ECLI:NL:CRVB:2026:1382

ECLI:NL:CRVB:2026:1382

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 15-10-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer 25/2002 ZW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Weigering ZW-uitkering toe te kennen omdat appellante geschikt wordt geacht voor haar eigen maatgevende arbeid. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

Uitspraak

SAMENVATTING

25/2002 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 augustus 2025, 25/1828 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Het parket Centrale verwerking Openbaar Ministerie (CVOM)

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante vanaf 24 oktober 2023 in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering. Volgens appellante was zij door haar (medische) beperkingen niet in staat om haar eigen werk te verrichten zodat zij recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv appellante terecht geen ZW-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Grijpstra, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. CVOM heeft als belanghebbende aan de procedure deelgenomen.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 september 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Grijpstra en [naam] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.R. van Piggelen. Namens CVOM is niemand verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerker [functie] bij CVOM. CVOM is eigenrisicodrager voor de Ziektewet (ZW). Appellante werd op [datum] 2023 op staande voet ontslagen. Appellante heeft zich hierop ziekgemeld. Uit het proces-verbaal van 6 februari 2024 van de schikking die appellante en de werkgever zijn overeengekomen in de procedure bij de kantonrechter, blijkt dat het ontslag op staande voet van [datum] 2023 is ingetrokken en het dienstverband van appellante op initiatief van de werkgever, maar met wederzijds goedvinden met ingang van [datum] 2023 is beëindigd.

CVOM heeft het Uwv verzocht om een besluit over de ZW-uitkering af te geven, omdat de bedrijfsarts appellante per 24 oktober 2023 geschikt acht voor haar eigen werk. Met een besluit van 4 juni 2024 heeft het Uwv geweigerd appellante per 24 oktober 2023 een ZW-uitkering toe te kennen.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 juni 2024. Bij besluit van 23 januari 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een arts bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek. Appellante is fysiek gezien tijdens het spreekuur door de arts bezwaar en beroep in opleiding tot verzekeringsarts (de arts) en er is medische informatie opgevraagd uit de curatieve sector en betrokken in de besluitvorming.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de arts in het rapport van 5 december 2024 is ingegaan op de lichamelijke en fysieke klachten van appellante. In het rapport heeft de arts gemotiveerd dat de ervaren psychische klachten op de beoordelingsdatum van 24 oktober 2023 niet kunnen leiden tot het niet kunnen functioneren in de maatstaf (haar eigen werk). Hij motiveert dit door te verwijzen naar medische informatie die gedateerd is rondom de beoordelingsdatum en medische informatie die gedateerd is enkele maanden na de beoordelingsdatum, tezamen met zijn bevindingen uit het afgenomen eigen onderzoek tijdens het spreekuur. Ten aanzien van de lichamelijke klachten heeft de arts gemotiveerd dat deze eveneens niet kunnen leiden tot het niet kunnen functioneren in het eigen werk. De rechtbank kan de motivering volgen. Dat appellante op zitting heeft verklaard dat zij recent een behandeling heeft moeten staken, vanwege haar ernstige medische situatie, kan worden afgeleid uit stukken van ver na de beoordelingsdatum. Om die reden kan deze informatie in deze procedure niet betrokken worden.

De rechtbank concludeert dat de arts in het rapport van 5 december 2024 begrijpelijk en concreet motiveert hoe hij tot de beoordeling is gekomen. De rechtbank kan het medisch oordeel volgen. Appellante heeft geen medische stukken ingebracht om hiermee het gemotiveerde standpunt van de arts te weerleggen. Appellante heeft dan ook onvoldoende twijfel gezaaid dat het medisch oordeel onjuist is.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij 24 oktober 2023 ongeschikt was voor het uitoefenen van haar eigen werk en in aanmerking moet worden gebracht voor een ziektewetuitkering. Hiertoe heeft appellante aangevoerd dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest, omdat de bedrijfsarts heeft nagelaten haar te onderzoeken. Appellante meent dat zij met de in bezwaar en beroep ingezonden medische informatie twijfel heeft gezaaid over de conclusies van de arts van het Uwv. Appellante heeft daarbij verwezen naar het journaal van de huisarts en de informatie van haar fysiotherapeut. Appellante beschikt niet over de financiële middelen voor het inschakelen van een contra-expert en is daarom van mening dat sprake is van schending van het beginsel van wapengelijkheid (equality of arms). Appellante heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn een herhaling van wat appellante in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante uitvoerig besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de arts van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Wat appellante heeft aangevoerd over het onderzoek door de bedrijfsarts van CVOM vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.

Van een schending van het beginsel van equality of arms, zoals ter zitting van de Raad is aangevoerd, is geen sprake nu geen reden bestaat om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt. Appellante heeft in de procedure voldoende ruimte gehad om ter onderbouwing van haar standpunt (medische) stukken in te dienen en zij heeft van die ruimte ook gebruik gemaakt. Een contra-expertise, uitgevoerd door een externe verzekeringsarts, is hiervoor niet vereist. Gelet hierop kan het door appellante gestelde financiële onvermogen buiten beschouwing worden gelaten. De Raad ziet geen aanleiding om op deze grond een deskundige in te schakelen.

Nu appellante in hoger beroep heeft volstaan met de verwijzing naar de in bezwaar en beroep ingezonden informatie wordt verwezen naar het oordeel van de rechtbank dat appellante geen medische stukken heeft ingebracht die het gemotiveerde standpunt van de arts weerleggen. Omdat er geen twijfel is aan de medische beoordeling, is er ook geen aanleiding om op die grond een deskundige te benoemen.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de ZW-uitkering in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.H. Ermers, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.

(getekend) J.H. Ermers

(getekend) S.P.A. Elzer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand