOWLEDGE EXCHANGE B.V. (handelend onder de naam HowardsHome),
gevestigd te Oosterhout,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. Chr.A. Alberdingk Thijm te Amsterdam.
Partijen worden hierna de Uitgevers en HowardsHome genoemd. De Uitgevers worden afzonderlijk DPG, Mediahuis en NRC genoemd.
1. De zaak in het kort
HowardsHome heeft een digitale signaleringsdienst van nieuwsberichten aangeboden. Zij haalde de informatie voor haar signaleringen uit zogeheten RSS-feeds van nieuwsberichten van onder meer de Uitgevers, die op internet beschikbaar waren. HowardsHome nam in haar signaleringen een hyperlink op naar het relevante bericht en daarbij horende kop, een korte beschrijving en (indien publiek beschikbaar) een kleine afbeelding. De Uitgevers menen dat HowardsHome hiermee inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht, het databankenrecht en het persuitgeversrecht. De rechtbank heeft de vorderingen van de Uitgevers afgewezen. Het hof oordeelt dat HowardsHome inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht en het persuitgeversrecht, en vernietigt het vonnis. De tegenvordering die HowardsHome in hoger beroep heeft ingesteld, wijst het hof af.
2. Het geding in hoger beroep
De Uitgevers zijn bij dagvaarding van 22 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 30 oktober 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de Uitgevers als eisers in conventie, verweerders in voorwaardelijke reconventie en HowardsHome als gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, alsmede houdende wijziging eis, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens akte uitlating eiswijziging.
Op 19 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun zaak laten toelichten. De Uitgevers door mrs. D.J.G. Visser en P.J. Kreijger, advocaten te Amsterdam. HowardsHome door hun advocaat en door mrs. D.N.D. Guerrero Obando en B.J. van Eijk, advocaten te Amsterdam. Zij hebben dit allen gedaan aan de hand van spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd. Bij deze gelegenheid hebben partijen de volgende stukken in het geding gebracht:
- productie 33 van de Uitgevers (proceskosten);
- akte verduidelijking eis, tevens houdende overlegging producties van HowardsHome;
- productie 65 van HowardsHome (proceskosten).
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Tussen partijen staat het volgende vast.
DPG is een Europees mediabedrijf dat actief is op het gebied van nieuwsmedia, waaronder dagbladen (AD, de Volkskrant, Trouw, Het Parool en diverse regionale dagbladen), huis-aan-huisbladen, tijdschriften, radio (QMusic), onlinediensten en het digitale nieuws- en actualiteitenplatform nu.nl. Deze media hebben websites en apps. Voor DPG gaat het in deze zaak in het bijzonder om de volgende websites:
landelijk: www.volkskrant.nl, www.trouw.nl, www.parool.nl, www.ad.nl, www.nu.nl, www.sportnieuws.nl, www.deondernemer.nl;
regionaal (naast regionale pagina's op www.ad.nl): www.bndestem.nl, www.pzc.nl, www.tubantia.nl, www.gelderlander.nl, www.destentor.nl, www.ed.nl, www.bd.nl.
Mediahuis en NRC zijn onderdeel van de Mediahuis-groep, een Europees mediabedrijf dat actief is op het gebied van nieuwsmedia. De Mediahuis-groep is in Nederland, via Mediahuis en NRC, de uitgever van de landelijke dagbladen De Telegraaf en NRC en van diverse regionale dagbladen. Bij deze dagbladtitels horen websites en apps. Voor Mediahuis gaat het in deze zaak in het bijzonder om de volgende websites:
landelijk: www.telegraaf.nl,
regionaal: www.gooieneemlander.nl, www.noordhollandsdagblad.nl, www.haarlemsdagblad.nl, www.leidschdagblad.nl, www.ijmuidercourant.nl.
Voor NRC gaat het in deze zaak in het bijzonder om haar website www.nrc.nl.
HowardsHome bood sinds 2001 aan circa 60 klanten onder de naam “Howardshome nieuws” een digitale signaleringsdienst van nieuwsberichten aan. Zij heeft per 1 oktober 2024 haar activiteiten gestaakt. De klanten bestonden uit publieke instellingen, private ondernemingen, brancheorganisaties en uitgevers. De informatie voor haar signaleringen haalde HowardsHome voornamelijk uit de op internet beschikbare RSS (Really Simple Syndication)-feeds van nieuwsberichten van onder meer de Uitgevers. Een RSS-feed bevat informatie over een artikel in een gestandaardiseerde weergave. Zo bevat een RSS-Feed onder ander de volgende informatie: 1. de titel (ook wel: kop) van een artikel, 2. datum en tijd van het artikel, 3. de link naar het artikel, 4. een kort fragment van het artikel, 5. de link naar het bijbehorende beeldmateriaal.
HowardsHome heeft de volgende RSS-feed als voorbeeld van een artikel uit NRC overgelegd.
(afbeelding 1)
Iedere dag verwerkte HowardsHome circa 30.000 nieuwe signaleringen. HowardsHome nam in haar signaleringen een hyperlink naar het relevante bericht op, inclusief de kop, een korte beschrijving (samen ook wel ‘snippet’ genoemd) en indien publiek beschikbaar een thumbnail (een kleine afbeelding). HowardsHome plaatste de signaleringen in een digitaal portaal. Dit portaal bood de klanten van HowardsHome de mogelijkheid tot filtering en sortering naar eigen inzicht van de verzamelde nieuwsberichten op onder andere onderwerp, datum en trefwoorden. Als het portaal werd aangeklikt verscheen een chronologische lijst met nieuwsberichten over het geselecteerde onderwerp. Daaronder bevonden zich ook nieuwsberichten afkomstig van de Uitgevers. De klanten van HowardsHome konden die nieuwsoverzichten integreren in hun eigen digitale omgeving. Ook konden ze de content delen in een nieuwsbrief. Daarnaast bood HowardsHome aan haar klanten een interface (“API”) aan, waarmee zij naar eigen inzicht konden zoeken door de content die HowardsHome verzamelde en opsloeg.
De Uitgevers hebben het volgende voorbeeld uit 2023 overgelegd van het digitale portaal van HowardsHome:
(afbeelding 2)
Vanaf 2024 zijn de signaleringen op de volgende wijze door HowardsHome in haar digitale portaal opgenomen:
(afbeelding 3)
LexisNexis is onderdeel van het Amerikaanse RELX-concern (het voormalige Reed Elsevierconcern). LexisNexis beheert een database (Nexis.com) die toegang geeft tot content uit ruim 200 landelijke en regionale kranten en tienduizenden internationaal gerenommeerde nieuwsbronnen en zakelijke bronnen. Daarnaast beheert LexisNexis een kleine uitgeverij.
Tot 31 december 2019 werd in de hier aan de orde zijnde nieuwsmarkt de zogeheten "CLIP-regeling" gehanteerd. CLIP voerde namens de aangesloten uitgevers een collectieve regeling voor zakelijk hergebruik van content uit, waarbij zakelijke gebruikers vergoedingen konden afdragen voor het gebruik van artikelen in knipselkranten, vroeger op papier, nadien veelal digitaal en vervaardigd door externe dienstverleners op basis van een individuele licentie dan wel een licentie van CLIP. CLIPs licentiemodel was gebaseerd op uitlevering van volledige artikelen aan gebruikers. CLIP heeft eind 2019 haar dienstverlening gestaakt.
Bij brief van 24 december 2019 heeft DPG aan haar relaties meegedeeld dat zij voor de grootzakelijke markt (Nederlandse bedrijven met meer dan 100 werknemers en overheden met meer dan 100.000 inwoners) voortaan alleen licenties voor haar content zal verstrekken via LexisNexis en dat het vanaf 1 januari 2020 niet meer mogelijk is DPG-content te gebruiken volgens de voorwaarden die golden binnen de CLIP-regeling.
Omstreeks februari 2020 heeft ook Mediahuis voor de grootzakelijke markt een exclusieve licentie aan LexisNexis verleend. NRC had dat al eerder gedaan. LexisNexis beschikte vanaf dat moment over alle relevante licenties van de Uitgevers.
Op 27 maart 2020 heeft HowardsHome een zogenoemde Alliance Agreement met LexisNexis gesloten. Op basis van deze overeenkomst mocht HowardsHome zogenoemde acces links, headlines, snippets en full tekst van de gelicentieerde content van de Uitgevers bij LexisNexis inkopen bij het ANP en integreren in haar eigen signaleringsberichten.
