25/1235 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 juni 2025, 24/3051 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Velsen (college)
Datum uitspraak: 29 september 2026
Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: S.P.A. Elzer
De zitting is gehouden op 29 september 2026. Namens appellant zijn verschenen mr. G.J. Mulder en mr. T.A. van der Kloos, beiden advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Zandvliet.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
7. Appellant doet met zijn beroep op artikel 16, eerste lid, van de PW een beroep op de uitzondering op de hoofdregel van artikel 15, eerste lid, van de PW. Daarom moet appellant aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor die uitzondering is voldaan. Dit volgt uit vaste rechtspraak.
8. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt informatie van zijn tandarts overgelegd. Met deze informatie heeft appellant echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie waarin het niet verlenen van bijstand tot ernstige gevolgen voor zijn gezondheid leidt. Uit de verklaringen van zijn tandarts blijkt dat appellant een slecht gebit heeft, dat hij zich daardoor ongelukkig voelde en minder goed kan kauwen. Ook volgt uit de stukken dat het uit tandheelkundig oogpunt wenselijk is om implantaten te plaatsen en dat zonder die behandeling verdere achteruitgang en mogelijk verlies van overige elementen kan optreden. Daarmee heeft appellant echter nog niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute noodsituatie. Met name de mededeling van de tandarts dat zonder plaatsing van implantaten de overige elementen binnen een termijn van vijf jaar verloren zouden kunnen gaan, wijst niet zonder meer op een acute noodsituatie. Er is weliswaar sprake van een ernstige en mogelijk progressieve tandheelkundige problematiek, maar niet is gebleken van een zodanig extreme schrijnende situatie dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Het college hoefde in de overgelegde informatie, mede gelet op de in 7 weergegeven bewijslast, ook geen aanleiding te zien voor een nader onderzoek.
9. Uit voorgaande volgt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW voordoen.
10. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
11. Dit betekent ook dat appellant geen vergoeding voor de proceskosten en het griffierecht krijgt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S.P.A. Elzer (getekend) A.M. Overbeeke