CAK
Datum uitspraak: 30 september 2026
Zitting heeft: D. Hardonk-Prins
Griffier: F.M. Gerritsen
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaken in verband met hun samenhang gevoegd ter behandeling aan de orde gesteld op een zitting van 30 september 2026. Partijen zijn niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, en wijst de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant ontvangt sinds geruime tijd maatwerkvoorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Appellant moet daarvoor een bijdrage betalen. De hoger beroepen zijn gericht tegen uitspraken over diverse op meerdere jaren betrekking hebbende besluiten, brieven en (herstel)facturen en afgewezen verzoeken om schadevergoeding.
2. De Raad stelt – evenals de rechtbank – vast dat appellant geen inhoudelijke gronden heeft ingediend tegen de hoogte van de eigen bijdrage.
3. De Raad bepreekt de tegen de aangevallen uitspraken ingediende beroepsgronden als volgt.
Dat, zoals de Raad opmaakt uit de hoger beroepschriften, de opeenvolgende besluiten, brieven en facturen bij appellant tot verwarring hebben geleid, acht de Raad begrijpelijk. Dit betekent echter niet dat de rechtbank een onjuist oordeel heeft gegeven over de beroepen die appellant heeft ingesteld.
Alleen al omdat het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank Gelderland van 1 augustus 2024 appellant is toegezonden, leidt wat appellant daarover heeft aangevoerd niet tot het kennelijk beoogde doel.
Appellant heeft zijn betoog dat de rechtbank blijk heeft gegeven van vooringenomenheid dan wel in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld niet onderbouwd, zodat ook dit betoog geen doel treft.
De door appellant in zijn beroepen telkens herhaalde verzoeken het CAK te veroordelen tot het vergoeden van schade tot een bedrag van € 123.456,78 zijn eveneens in het geheel niet onderbouwd, zodat de rechtbank deze verzoeken alleen daarom al terecht heeft afgewezen.
4. Het voorgaande brengt mee dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Daarom is er ook geen aanleiding om de in hoger beroep gedane – evenmin onderbouwde – verzoeken om het CAK te veroordelen tot het vergoeden van schade toe te wijzen.
5. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding. Appellant krijgt ook betaald griffierecht niet terug.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) F.M. Gerritsen (getekend) D. Hardonk-Prins