Op 16 december 2020 is ArtikelPro opgericht. ArtikelPro houdt een database bij met content (artikelen) van de aangesloten uitgevers die tegen betaling toegankelijk is voor zakelijke gebruikers. Met ingang van 1 januari 2021 verstrekt ArtikelPro voor de klein zakelijke markt (Nederlandse bedrijven met minder dan 100 werknemers en overheden met minder dan 100.000 inwoners) namens de Uitgevers licenties. De aandelen van ArtikelPro zijn gelijk verdeeld tussen DPG, Mediahuis en Media Info Holding. Die laatste partij, Media Info Holding, is een directe concurrent van HowardsHome.
Op 15 maart 2022 heeft LexisNexis eenzijdig de Alliance Agreement met HowardsHome opgezegd omdat HowardsHome zich volgens LexisNexis niet aan de voorwaarden van de Alliance Agreement zou houden en inbreuk maakte op de content van de Uitgevers, onder meer doordat HowardsHome aan haar klanten content van de Uitgevers leverde die niet via LexisNexis was verkregen maar afkomstig was van op internet beschikbare RSS-feeds of was verkregen door het ‘scrapen’ van de websites van de Uitgevers, zowel van voor als achter de paywall.
Bij brief van 23 juni 2022 hebben de Uitgevers aan HowardsHome meegedeeld dat HowardsHome met het grootschalig en geautomatiseerd doorzoeken van de nieuwstitels van de Uitgevers inbreuk maakt op het exclusieve openbaarmakingsrecht van de Uitgevers en dat de dienstverlening van HowardsHome de toestemming van de Uitgevers behoeft, die te verkrijgen is via LexisNexis dan wel ArtikelPro. Tevens hebben de Uitgevers in die brief van HowardsHome geëist dat iedere inbreuk op de rechten van de Uitgevers per direct wordt gestaakt, dan wel dat HowardsHome een licentie afneemt bij LexisNexis dan wel ArtikelPro.
Bij brief aan de Uitgevers van 18 juli 2022 (de brief vermeldt abusievelijk 2020) heeft HowardsHome betwist dat zij inbreuk maakt op de rechten van de Uitgevers en heeft HowardsHome niettemin aangedrongen op een compromis.
Op 8 september 2022 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen HowardsHome en vertegenwoordigers van Mediahuis en DPG waarin HowardsHome haar dienstverlening heeft toegelicht. Daarna heeft HowardsHome nog overleg met LexisNexis gehad. Een en ander heeft niet tot overeenstemming tussen partijen geleid.
4. Procedure bij de rechtbank
Partijen hebben in de procedure bij de rechtbank over en weer vorderingen tegen elkaar ingesteld.
De Uitgevers hebben gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. HowardsHome te bevelen om met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis te staken en gestaakt te houden het zonder toestemming van of namens DPG en/of NRC en/of Mediahuis (al naar gelang op wier rechten inbreuk wordt gemaakt):
a. verveelvoudigen en/of openbaar maken van tekst- en beeldwerken waarop de Uitgevers het auteursrecht hebben of ten aanzien waarvan zij dit kunnen inroepen, en/of
b. opvragen en/of hergebruiken van de inhoud van de door de Uitgevers beheerde websites (databanken in de zin van artikel 1 Databankenwet), en/of
c. reproduceren en/of het beschikbaar stellen voor het publiek voor online gebruik van de perspublicaties in de zin van artikel 7b Wet op de naburige rechten (Wnr) van de Uitgevers;
2. te verklaren voor recht dat HowardsHome door het zonder toestemming:
a. verveelvoudigen en/of openbaar maken van tekst- en beeldwerken waarop DPG, NRC en/of Mediahuis het auteursrecht hebben of ten aanzien waarvan zij dit kunnen inroepen, en/of
b. opvragen en/of hergebruiken van de inhoud van de door DPG, NRC en/of Mediahuis beheerde websites (databanken in de zin van artikel 1 Databankenwet), en/of
c. reproduceren en/of het beschikbaar stellen voor het publiek voor online gebruik van de perspublicaties in de zin van artikel 7b Wnr van DPG, NRC en/of Mediahuis
inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht en/of het databankenrecht en/of het persuitgeversrecht van (althans in rechte inroepbaar door) DPG, NRC en Mediahuis en daarmee onrechtmatig jegens ieder van hen gehandeld heeft, en HowardsHome gehouden is de als gevolg van deze inbreuken door ieder van hen geleden schade te vergoeden, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
3. HowardsHome te bevelen om uiterlijk binnen 30 dagen na betekening van het vonnis aan de advocaten van eiseressen schriftelijke en met bewijsstukken onderbouwde opgave te doen van alle inbreuken op het auteursrecht en/of het databankenrecht en/of het persuitgeversrecht van (althans in rechte inroepbaar door) DPG, NRC en Mediahuis, welke opgave in elk geval moet omvatten (a) vermelding van de artikelen en/of foto’s die HowardsHome geheel of gedeeltelijk heeft verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt (b) het aantal verveelvoudigingen en/of openbaarmakingen van
deze artikelen en/of foto's;
4. te bepalen dat HowardsHome een dwangsom van € 10.000, althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom, zal verbeuren voor elke afzonderlijke overtreding van het onder 1 en/of onder 3 gevorderde bevel, dan wel naar keuze van DPG, NRC en Mediahuis, voor elke dag of deel daarvan dat dat HowardsHome met de gehele of gedeeltelijke nakoming van het onder 1 en/of onder 3 gevorderde bevel in gebreke blijft,
5. HowardsHome overeenkomstig het bepaalde in artikel 1019h Rv te veroordelen in de proceskosten, met rente en nakosten.
De Uitgevers hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat HowardsHome met haar signaleringdienst onder de naam “Howardshome nieuws”, inbreuk maakt op intellectuele eigendomsrechten van (of inroepbaar door) de Uitgevers, namelijk op het auteursrecht, het databankenrecht en het persuitgeversrecht van de Uitgevers.
HowardsHome heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de Uitgevers met veroordeling van de Uitgevers in de proceskosten overeenkomstig artikel 1019h Rv, met rente en nakosten. HowardsHome heeft – voor het geval in conventie beslist zou worden dat het beroep van de Uitgevers op hun persuitgeversrecht, auteursrecht of databankenrecht slaagt – samengevat gevorderd dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad:
- de Uitgevers ieder voor zich beveelt om met HowardsHome in onderhandeling te treden teneinde haar een licentie te verstrekken voor (onderdelen van) haar dienstverlening, met toepassing van een aantal verder omschreven voorwaarden, onder verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Uitgevers in de proceskosten overeenkomstig artikel 1019h Rv, met rente en nakosten.
De Uitgevers hebben geconcludeerd tot afwijzing van deze vordering, met veroordeling van HowardsHome in de proceskosten, al dan niet overeenkomstig artikel 1019 Rv, met rente en nakosten.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat HowardsHome geen inbreuk heeft gemaakt op het persuitgeversrecht, auteursrecht of databankenrecht, heeft de vorderingen van de Uitgevers afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld.
5. Vorderingen in hoger beroep
De Uitgevers vorderen in het principaal hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzing van hun vorderingen met veroordeling van HowardsHome in de proceskosten van beide instanties op de voet van artikel 1019h Rv dan wel volgens het liquidatietarief.
HowardsHome concludeert in het principaal hoger beroep tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de Uitgevers in de proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv dan wel volgens het liquidatietarief.
HowardsHome heeft in hoger beroep haar eis gewijzigd. Zij heeft haar voorwaardelijke vordering niet gehandhaafd en vordert in plaats daarvan onvoorwaardelijk in incidenteel hoger beroep – uitvoerbaar bij voorraad – samengevat het volgende:
a. vernietiging van het bestreden vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling en veroordeling van de Uitgevers in de proceskosten voor een hoger bedrag aan proceskosten dan door de rechtbank toegewezen;
b. te verklaren voor recht dat de Uitgevers, ieder voor zich en/of gezamenlijk, onrechtmatig hebben gehandeld jegens HowardsHome en als gevolg daarvan aansprakelijk zijn voor de schade die HowardsHome heeft geleden, lijdt en nog zal lijden wegens de staking van haar dienstverlening;
c. de Uitgevers hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan HowardsHome van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente.
De Uitgevers hebben zich wat punt a. betreft gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voor het overige menen zij dat de eiswijziging buiten beschouwing moet blijven althans moet worden afgewezen, met veroordeling van HowardsHome in de proceskosten.
6. Beoordeling
In het principaal hoger beroep
De Uitgevers komen met zeven grieven op tegen het bestreden vonnis. Zij betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat HowardsHome geen inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht, het databankenrecht en het persuitgeversrecht. Het hof bespreekt deze onderwerpen hierna in die volgorde.
Auteursrecht
De Uitgevers leggen het volgende ten grondslag aan hun vorderingen die zijn gebaseerd op het auteursrecht. HowardsHome heeft voor haar signaleringsdienst gebruik gemaakt van nieuwsartikelen en foto’s, en de RSS-feeds daarvan die afkomstig zijn van de websites van de Uitgevers (dit alles hierna samen: de perspublicaties). Deze perspublicaties zijn auteursrechtelijk beschermde werken. De Uitgevers zijn ofwel de rechthebbende van de auteursrechten die op deze werken rusten, ofwel zijn zij gerechtigd zich op deze auteursrechten te beroepen. Dit geldt in elk geval voor het overgrote merendeel van de perspublicaties. HowardsHome heeft met haar handelswijze de perspublicaties verveelvoudigd en openbaar gemaakt, terwijl de Uitgevers daarvoor geen toestemming hadden gegeven. HowardsHome heeft de stellingen van de Uitgevers betwist. Zij heeft zich verder beroepen op een aantal wettelijke beperkingen van het auteursrecht: de nieuwsexceptie, de rapportage-exceptie, het citaatrecht en de tekst- en dataminingexceptie. Het hof bespreekt al deze onderwerpen hierna.
HowardsHome heeft zich verder beroepen op, wat zij noemt, de negatieve reflexwerking van het persuitgeversrecht op het auteursrecht. Dit houdt in dat perspublicaties die niet beschermd worden door het persuitgeversrecht, ook niet beschermd kunnen worden door het auteursrecht. De Uitgevers hebben er terecht op gewezen dat uit artikel 1 lid 2 van (verkort weergegeven) EU-Richtlijn 2019/790 inzake auteursrechten in de digitale markt (de DSM-richtlijn) blijkt dat een dergelijke negatieve reflexwerking niet bestaat, zodat alleen al daarom dit beroep van niet opgaat.
werken waarop de Uitgevers auteursrecht hebben of dat kunnen inroepen
Voor het beroep van de Uitgevers op het auteursrecht moet eerst worden vastgesteld of de perspublicaties auteursrechtelijk beschermde werken zijn en zo ja, of de Uitgevers de rechthebbenden zijn van deze auteursrechten dan wel gerechtigd zijn deze auteursrechten in te roepen.
Om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen, is vereist dat een werk een eigen intellectuele schepping van de maker van het werk is. Voor persartikelen schuilt de eigen intellectuele schepping van de maker in de regel in de vorm, de presentatie van het onderwerp en het taalgebruik. De afzonderlijke woorden van een persartikel vormen geen eigen intellectuele schepping van de maker. Enkel via de keuze, de schikking en de combinatie van deze woorden op een oorspronkelijke wijze kan de maker uitdrukking aan zijn creatieve geest geven en tot een resultaat komen dat een intellectuele schepping vormt (HvJ 16 juli 2009, C-5/08. ECLI:EU:C:2009:465, Infopaq 1). Deze zogeheten werktoets moet in beginsel voor ieder werk afzonderlijk worden uitgevoerd.
De Uitgevers hebben gemotiveerd toegelicht en met bewijsstukken onderbouwd, dat in het algemeen de perspublicaties een eigen intellectuele schepping van de maker vormen omdat de maker op oorspronkelijke wijze een keuze, schikking en combinatie van woorden heeft toegepast. HowardsHome heeft dat niet voldoende gemotiveerd betwist. HowardsHome heeft ook niet toegelicht dat zij voor haar signaleringsdienst uitsluitend of met name gebruik heeft gemaakt van perspublicaties die niet auteursrechtelijk zijn beschermd. Op zichzelf valt niet uit te sluiten dat, zoals HowardsHome wel heeft betoogd, niet alle perspublicaties aan de auteursrechtelijke werktoets voldoen. Gelet op de stellingen van de Uitgevers, de onvoldoende gemotiveerde betwisting daarvan en mede in aanmerking nemend dat perspublicaties in de regel tamelijk snel de drempel van de werktoets zullen halen, kan in deze procedure als vaststaand worden aangenomen dat het overgrote merendeel van de perspublicaties als auteursrechtelijk beschermd werk moet worden aangemerkt. Dat is voldoende voor de beoordeling van de vorderingen die de Uitgevers in deze procedure hebben ingesteld.
De Uitgevers hebben eveneens gemotiveerd toegelicht en met bewijsstukken onderbouwd dat zij de auteursrechthebbende zijn van de perspublicaties of, als zij dat niet zijn, dat zij door de rechthebbende zijn gemachtigd de auteursrechten in rechte geldend te maken. De Uitgevers hebben gesteld dat zij journalisten in loondienst hebben en dat zij op grond van artikel 7 Aw als maker van door deze journalisten vervaardigde werken hebben te gelden. HowardsHome heeft dit, mede gelet op de nadere toelichting die de Uitgevers in hun spreekaantekeningen in eerste aanleg hebben gegeven, onvoldoende gemotiveerd weersproken. De Uitgevers hebben verder gesteld dat zij op grond van de overeenkomsten die zij met freelance journalisten hebben gesloten, gerechtigd zijn op eigen naam op te treden tegen een inbreuk op de auteursrechten die rusten op door die journalisten vervaardigde perspublicaties. HowardsHome heeft dat onweersproken gelaten. De Uitgevers hebben daarnaast gemotiveerd toegelicht dat perspublicaties zijn opgenomen in kranten en dat zij degenen zijn onder wier leiding en toezicht de krant tot stand komt. De Uitgevers kunnen voor deze perspublicaties aanspraak maken op het zogeheten verzamelauteursrecht van artikel 5 lid 1 Aw. De Uitgevers hebben ten slotte terecht aangevoerd dat voor zover bij een perspublicatie geen maker is vermeld, zij op grond van artikel 9 Aw de daarop rustende auteursrecht kunnen uitoefenen. Uit het voorgaande volgt dat in deze procedure als vaststaand kan worden aangenomen dat de Uitgevers voor het overgrote merendeel van de perspublicaties de daarop rustende auteursrechten kunnen uitoefenen. Mogelijk zijn er perspublicaties waarvoor dat niet geldt, maar die mogelijkheid staat niet in de weg aan de beoordeling van de vorderingen van de Uitgevers in deze procedure.
verveelvoudigen/openbaarmaken
Volgens de Uitgevers ging het door HowardsHome ten behoeve van haar signaleringsdienst gehanteerde procedé gepaard met het digitaal reproduceren van de perspublicaties of delen daarvan. De Uitgevers stellen dat HowardsHome daarmee de perspublicaties heeft verveelvoudigd in de zin van artikel 2 Richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (de Auteursrechtrichtlijn) en artikel 13 Aw.
HowardsHome betwist niet dat zij de perspublicaties verveelvoudigde. Volgens haar gaat het echter niet om een inbreukmakende verveelvoudiging omdat zij dit tijdelijk en rechtmatig deed. HowardsHome beroept zich op artikel 5 Auteursrechtrichtlijn en artikel 13a Aw waaruit volgt dat de tijdelijke reproductie van een beschermd werk geen inbreukmakende verveelvoudiging vormt. HowardsHome licht dit als volgt toe. Onderdeel van de dienstverlening van HowardsHome was het maken van een tijdelijke reproductie. HowardsHome maakte ten behoeve van haar platform een tijdelijke kopie van de relevante perspublicatie die zij opsloeg in een database of op eigen servers. Zij las de publicaties slechts tijdelijk uit in de browser. Deze tijdelijke reproductie was noodzakelijk om te voorkomen dat er dubbele signaleringen in de portal zouden staan en was dus functioneel van aard.
Een beroep op artikel 13a Aw is slechts mogelijk indien voldaan is aan een aantal voorwaarden. Een van die voorwaarden is dat de tijdelijke reproductie geen zelfstandige economische waarde bezit. Dat is het geval als daarmee geen extra winst kan worden gemaakt die boven op de winst komt die uit het rechtmatige gebruik van het beschermde werk wordt gehaald (HvJ 17 januari 2012, C-302/10, ECLI:EU:C:2012:16, Infopaq II). De werkwijze van HowardsHome voldoet niet aan deze voorwaarde. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de reproductie die HowardsHome maakte, de kern vormde van haar dienstverlening. Het zijn de reproducties die HowardsHome tegen betaling aanbood als signaleringen aan haar klanten. De reproducties hebben daarmee zelfstandige economische waarde. HowardsHome kan zich alleen al daarom niet met succes beroepen op artikel 13a Aw.
Het hof onderschrijft verder het oordeel van de rechtbank dat HowardsHome de tekst en thumbnails uit de perspublicaties, die onderdeel uitmaken van haar signaleringen, openbaar heeft gemaakt in de zin van artikel 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn en artikel 12 Aw. De omstandigheid dat de perspublicaties al publiek toegankelijk zijn betekent, anders dan HowardsHome aanvoert, niet dat haar signaleringen niet als een openbaarmaking kunnen worden aangemerkt. Deze signaleringen omvatten onder meer de kop en delen van de perspublicaties en thumbnails, waarmee door HowardsHome – in niet te verwaarlozen omvang – auteursrechtelijk beschermde trekken van de perspublicaties zijn overgenomen. HowardsHome biedt haar klanten toegang tot deze signaleringen, zodat sprake is van een mededeling, en het plaatsen op een website van een auteursrechtelijk beschermd werk dat eerder met toestemming van de houder van een auteursrecht op een andere website is geplaatst, vormt een mededeling aan een nieuw publiek. In zo’n geval kan niet gezegd worden dat het auteursrecht door de eerdere plaatsing op de andere website is uitgeput (HvJ 7 augustus 2018, C-161/17, ECLl:EU:C:2018:634, Renckhoff).
De Uitgevers hebben geen grief aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de hyperlinks in de signaleringen van HowardsHome niet als een openbaarmaking aan een nieuw publiek kunnen worden beschouwd. Dit punt is dus niet aan de orde in dit hoger beroep.
tussenconclusie
Het hof komt evenals de rechtbank tot de volgende tussenconclusie. De perspublicaties zijn in het algemeen auteursrechtelijk beschermde werken waarvan de Uitgevers de auteursrechthebbende zijn of de auteursrechten kunnen inroepen. De signaleringen van HowardsHome vormden een verveelvoudiging en een openbaarmaking van de perspublicaties aan een nieuw publiek. HowardsHome had voor haar signaleringsdienst dus de toestemming van de Uitgevers nodig voor dit verveelvoudigen en openbaarmaken, tenzij zij met succes een beroep kan doen op een van de beperkingen op het auteursrecht. Dit bespreekt het hof hierna.
nieuwsexceptie en rapportage-exceptie
De rechtbank heeft het beroep van HowardsHome op de nieuwsexceptie (artikel 15 lid 1 aanhef en onder 1° Aw) en op de rapportage-exceptie (artikel 16a Aw) verworpen. Het hof onderschrijft deze oordelen en maakt die tot de zijne. Kort gezegd gaat het beroep van HowardsHome op de nieuwsexceptie niet op omdat HowardsHome geen persmedium is in de zin van artikel 15 Aw. Het beroep van HowardsHome op de rapportage-exceptie slaag niet omdat de signaleringsdienst van HowardsHome niet kan worden beschouwd als het maken van actuele reportages als bedoeld in artikel 16a Aw.
citaatrecht
Volgens HowardsHome maakte zij geen auteursrechtinbreuk omdat zij een beroep kan doen op het citaatrecht. Het hof verwerpt dat en licht dit als volgt toe.
Het citaatrecht is in de Auteurswet geregeld in artikel 15a en vormt een beperking op het auteursrecht. De Auteursrechtrichtlijn bevat in artikel 5 een – uitputtende, zie overweging (32) – opsomming van de beperkingen op het auteursrecht. Uit artikel 5 lid 3 sub d Auteursrechtrichtlijn volgt dat lidstaten het citeren ten behoeve van kritieken en recensies en voor soortgelijke doeleinden, als zo een beperking mogen stellen. Dit mag alleen indien aan in de bepaling genoemde voorwaarden is voldaan, waaronder de voorwaarde dat het citeren naar billijkheid geschiedt en door het bijzondere doel wordt gerechtvaardigd.
Het Hof van Justitie heeft in onder meer de arresten Pelham I (HvJ 29 juli 2019, C-476/17, ECLI:EU:C:2019:624) en Spiegel Online (HvJ 29 juli 2019, C-516/17, ECLI:EU:C:2019:16) uitleg gegeven aan het citaatrecht. In het arrest Pelham I zegt het Hof van Justitie dat de wezenlijke kenmerken van een citaat erin bestaan dat een gebruiker die niet de auteur van een werk is, dit werk of een passage eruit gebruikt ter illustratie van een uitlating of ter verdediging van een opvatting dan wel om een intellectuele confrontatie teweeg te brengen tussen dit werk en de uitlatingen van de gebruiker, waarbij de gebruiker de bedoeling moet hebben om de dialoog met dat werk aan te gaan. In het arrest Spiegel Online is onder meer bepaald dat de gebruiker van een beschermd werk die gebruik wil maken van de beperking voor het citeren, het geciteerde werk noodzakelijkerwijs in een rechtstreeks en nauw verband moet brengen met zijn eigen beschouwingen om zodoende de intellectuele confrontatie met andermans werk aan te kunnen gaan. Dit alles wordt ook wel aangeduid als het contextvereiste.
De Uitgevers hebben terecht aangevoerd dat de manier waarop HowardsHome de perspublicaties gebruikte niet in overeenstemming is met dit contextvereiste. HowardsHome gebruikte de perspublicaties niet in verband met eigen uitlatingen of opvattingen en ging daarmee ook geen dialoog aan. Voor HowardsHome waren de perspublicaties nu juist de kern van haar product. Dat product was de signaleringsdienst die HowardsHome exploiteerde. Deze dienst draaide om de signaleringen die HowardsHome samenstelde. Deze signaleringen waren gebaseerd op de perspublicaties en bevatten citaten daaruit. HowardsHome voegde daar zelf niets aan toe.
HowardsHome heeft een beroep gedaan op artikel 15a lid 2 Aw, dat bepaalt dat onder citeren mede wordt begrepen het citeren in de vorm van persoverzichten uit in een dag-, nieuws- of weekblad of tijdschrift verschenen artikelen. Zij heeft hierover aangevoerd dat ook een persoverzicht de vereiste context kan geven. Dit betoog kan haar niet baten. Het hof heeft hiervoor in rov. 6.14 al overwogen dat HowardsHome niet als een persmedium kan worden beschouwd en haar commerciële signaleringsdienst kan daarmee niet als een persoverzicht in de zin van artikel 15a lid 2 Aw worden aangemerkt. Los daarvan geldt dat artikel 15a lid 2 Aw onverlet laat dat het citeren alleen blijft toegestaan indien aan de daaraan geldende eisen is voldaan, zoals hiervoor overwogen in rov. 6.17. Een andere uitleg zou ook in strijd zijn met het gesloten stelsel van beperkingen in de Auteursrechtrichtlijn, die in artikel 5 lid 3 onder d het begrip “persoverzichten” niet noemt en voorziet in volledige harmonisatie. Zonder toelichting, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat de commerciële signaleringsdienst van HowardsHome een toelaatbare context (en dus een rechtvaardiging) vormde voor het citeren uit de perspublicaties, zoals HowardsHome dat deed in haar signaleringen. Die context kan in elk geval niet gevonden worden in de door HowardsHome dan wel haar gebruikers zelf gecreëerde onderwerpen waarop binnen de signaleringsdienst van HowardsHome kon worden gezocht. HowardsHome heeft er verder op gewezen dat artikel 15a lid 2 Aw eenzelfde strekking heeft als artikel 10 lid 1 Berner Conventie. Ook dit leidt niet tot een ander oordeel omdat dit er niet aan afdoet dat deze bepalingen moeten worden uitgelegd en toegepast binnen het hiervoor genoemde geharmoniseerde Europeesrechtelijk kader.
Hier komt bij dat de signaleringsdienst van HowardsHome ook niet voldoet aan de eis dat het citeren naar billijkheid geschiedt en door het bijzondere doel wordt gerechtvaardigd. De signaleringsdienst van HowardsHome bestond, voor zover het de perspublicaties betrof, in wezen uit niets anders dan citaten daaruit, gecombineerd met een zoekfunctie voor de gebruiker van de dienst. De signaleringsdienst concurreerde daarmee, in elk geval tot op zekere hoogte, met het aanbod van de Uitgevers. Gebruikers van de signaleringsdienst die kennis hadden genomen van een signalering, zouden daarmee kunnen denken voldoende over het onderwerp daarvan te zijn geïnformeerd zodat volledige kennisneming van de bijbehorende perspublicatie niet meer nodig zou zijn. Dit doet afbreuk aan de belangen van de Uitgevers. Daarmee voldoet het citeren door HowardsHome niet aan de eis van artikel 5 lid 3 sub d Auteursrechtrichtlijn dat het citeren naar billijkheid geschiedt en door het bijzondere doel wordt gerechtvaardigd.
tekst- en dataminingexceptie
HowardsHome beroept zich verder op de zogeheten tekst-en dataminingexceptie van artikel 15o Aw. Deze bepaling vormt de implementatie van artikel 4 DSM-richtlijn. Artikel 15o Aw geldt vanaf 7 juni 2021 (de laatste dag waarop de DSM-richtlijn moest worden geïmplementeerd). Ten aanzien van handelingen die HowardsHome voor deze datum heeft verricht, kan zij zich dus niet verweren met een beroep op de tekst- en dataminingexceptie.
Artikel 15o Aw bepaalt dat een reproductie in het kader van tekst- en datamining niet als inbreuk op het auteursrecht op een werk wordt beschouwd, mits degene die de tekst- en datamining verricht rechtmatig toegang heeft tot het werk, en het auteursrecht door de maker niet uitdrukkelijk op passende wijze is voorbehouden, zoals door middel van machinaal leesbare middelen bij een online ter beschikking gesteld werk. Een dergelijke reproductie mag worden bewaard zolang dit nodig is voor tekst- en datamining.
De Uitgevers hebben er terecht op gewezen dat de tekst- en dataminingexceptie alleen op reproductie ziet en niet op openbaarmaking. Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat HowardsHome de perspublicaties niet alleen heeft verveelvoudigd (gereproduceerd) maar ook openbaar heeft gemaakt. Alleen al hierom staat een beroep van HowardsHome op artikel 15o Aw niet in de weg aan toewijzing van de vorderingen van de Uitgevers wegens auteursrechtinbreuk.
Ook los daarvan kan het handelen van HowardsHome niet als toegestane tekst- en datamining worden aangemerkt. Tekst- en datamining is in artikel 25a lid 3 Aw gedefinieerd als een geautomatiseerde analysetechniek die gericht is op de ontleding van tekst en gegevens in digitale vorm om informatie te genereren zoals, maar niet uitsluitend, patronen, trends en onderlinge verbanden. HowardsHome richtte zich met haar signaleringsdienst op het selecteren van voor haar klanten geschikte nieuwsberichten. Zij genereerde op die manier, met gebruikmaking van de tekst en in voorkomend geval het fotomateriaal van de oorspronkelijke perspublicaties, signaleringen voor haar klanten. Dat soort werkzaamheden valt niet onder het gebruik van een analysetechniek in de hiervoor bedoelde zin.
Het hof ziet geen aanleiding het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van de regeling van het rechtenvoorbehoud in artikel 4 lid 3 DSM-richtlijn. De reden hiervoor is dat de vraag of de Uitgevers wel of geen adequaat rechtenvoorbehoud hebben gemaakt, geen rol speelt bij het hiervoor gegeven oordeel dat HowardsHome geen beroep toekomt op de tekst- en dataminingexceptie.
driestappentoets
Omdat HowardsHome zich niet met succes kan beroepen op een van de wettelijke beperkingen op het auteursrecht is het op zich niet nodig om in te gaan op het beroep dat de Uitgevers hebben gedaan op de driestappentoets van artikel 5 lid 5 Auteursrechtrichtlijn. Het hof overweegt ten overvloede dat het, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat het handelen van HowardsHome wel afbreuk doet aan de normale exploitatie van de perspublicaties en dat de belangen van de Uitgevers door dat handelen onredelijk worden geschaad. De rechtbank heeft de normale exploitatie van de Uitgevers omschreven als het op abonnement en in losse verkoop tegen betaling op papier en digitaal verstrekken van kranten en losse artikelen, en het op verzoek verkopen van losse artikelen langs digitale weg. Het hof acht die omschrijving te beperkt. De Uitgevers hebben terecht aangevoerd dat onder hun normale exploitatie ook valt het beschikbaar stellen van hun content voor zakelijk gebruik tegen betaling, waaronder aan commerciële dienstverleners, zoals MMO’s (media monitoring organisaties), PR-bureaus en andere dienstverleners, die voor hun zakelijke klanten informatie verzamelen, inventariseren en analyseren. De omstandigheid dat de Uitgevers deze afnemers niet rechtstreeks bedienen maar dat doen via partijen als LexisNexis en ArtikelPro maakt dit niet anders. Deze partijen bedienen de zakelijke afnemers op basis van licenties, die de Uitgevers hun tegen betaling hebben verstrekt. De Uitgevers hebben gesteld dat zij via LexisNexis en ArtikelPro jaarlijks aanzienlijke royalty’s ontvangen over de omzet die deze partijen genereren met de journalistieke content van de Uitgevers. HowardsHome heeft dit niet voldoende gemotiveerd betwist. Het bedienen van de zakelijke markt, zoals hiervoor omschreven, valt daarom ook onder de normale exploitatie van de Uitgevers.
Door het handelen van HowardsHome worden de belangen van de Uitgevers onredelijk geschaad. Partijen die eerst hebben betaald voor de content van de Uitgevers, zouden ervoor kunnen kiezen dat in de toekomst niet meer te doen, of alleen tegen een lagere vergoeding dan voorheen. De Uitgevers hebben onbetwist gesteld dat na het voor hen ongunstige vonnis van de rechtbank in deze zaak, zij hierover vragen heeft gekregen van LexisNexis en ArtikelPro, en dat verschillende partijen (MMO’s en hun klanten) zich op het standpunt hebben gesteld dat zij, net als HowardsHome, zonder betaling gebruik zouden moeten kunnen maken van de content van de Uitgevers.
slotsom auteursrecht
De slotsom is dat HowardsHome inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van, of inroepbaar door, de Uitgevers.
Databankenrecht
De Uitgevers leggen aan hun vorderingen gebaseerd op het databankenrecht ten grondslag dat hun websites c.q. alle content die daarop beschikbaar is (hierna kortweg: de websites), kwalificeren als databank in de zin van artikel 1 lid 1 sub a Dbw. De Uitgevers stellen dat zij de producent zijn van deze databanken en dat HowardsHome deze databanken geheel of voor een aanzienlijk deel ten behoeve van haar signaleringsdienst heeft opgevraagd en/of hergebruikt. HowardsHome heeft gemotiveerd betwist dat de websites kwalificeren als databanken in de zin van artikel 1 lid 1 sub a Dbw. Deze betwisting slaagt. Het hof licht dit als volgt toe.
Om te kunnen spreken van een onder het databankenrecht beschermde databank, is volgens artikel 1 lid 1 sub a Dbw vereist dat de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud van de databank in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering. Deze substantiële investering moet betrekking hebben op het tot stand brengen van de databank als zodanig. Het gaat om de middelen die worden aangewend om bestaande elementen te verkrijgen en in de databank te verzamelen, en om middelen die zien op de controle van de juistheid van de elementen en de presentatie daarvan. Het creëren van de elementen zelf die deel uit (gaan) maken van de databank valt er niet onder (HvJ 9 november 2004, C-203/02, ECLI:EU:C:2004:695, The British Horseracing Board). Dit betekent dat de investeringen van de Uitgevers in de content die op de websites beschikbaar wordt gesteld niet van belang zijn bij het vaststellen van de vereiste substantiële investering.
De Uitgevers hebben over de substantiële investeringen in hun websites naar voren gebracht dat zij veel aandacht, tijd en geld besteden aan het controleren, beheren, onderhouden en up-to-date houden van de websites, aan een content management systeem daarvoor, aan het zorgen dat de websites toegankelijk zijn en betrouwbaar en technisch adequaat functioneren, en aan de promotie, presentatie en lay-out van de websites. HowardsHome heeft, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, gemotiveerd betwist dat deze activiteiten als in kwalitatief of kwantitatief opzicht substantiële investeringen moeten worden aangemerkt. De Uitgevers hebben tegenover deze gemotiveerde betwisting geen nadere stellingen aangevoerd. Zij hebben bijvoorbeeld geen inzicht, ook niet bij benadering, gegeven in de omvang van de volgens hen gepleegde investeringen (in geld, tijd, moeite en/of energie) in de websites. De enkele stelling dat deze investeringen voor de hand liggen omdat het tegenwoordig in de media ‘digital first’ als uitgangspunt geldt, is hiervoor niet voldoende. De Uitgevers hebben daarmee niet voldaan aan hun stelplicht op het punt van de substantiële investeringen. Om die reden worden zij ook niet toegelaten tot bewijslevering hierover.
Dit leidt tot de slotsom dat in deze procedure niet kan worden aangenomen dat de websites als een databank in de zin van de Databankenwet hebben te gelden. Dat betekent dat de vorderingen van de Uitgevers voor zover gebaseerd op het databankenrecht niet toewijsbaar zijn.
Persuitgeversrecht
De Uitgevers beroepen zich verder op het persuitgeversrecht van artikel 7b Wnr. Dit artikel bepaalt dat de uitgever van een perspublicatie het uitsluitende recht heeft om toestemming te verlenen voor (a) het reproduceren en (b) het beschikbaar stellen voor het publiek, van zijn perspublicatie voor online gebruik door een dienstverlener van de informatiemaatschappij. Het persuitgeversrecht is ingevoerd per 7 juni 2021. De op dit recht gebaseerde vorderingen van de Uitgevers kunnen dus alleen zien op signaleringen van HowardsHome vanaf die datum.
De Uitgevers hebben toegelicht dat de nieuwsartikelen en foto’s die HowardsHome voor haar signaleringsdienst heeft gebruikt zijn aan te merken als perspublicaties in de zin van artikel 7b Wnr, waarvan zij de in dat artikel bedoelde uitgever zijn. Zij hebben verder aangevoerd dat HowardsHome als een dienstverlener van de informatiemaatschappij moet worden aangemerkt en dat HowardsHome via haar signaleringsdienst perspublicaties van de Uitgevers voor online gebruik heeft gereproduceerd en beschikbaar gesteld voor het publiek. HowardsHome heeft dit alles niet voldoende gemotiveerd betwist, zodat hier vanuit moet worden gegaan.
HowardsHome heeft wel gemotiveerd betwist dat zij inbreuk heeft gemaakt op het persuitgeversrecht van de Uitgevers. Zij beroept zich hiervoor op artikel 7b lid 2 Wnr, en met name om de daarin onder b. en c. genoemde handelingen. Artikel 7b lid 2 Wnr luidt voor zover van belang als volgt:
Het in het eerste lid bedoelde uitsluitende recht om toestemming te verlenen is niet van toepassing op een of meer van de volgende handelingen:
(…)
b. het hyperlinken naar een perspublicatie;
c. het gebruik van enkele woorden of heel korte fragmenten uit een perspublicatie; (…)
Tussen partijen staat vast dat HowardsHome in haar signaleringen hyperlinks heeft opgenomen die verwijzen naar perspublicaties. Het opnemen van een hyperlink naar perspublicaties die vrij toegankelijk, rechtmatig op internet beschikbaar zijn gesteld valt onder de hierboven genoemde categorie b. en is daarmee een handeling waarop het persuitgeversrecht niet van toepassing is. Dat is mogelijk anders voor een hyperlink naar een perspublicatie die achter een betaalmuur is geplaatst. Volgens de Uitgevers heeft HowardsHome in haar signaleringen ook dergelijke hyperlinks opgenomen. HowardsHome heeft dat gemotiveerd betwist en de Uitgevers hebben hier onvoldoende tegenover gesteld. Dit leidt tot de conclusie dat de hyperlinks naar perspublicaties die HowardsHome in haar signaleringen heeft opgenomen geen inbreuk maken op het persuitgeversrecht van de Uitgevers.
De volgende vraag is of de signaleringen van HowardsHome zijn te beschouwen als het gebruik van enkele woorden of heel korte fragmenten als bedoeld in artikel 7b lid 2 sub c Wnr. Indien (en voor zover) dat het geval is, moeten de signaleringen worden aangemerkt als handelingen die niet door het persuitgeversrecht worden bestreken.
Het hof gaat bij de beantwoording van deze vraag uit van het volgende. Sinds begin 2024 nam HowardsHome in haar signaleringen uit een perspublicatie maximaal 150 tekens over (zie ook de weergave in 3.7 hierboven) en mogelijk een thumbnail. Maximaal 150 tekens komt neer op circa 20 woorden. Zoals op de zitting in hoger beroep besproken, zijn hierbij de tekens/woorden van de kop van de perspublicatie (die ook in de signalering wordt vermeld) niet meegeteld. In oudere signaleringen nam HowardsHome, naast de mogelijke thumbnail, in de regel beduidend meer tekens/woorden over uit een perspublicatie (zie 3.6 hierboven).
Partijen twisten met name over de vraag of de signaleringen van HowardsHome sinds 2024 – die wat tekst betreft dus beperkt zijn tot maximaal 150 tekens, exclusief de kop – voldoen aan de eis van ‘enkele woorden of hele korte fragmenten’. Naar oordeel van het hof kan voor het antwoord op deze vraag niet een algemeen criterium worden gegeven, zoals een voor alle gevallen geldend maximaal aantal tekens of woorden. Of aan de eis is voldaan, moet in een concrete zaak worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval, (mede) gelet op het doel en de strekking van het persuitgeversrecht. Het hof overweegt daarover het volgende.
Het persuitgeversrecht van artikel 7b Wnr is de implementatie van artikel 15 DSM-richtlijn. Uit overweging (55) van de DSM-richtlijn blijkt dat het persuitgeversrecht is ingesteld om de duurzaamheid van het bedrijf van uitgevers van perspublicaties te garanderen. Daardoor wordt de beschikbaarheid van betrouwbare informatie bevorderd. Volgens overweging (54) is een vrije en pluralistische pers van essentieel belang voor de kwaliteit van de journalistiek en de toegang van burgers tot informatie. Zij levert, zo zegt de overweging, een fundamentele bijdrage tot het publieke debat en de goede werking van een democratische samenleving. De beperking op het persuitgeversrecht, inhoudende dat het gebruik van enkele woorden of korte fragmenten uit perspublicaties is toegestaan, wordt genoemd in overweging (58) van de DSM-richtlijn. Daar staat onder meer het volgende:
(…) Tegelijkertijd is het mogelijk dat het gebruik van afzonderlijke woorden of zeer korte fragmenten van perspublicaties door aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij de investeringen van uitgevers van perspublicaties in de productie van content niet ondermijnt. Daarom is het passend te bepalen dat het gebruik van afzonderlijke woorden of zeer korte fragmenten van perspublicaties niet onder het toepassingsgebied van de rechten van deze richtlijn dient te vallen. Aangezien aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij massaal perspublicaties aggregeren en gebruiken, is het belangrijk dat de uitsluiting van zeer korte fragmenten zodanig wordt geïnterpreteerd dat de doeltreffendheid van de in deze richtlijn bepaalde rechten niet wordt aangetast.
Hoewel de overweging dit niet met zoveel woorden zegt, moet worden aangenomen dat deze beperking (mede) verband houdt met het door artikel 10 EVRM en artikel 11 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde recht op informatievrijheid.
Uit het voorgaande volgt dat de uitleg van het begrip ‘enkele woorden of korte fragmenten’ in een concreet geval de doeltreffendheid van het persuitgeversrecht niet mag aangetasten. Een interpretatie die tot gevolg heeft dat daardoor de investeringen van uitgevers van perspublicaties in de productie van content worden ondermijnd, tast de doeltreffendheid van het persuitgeversrecht aan en is dus niet toelaatbaar.
Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat de signaleringen van HowardsHome, ook als zij beperkt waren tot maximaal 150 tekens (exclusief de kop), te groot van omvang waren om als ‘enkele woorden of korte fragmenten’ te worden beschouwd. De signaleringen waren van een zodanige omvang dat deze HowardsHome in staat stelden ze via haar signaleringsdienst tegen betaling aan haar klanten aan te bieden. Dit terwijl HowardsHome zelf niet betaalde voor de content van de Uitgevers (de perspublicaties) waarop haar signaleringen waren gebaseerd. Het hof heeft hiervoor in rov. 6.26 overwogen dat ook het bedienen van de zakelijke markt valt onder de normale exploitatie van de Uitgevers. Door het gebruik van signaleringen die een zodanige omvang hadden dat zij zich leenden voor commerciële exploitatie, ondermijnde HowardsHome het verdienmodel van de Uitgevers, in elk geval op de zakelijke markt. Daar komt bij dat gelet op de omvang van de signaleringen het publiek (c.q. gebruikers van een signaleringsdienst) na kennisneming daarvan zou(den) kunnen denken voldoende over het onderwerp te zijn geïnformeerd, en om die reden zou kunnen afzien van het (tegen betaling) afnemen van de desbetreffende volledige perspublicatie van de Uitgevers. Ook op deze manier werd het verdienmodel van de Uitgevers ondermijnd, althans bestond daarvoor minst genomen een voldoende concrete dreiging. De omstandigheid dat gebruikers van de signaleringsdienst van HowardsHome in bepaalde gevallen er wel voor zouden kiezen om (tegen betaling) kennis te nemen van de volledige perspublicatie, doet hier niet aan af.
HowardsHome kan de omvang van haar signaleringen niet rechtvaardigen met een verwijzing naar het hiervoor genoemde recht op informatievrijheid. Daarvoor zijn signaleringen van een dergelijke omvang niet nodig. Bovendien is niet gebleken dat het publiek zonder de signaleringen verstoken bleef van de informatie uit de perspublicaties. Integendeel: HowardsHome heeft zelf benadrukt dat haar signaleringen gebaseerd zijn op perspublicaties die beschikbaar waren op het gratis toegankelijke deel van de websites van de Uitgevers (‘voor de betaalmuur’). HowardsHome had bovendien de mogelijkheid om uitgebreide signaleringen aan te bieden maar heeft er zelf voor gekozen de hiervoor benodigde licenties niet af te nemen.
HowardsHome heeft betwist dat afbeeldingen of foto’s onder het beschermingsbereik van het persuitgeversrecht kunnen vallen. Die betwisting gaat niet op. Uit overweging (56) van de DSM-richtlijn blijkt dat perspublicaties ook foto’s kunnen bevatten. De omstandigheid dat een perspublicatie een thumbnail (een verkleind weergegeven foto) bevat, maakt het hiervoor gegeven oordeel niet anders. Het enkel verkleinen van een foto kan niet worden gezien als het gebruik van een heel kort fragment.
HowardsHome heeft ook gewezen op een opmerking in de Memorie van Toelichting bij artikel 7b Wnr, waarin staat dat het overnemen van een verkleind weergegeven foto kan vallen onder het citaatrecht en dan is toegestaan. HowardsHome heeft ook overigens een beroep gedaan op het in artikel 10 aanhef en onder b Wnr opgenomen citaatrecht. Het hof verwerpt dit beroep. Het heeft hiervoor al geoordeeld dat het beroep van HowardsHome op het auteursrechtelijk citaatrecht niet opgaat. Voor het citaatrecht van artikel 10 aanhef en onder b. Wnr geldt hetzelfde.
De slotsom van de overwegingen hiervoor is dat HowardsHome inbreuk heeft gemaakt op het persuitgeversrecht van de Uitgevers.
Overig
mededingingsrecht
HowardsHome heeft zich tegen de vorderingen van de Uitgevers verweerd met een beroep op het mededingingsrecht, dat erop neerkomt dat de Uitgevers misbruik hebben gemaakt van hun machtspositie op de Nederlandse (online)nieuwsmarkt. Het hof verwerpt dit beroep alleen al omdat HowardsHome niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht. Zij heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen om een voldoende adequaat en gefundeerd debat mogelijk te maken over onder meer een zorgvuldige marktafbakening, de relevante marktstructuur en -kenmerken, het daadwerkelijk functioneren van de relevante markt en van het effect daarop van de gestelde inbreuken (HR 21 december 2012, ECLl:NL:HR:2012:BX0345).
belangenafweging
Een afweging van belangen leidt niet tot afwijzing van de vorderingen van de Uitgevers. De intellectuele eigendomsrechten waarop HowardsHome inbreuk heeft gemaakt en het recht op een effectieve rechtelijke bescherming daarvan zijn fundamentele rechten, die algemene beginselen van unierecht vormen. Deze rechten wegen in deze zaak zwaarder dan het recht op vrijheid van ondernemerschap van HowardsHome en het recht op vrijheid om kennis te nemen en geven van informatie of ideeën. HowardsHome had ook zonder inbreuk op de rechten van de Uitgevers te maken een nieuwssignaleringsdienst kunnen opzetten, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de mogelijkheden de hiervoor benodigde licenties af te nemen. Dat een dergelijke nieuwssignaleringsdienst niet volledig zou hebben beantwoord aan hoe HowardsHome haar klanten wilde bedienen, is ondergeschikt aan het belang van de Uitgevers dat geen inbreuk wordt gemaakt op hun rechten. Voor zover HowardsHome zich in deze procedure al zou kunnen beroepen op het recht van haar klanten op vrijheid om kennis te nemen van informatie of ideeën, weegt dat recht in deze zaak minder zwaar dan de rechten van de Uitgevers. Het aan HowardsHome op te leggen verbod betekent immers niet dat deze klanten van dit recht verstoken blijven. Gebleken is dat er voldoende alternatieven beschikbaar zijn voor de dienst die HowardsHome aanbood.
Afronding
Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat HowardsHome inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten en de persuitgeversrechten van, of inroepbaar door, de Uitgevers. Het hof beoordeelt hierna in hoeverre de vorderingen van de Uitgevers kunnen worden toegewezen.
Tussen partijen is niet in geschil dat HowardsHome haar activiteiten met ingang van 1 oktober 2024 heeft gestaakt. HowardsHome heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat haar eigenaren/directeuren met pensioen zijn en er geen mogelijkheid is dat HowardsHome haar activiteiten opnieuw zal oppakken. De Uitgevers hebben niet voldoende concreet toegelicht dat er bij deze stand van zaken enige reële dreiging is dat HowardsHome in de toekomst inbreuk zal maken op hun rechten. Dat betekent dat de Uitgevers geen belang hebben bij het onder 1 gevorderde bevel tot staking van de inbreuk. De onder 2 gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar. De Uitgevers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat er een mogelijkheid is dat zij als gevolg van de in dit arrest aangenomen inbreuken schade hebben geleden. Het hof zal HowardsHome veroordelen de als gevolg van deze inbreuken door ieder van de Uitgevers geleden schade te vergoeden, en de zaak daarvoor naar de schadestaat verwijzen. De Uitgevers hebben verder voldoende toegelicht dat zij belang hebben bij de onder 3 gevorderde opgave, voor zover die ziet op de inbreuken op het auteursrecht en het persuitgeversrecht. HowardsHome heeft (als enig) verweer tegen deze vordering aangevoerd dat het doen van opgaven feitelijk onmogelijk is omdat zij niet over een archief beschikt. Het hof verwerpt dit verweer. HowardsHome heeft dit verweer niet onderbouwd en gelet op de stukken die HowardsHome zelf in deze procedure heeft overgelegd, moet aangenomen worden dat zij ten minste in staat moet zijn opgave te doen van een deel van de gepleegde inbreuken. Het hof voegt daaraan toe dat HowardsHome in elk geval vanaf het moment dat deze procedure aanhangig is gemaakt er rekening mee moest houden dat zij de gevorderde opgave zou moeten doen. Het hof zal de gevorderde dwangsom matigen en maximeren.
HowardsHome is in het principaal hoger beroep voornamelijk in het ongelijk gesteld en dient daarom de proceskosten daarvan en van het geding in eerste aanleg te dragen. De Uitgevers hebben gevorderd dat HowardsHome in de volledige proceskosten wordt veroordeeld op de voet van artikel 1019h Rv. Zij hebben een kostenspecificatie (met bijlagen) overgelegd, voor totaalbedragen van € 59.363,04 voor de eerste aanleg en € 85.878,80 voor het hoger beroep. HowardsHome heeft deze kostenopgaves niet betwist.
Het hof is van oordeel dat het geschil in principaal hoger beroep ziet op de handhaving van rechten van intellectuele eigendom, zodat artikel 1019h Rv van toepassing is. Dat geldt ook voor het geschil in eerste aanleg met uitzondering van de voorwaardelijke vorderingen van HowardsHome in eerste aanleg, die niet zijn behandeld en die in hoger beroep niet langer aan de orde zijn. Het hof zal de advocaatkosten voor het principaal hoger beroep en de eerste aanleg baseren op het (maximum) bedrag van de toepasselijke indicatietarieven voor een complexe bodemzaak. Omdat de vordering op een van de grondslagen niet toewijsbaar is, zal het hof uitgaan van 80% van die maximumbedragen. Deze bedragen moeten worden vermeerderd met de explootkosten en het griffierecht.
Het hof stelt de proceskosten in eerste aanleg als volgt vast:
- explootkosten € 106,73
- griffierecht € 676,00
- salaris advocaat € 32.000,00 (80% maximumtarief volgens indicatietarieven 2017)
Totaal € 32.782,73
Het hof stelt de proceskosten in principaal hoger beroep als volgt vast:
- explootkosten € 119,40
- griffierecht € 827,00
- salaris advocaat € 38.400,00 (80% maximumtarief volgens indicatietarieven 2026)
Totaal € 39.346,40
In het incidenteel hoger beroep
In het incidenteel hoger beroep heeft HowardsHome een grief aangevoerd over de omvang van de proceskosten die de rechtbank ten gunste van haar heeft uitgesproken. Gelet op de uitkomst van het principaal hoger beroep heeft HowardsHome geen belang bij de behandeling hiervan.
HowardsHome heeft in hoger beroep in de memorie van antwoord haar eis gewijzigd en de in 5.3 onder b. en c. genoemde vorderingen tegen de Uitgevers ingesteld. De Uitgevers voeren tevergeefs aan dat deze eiswijziging niet toelaatbaar is. Het stond HowardsHome vrij haar eis in hoger beroep te wijzigen. Zij heeft dat gedaan bij de eerste mogelijkheid die zij daarvoor in hoger beroep had. De omstandigheid dat de eiswijziging in de memorie van HowardsHome niet is behandeld onder het kopje ‘incidenteel appel’ en het petitum van de gewijzigde eis niet is opgenomen onder het kopje ‘conclusie’ staan aan toelating van de gewijzigde eis niet in de weg. De gewijzigde eis is voor de Uitgevers (en het hof) voldoende kenbaar uit de memorie van HowardsHome. De Uitgevers hebben die gewijzigde eis gelet op het daartegen gevoerde verweer als zodanig herkend. Het hof acht de eiswijziging ook niet in strijd met de eisen van een goede procesorde.
HowardsHome legt aan haar in hoger beroep gewijzigde eis kort gezegd het volgende ten grondslag. De Uitgevers hebben jarenlang doelbewust klanten van HowardsHome benaderd met de boodschap dat HowardsHome inbreuk maakt op de intellectuele eigendomsrechten van de Uitgevers. Dit gebeurde bij individuele klanten en via algemene berichtgeving. De Uitgevers hebben daarmee opzettelijk twijfel gezaaid over de rechtmatigheid van de dienstverlening van HowardsHome met geen ander oogmerk dan schade te berokkenen. De Uitgevers hebben een voortdurende laster- en intimidatiecampagne gevoerd die er uiteindelijk toe heeft geleid dat HowardsHome haar activiteiten heeft moeten staken. De Uitgevers hebben hiermee onrechtmatig jegens HowardsHome gehandeld en zijn aansprakelijk voor de schade die HowardsHome hierdoor heeft geleden.
Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat HowardsHome inbreuk heeft gemaakt op intellectuele eigendomsrechten van (of inroepbaar door) de Uitgevers. De Uitgevers waren alleen al daarom gerechtigd deze rechten te handhaven en derden, waaronder klanten van HowardsHome, daarover te benaderen. Niet gebleken is dat de Uitgevers bij hun mededelingen aan klanten van HowardsHome de grenzen van het betamelijke hebben overschreden. De mededelingen waarnaar HowardsHome in dit verband heeft verwezen, bieden geen steun voor de stelling dat de Uitgevers een voortdurende laster- en intimidatiecampagne tegen HowardsHome hebben gevoerd waarbij zij geen ander oogmerk hadden dan HowardsHome schade te berokken. Voor zover die mededelingen van de Uitgevers afkomstig zijn, gaat het om een beperkt aantal mededelingen aan een beperkt aantal klanten met een inhoud die niet als onrechtmatig kan worden bestempeld. Mededelingen door of namens de Uitgevers van na de dag waarop HowardsHome haar dienstverlening staakte, zijn niet relevant voor beoordeling van de onrechtmatige daad die HowardsHome aan haar vordering ten grondslag legt. Dit leidt tot de conclusie dat de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van HowardsHome worden afgewezen.
HowardsHome is in het incidenteel hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten daarvan. Het hof stelt deze proceskosten vast op € 1.290 (tarief II, 2 punten x 0,5) voor salaris.
In het principaal en het incidenteel hoger beroep
Bewijslevering en slotsom
Het hof ziet geen aanleiding om een van partijen toe te laten tot bewijslevering, omdat geen van hen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
Het principaal hoger beroep heeft gedeeltelijk succes. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van de Uitgevers zullen worden toegewezen op de wijze als hierna in het dictum vermeld. Het incidenteel hoger beroep heeft geen succes. De in hoger beroep gewijzigde vorderingen van HowardsHome kunnen niet worden toegewezen. Partijen hebben geen belang bij een afzonderlijke bespreking van hun grieven omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden. HowardsHome zal in het principaal en in het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld in de kosten.
7. Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:
verklaart voor recht dat HowardsHome door het zonder toestemming:
a. verveelvoudigen en/of openbaar maken van tekst- en beeldwerken waarop de Uitgevers het auteursrecht hebben of ten aanzien waarvan zij dit kunnen inroepen, en
b. reproduceren en/of het beschikbaar stellen voor het publiek voor online gebruik van de perspublicaties van de Uitgevers in de zin van artikel 7b Wnr,
inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht en het persuitgeversrecht van (althans in rechte inroepbaar door) de Uitgevers en daarmee onrechtmatig jegens ieder van hen gehandeld heeft, en veroordeelt HowardsHome de als gevolg van deze inbreuken door ieder van hen geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat;
beveelt HowardsHome om uiterlijk binnen 30 dagen na betekening van dit arrest aan de advocaten van de Uitgevers een schriftelijke en met bewijsstukken onderbouwde opgave te doen van alle inbreuken op het auteursrecht en het persuitgeversrecht van (althans in rechte inroepbaar door) de Uitgevers, welke opgave moet omvatten (a) vermelding van de artikelen en/of foto’s die HowardsHome geheel of gedeeltelijk heeft verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt (b) het aantal verveelvoudigingen en/of openbaarmakingen van deze artikelen en/of foto's;
veroordeelt HowardsHome tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.000 voor elke afzonderlijke overtreding van het onder 7.3 opgelegde bevel, dan wel naar keuze van de Uitgevers, voor elke dag of deel daarvan dat HowardsHome met de gehele of gedeeltelijke nakoming van het onder 7.3 opgelegde bevel in gebreke blijft, en bepaalt dat boven een bedrag van € 100.000 geen dwangsom wordt verbeurd;
veroordeelt HowardsHome in de kosten van het geding in eerste aanleg en van het principaal hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 32.782,73 voor de eerste aanleg en op € 39.346,40 voor het principaal hoger beroep;
wijst het door de Uitgevers meer of anders gevorderde af;
wijst de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van HowardsHome af;
veroordeelt HowardsHome in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot nu aan de zijde van de Uitgevers vastgesteld op € 1.290;
verklaart het onder 7.3 opgenomen bevel en de onder 7.4, 7.5 en 7.8 opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. K.A.J. Bisschop, D. Kingma en A.W.G. Artz en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.